Vrijdag, 13 november, 2020

Geschreven door: Onbekend
Artikel door: Stoel, Jan

Tijdecho

“Na deze proloog kan ik een baan bij een bank wel vergeten”

Gesprek met Leo de Jong over zijn roman Tijdecho

[Interview] Je hebt aangegeven dat al je verhalen fictie zijn, maar dat je in je werk gebruik maakt van wat je meegemaakt, ervaren hebt. Je hebt vijf jaar geleden ontslag genomen. Je werkte in de financiële sector en besloot je hart te volgen door je te gaan wijden aan de literatuur, staat op de achterflap te lezen. De titel van je proloog heet Tijdverspilling. Het hoofdpersonage werkt bij een bank. Het verhaal laat een indrukwekkende lijst zien van dingen waaraan het schort bij een (groot) bedrijf: afschuiven van werk en verantwoordelijkheid, opstellen van documenten waar niets mee gedaan wordt, nutteloze overleggen, zinloze opleidingen, inhoudsloze notulen, goede ideeën verloren zien gaan door mensen die ze niet snappen (maar die vaak wel hoger in de organisatie staan), afgerekend worden op fouten die anderen hebben gemaakt én zeggen dat je het zo druk hebt. Je eindigt het verhaal met “ik heb eindelijk de energie gevonden om wat anders te gaan doen”. In het verhaal Zelfinzicht gaat het over de verplichte deelname aan een seminar waarbij de deelnemers te maken krijgen met een kloon van zich zelf. De chef van de zaak zegt: ze kunnen hetzelfde als jullie maar stellen geen domme vragen. Reken je hiermee af met de tijd waarin je in de financiële sector werkte? Was je teleurgesteld in je werk?
“Laat ik vooropstellen dat ik in al die jaren ook een heleboel nuttig werk heb gedaan. Dat was misschien nog wel het lastigste: in een eindeloos lange vergadering opgesloten zitten terwijl er nog zoveel dringends ligt! Mijn prioriteiten lagen structureel anders. Ik vermoed dat ik na deze proloog overigens een nieuwe baan bij een bank wel kan vergeten, maar misschien heeft McKinsey belangstelling… Ik denk trouwens dat veel opmerkingen uit mijn proloog ook van toepassing zijn op andere, grote organisaties buiten de financiële sector. Wie de schoen past trekke hem aan!”

Je hebt de overstap gemaakt naar de literatuur, fulltime. Daar is lef voor nodig. Ik zie dat de meeste auteurs niet van de pen alleen kunnen leven. Hoe is het je vergaan de voorbije vijf jaar?
“Toen wij elkaar voor het eerst ontmoetten waarschuwde jij mij al dat je van schrijven niet kunt leven. Ik zei dat ik dacht dat ik mooie teksten kon schrijven. Laat ik het zo zeggen: we hebben allebei gelijk gekregen… Om het fulltime schrijven te kunnen volhouden moet ik denk ik op zoek gaan naar een rijke vrouw.”

In je verhalen kom ik als een soort van rode draad het existentialisme tegen. De zin “een mens wordt gedefinieerd door zijn daden” keert letterlijk een aantal keren terug. Dat is eigenlijk ook de kern van je verhalen. Ook het citaat van Jean-Paul Sartre “c’est les actes que l’homme existe” en “l’enfer c’est les autres” komen terug. Kun je iets vertellen over de invloed van Sartre en het existentialisme op jou en je werk?
“Toen ik zeventien jaar was sprak het existentialisme mij aan. De gedachte dat een mens gedefinieerd wordt door zijn daden, dat hij zijn eigen leven bepaalt en dat hij niet door een of ander opperwezen wordt gestuurd. Dat je eigen invloed doorslaggevend is. Nu, zo’n dertig jaar later, zie ik het iets genuanceerder.”

Wordt Vervolgd

Je werkt het thema tijd op allerlei verschillende manieren uit, laat ze afspelen in het verleden, heden en de toekomst, maar hebt het ook over dromen en herinneringen. Ben je gaan schrijven rondom het thema of had je eerst de verhalen en heb je toen de overeenkomst in thematiek ontdekt?
“Ik ben begonnen met twee verhalen. De een speelde in het verleden en de ander in de toekomst. Bij één van de twee speelde een tijd-gerelateerd element ook al een hoofdrol bij de ontknoping. Het centrale thema kwam dus vrij snel.”

Hoe zit het schrijfproces er bij jou uit als je een verhaal schrijft? Waar let je op?
“Meestal heb ik het hele verhaal (in grote lijnen) in één keer in mijn hoofd. Dat schrijf ik dan ouderwets uit op papier. Soms ook met al wat details erbij. Dan gaat het pas in de computer. Tijdens dat tweede schrijfproces komen er nog vaak details bij, maar de grote lijnen (inclusief de afloop) veranderen meestal niet. En dan ben je soms helemaal klaar met een verhaal en kijk je naar de omvang en heb je twee of drie A4 aan tekst. Dan denk je toch even mmmh, hoe moet dit ooit een boek worden? Maar af is af en dan doe ik toch echt niets meer aan zo’n verhaal. Langer maken kan natuurlijk altijd, maar als een verhaal dat niet nodig heeft doe ik dat niet. Dat zijn dan uiteindelijk de kortere verhalen in het boek. Van de langere verhalen was van begin af aan al duidelijk dat ze relatief uitgebreid zouden worden. De teksten zijn allemaal organisch gegroeid als het ware. Niets is langer of korter gemaakt omwille van de omvang.”

En dan heb je de verhalen af en dan moet je ze gaan bundelen, in een volgorde gaan zetten? Welke keuzes heb je daarbij gemaakt?
“Voor wat betreft het eerste en het laatste verhaal (de proloog laat ik hier buiten beschouwing) was de keuze duidelijk (ik kom daar ook in je laatste vraag op terug). Daartussen speelden voornamelijk vormvragen een rol: beetje afwisseling tussen lang en kort, verhalen met en zonder dialogen, etc. Maar ook inhoudelijk is er sprake van een zekere clustering. Zo staan er twee verhalen bij elkaar die allebei een paranormaal tintje hebben (over een vrouw die geplaagd wordt door ervaringen uit een vorig leven en een man die moeite heeft om zijn plotselinge dood te verwerken). Dit wordt aangestipt in het tussenstukje op pagina 99 (zie ook vraag 8), waarin ‘de uitgever’ voorstelt om voor de volgende verhalen een paar ‘meer alledaagse’ onderwerpen als uitgangspunt te nemen zoals internet, werk of criminaliteit, onderwerpen die daarna dan ook volgen.. Eén ding is zeker: de uiteindelijke volgorde in het boek zegt niets over de volgorde waarin de verhalen oorspronkelijk zijn geschreven.”

Een verhaal van Leo de Jong lezen betekent dat je altijd op het verkeerde been gezet wordt. Als je denkt dat je weet hoe het afloopt gaat het verhaal toch een andere kant op. Zijn er nog meer ‘De Jong’-eigenschappen in je verhalen?
“De Jong’-eigenschappen, ja, die zijn er absoluut. Verrassende wendingen horen daar zeker bij: als een lezer halverwege al weet hoe het verhaal gaat eindigen heb ik iets niet goed gedaan! Gelaagdheid is denk ik een ander belangrijk kenmerk. Literatuur betekent voor mij géén lange zinnen met zo veel mogelijk bijvoeglijk naamwoorden. Ik zoek de diepte elders. Mijn teksten moeten makkelijk leesbaar zijn waarbij tegelijkertijd mensen die dieper willen graven genoeg kunnen vinden (bijvoorbeeld op het gebied van naamgeving, humor of symboliek). Maar het ‘missen’ van die verborgen elementen mag het begrijpen van de verhaallijn niet beïnvloeden.”

Vijf maal komt in de bundel een stukje voor waarin je uitgever fictief reflecteert op wat je geschreven hebt. Wat is de functie van die stukjes?
“De Q&A stukjes zijn bedoeld om de in principe losstaande verhalen wat met elkaar te verbinden. Het zijn korte, fictieve dialoogjes tussen de uitgever en schrijver. Dat is volgens mij een vrij uniek concept. Het is daarbij niet de bedoeling om de verhalen uit te leggen of om inhoudelijk veel over de komende verhalen te verklappen. Ze zijn primair bedoeld als relativerende stukjes humor, waarbij (zeer algemeen) een beetje terug en vooruit wordt gekeken.”

En dan de opvallende cover, die me doet denken aan een werk van Bridget Riley. Hij is geïnspireerd op de op-art, optical art, een kunststroming die behoort tot de abstracte kunst en waarbij contrasten, vibrerende kleuren een grote rol spelen. Het gaat om optische illusies en de composities lijken te bewegen. En dat is precies wat je met literatuur doet. Hoe is die keus tot stand gekomen?
“In eerste instantie had ik een andere cover in gedachte: met een omgekeerd lopende klok (op de plaats van de 1 staat 11, op de plaats van 2 staat 10 etc.). Is een leuk ding; ik heb er mijn uitgever ook eentje gegeven – ja, je kunt ze gewoon bestellen – en niemand die die klok voor het eerst ziet kan vertellen hoe laat het is! Er zijn diverse conceptcovers gemaakt, in twee groepen: omgekeerde klokken en optische effecten. De keuze ging uiteindelijk tussen één omgekeerde klok en de uiteindelijke cover. Probleem bij de ‘klok-cover’ was dat veel mensen in eerste instantie niet zagen dat er iets met die klok aan de hand was. En aangezien ik de huidige cover ook erg mooi vond, maakte dat de keus makkelijk. Tijd is natuurlijk sowieso een lastig begrip om interessant af te beelden.”

Het ‘wat als’-effect speelt overal een rol. Zoals in De Schaatser, een verhaal dat zich afspeelt in 2032. Het klimaat is kouder geworden door een vulkaanuitbarsting in Siberië, er wordt tweemaal per jaar een Elfstedentocht gehouden, het waterpeil is mondiaal gedaald, en een gigantisch zonnepark is een van de grootste mislukkingen uit de geschiedenis van energieopwekking. Het toeval geef je een plek, zoals bij het laten vallen van de atoomboom op Hiroshima en Nagasaki. Eigenlijk had de bom op Kokura moeten vallen, maar het toeval van de weersomstandigheden bepaalde anders. Je schrijft ergens: “Er lijkt altijd wel een of andere kracht te zijn die je planning onverwacht overhoop gooit.” Wat wil je hiermee zeggen?
“Sommige mensen denken dat ze alles kunnen plannen. Carrièreplanning, familieplanning… Succes ermee! Niets mis met ambities of doelstellingen. En als je dan toch in de toekomst wilt kijken zijn scenario’s wellicht nog het nuttigst. Maar op je 18e zeggen dat je op je 25e trouwt, op je 30e je derde kind hebt en op je 50e op Hawaï woont??? Misschien voel je je tegen de tijd dat je 50 bent wel veel meer thuis op Texel… Om het over de planbaarheid van de rest nog maar niet eens te hebben. Nou gebiedt de eerlijkheid mij om te zeggen dat ik op mijn 18e zelf ook dacht dat het leven redelijk te plannen viel.”

In twee verhalen staan herinneringen als echo van de tijd centraal. Ik vind ze wondermooi en ontroerend. In Relativiteit gaat Joran op zoek naar zijn grote liefde van de middelbare school, vindt haar, maar dan krijgt het verhaal een onverwachte wending. “Ik heb het gevoel (…)dat de tijd als fijn zand tussen mijn vingers is doorgesijpeld.” Droomland vind ik een hoogtepunt in de bundel. Jaap droomt van gelukkige tijden met zijn kinderen. Hij is ze kwijt. Hij wordt alleen bezocht door twee mensen. Het is een verhaal over de pijn van het niet herinneren. Hoewel je hier een zware thematiek aanstipt, blijven de verhalen toch een lichtheid houden. Hoe heb je dat gedaan?
“Dankjewel voor het compliment. Ik heb ook geprobeerd in de ‘minder lichte’ verhalen toch altijd iets van humor te verwerken. Al is het alleen maar door middel van de naamgeving. Verder heb ik hier en daar geprobeerd om een hoofdpersoon bewust onsympathiek te maken (of op zijn minst ook negatieve eigenschappen mee te geven). Dat voelt dan toch een beetje beter aan als het eind dramatisch wordt. Beide elementen zijn van toepassing op Relativiteit, maar spelen ook bij andere verhalen. Bij Droomland zijn beide effecten niet aan de orde. Daar moet de allerlaatste zin voor een beetje troost zorgen: de positieve rol die de kinderen blijken te hebben gespeeld.”

Je personages zijn allemaal personages waar iets mee aan de hand is, mensen die alleen staan, die op een bijzondere manier naar de samenleving kijken, die bewust of onbewust iets doen, die soms gemankeerd zijn. De namen van je personages hebben ook een betekenis. Soms is het wel wat doorzichtig. Een seriemoordenaar die Jack de Ridder heet en een model dat Kate Mossel genoemd wordt. Wat moeilijker is de verklaring van de naam van de tweeling Zack en Zoë Zygote die als een echo van de tijd uiteindelijk hun echte vader vinden. Zygote staat voor de bevruchte eicel door versmelting van twee geslachtscellen. Zoë betekent bovendien leven, en Zack ‘God onthoudt.’ Zo functioneel in het verhaal. En dan is er nog Cassandra in het verhaal Voorkennis. Cassandra ontdekt op 11-9-1999 een boek dat speelt op 11-9-2001 met de aanslag op de Twin Towers. Volgens haar is het een waarschuwing uit de toekomst. Niemand gelooft het verhaal totdat vliegtuigen in de Twin Towers vliegen. Cassandra is een figuur uit de Griekse mythologie. Ze was zo mooi dat dat de god Apollo met haar het bed wilde delen. Cassandra stemde toe, maar wilde daarvoor in ruil de gave om de toekomst te kunnen voorspellen. Je houdt ervan allerlei puzzeltjes in je verhalen te stoppen?
“Allereerst chapeau voor het uitpluizen, het klopt allemaal! Dat verstoppen heeft alles te maken met mijn visie op literatuur: diepgang zou de leesbaarheid niet moet belemmeren. En dat de naamgeving in subtiliteit varieert heb ik ook bewust gedaan. Ook minder scherpe lezers moeten e.e.a. meekrijgen. NB: dat schoorsteenvegers in Duitsland geluk brengen (De Pesttoerist) weten in Nederland waarschijnlijk ook maar weinig mensen. De naam Jack de Ridder heeft trouwens ook een diepere betekenis: de goede man lijkt qua uiterlijk weliswaar op de gezochte seriemoordenaar, maar hij is het niet. Maar primair is het natuurlijk humoristisch bedoeld.”

De twee laatste verhalen hebben een hoog science fiction gehalte. Het gaat over ruimte, tijd en menselijke vergankelijkheid. Astronauten zijn op zoek naar planeten waar leven is. Zij dragen namen als Neil, Joeri, Michael en Buzz (denk aan Armstrong, Gagarin, Collins en Aldrin). Ruimteschepen dragen de naam Galileo en Santa Maria (een van de schepen van Columbus). Ze ontdekken nieuwe verten, ontmoeten eerder gelanceerde astronauten laten de vertrouwde aarde achter zich, vestigen zich op een planeet en komen nooit meer terug. Deze zin viel me op: “We hebben nog geen tijd gehad om een bureaucratie te ontwikkelen.” Daarmee is de cirkel met de proloog rond volgens mij. Hebben zij nu de tijd veranderd?
“Ja, zo zou je het inderdaad kunnen zien. Je zou ook kunnen zeggen dat de tijd irrelevant is geworden. Goed opgemerkt trouwens weer die achternamen (natuurlijk is Buzz wel een naam die opvalt, maar ze kloppen alle vier). Het laatste verhaal komt trouwens op meerdere manieren terug bij het begin van het boek; ook bij een verhalenbundel wil je kop en staart toch een beetje aan elkaar verbinden. Het einde van Novatero sluit als laatste verhaal goed aan bij het eerste verhaal, De PesttoeristDe Pesttoerist speelt het verst in het verleden, Novatero het verst in de toekomst. Maar wat mijns inziens belangrijker is dan deze chronologische ordening: in De Pesttoerist wordt een wens uitgesproken die in het laatste verhaal op een geheel andere wijze in vervulling blijkt te zijn gegaan, waarbij in beide verhalen atoomwapens een rol spelen. Maar er zitten meer rode draden in het boek. Zo zijn er diverse verwijzingen (variërend in vorm en subtiliteit) naar Columbus’ ontdekking van Amerika. Eigenlijk is de grote oversteek naar Andromeda ook een metafoor, waarbij – intrigerend detail met betrekking tot het hoofdthema tijd (en niets meer dan dat) – de ‘oorspronkelijke bewoners’ later zijn vertrokken dan de ‘ontdekkers’.

Tot slot: er is ook nog een bepaald, laat ik het neutraal ‘element’ noemen, dat in nagenoeg alle verhalen voorkomt. Omdat de vorm/functie hiervan echter in elk verhaal verschilt, zal het waarschijnlijk bijna niemand opvallen. Meer wil ik er hier niet over verklappen…”

Eerder verschenen in Bazarow magazine