Woensdag, 18 december, 2019

Geschreven door: Winock, Michel
Artikel door: Heumakers, Arnold

Nationalism, Antisemitism, and Fascism in France

Voor het antisemitisme hadden de Fransen geen Duitsers nodig

]Recensie] De vandalen die twee weken geleden [mei 1990/red.] huishielden op het joodse kerkhof van Carpentras, hebben in elk geval één ding duidelijk gemaakt: het antisemitisme leeft niet alleen in de Sovjet-Unie, Oost-Europa of het Midden-Oosten, maar ook in Frankrijk. De massale demonstraties die op de wandaad zijn gevolgd nemen die indruk niet weg. Daarvoor zijn er de laatste jaren te veel symptomen van antisemitisme in de Franse samenleving zichtbaar geworden, van Le Pens betiteling van de gaskamers als een ‘point de détail’ in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog tot Faurissons eerdere ontkenning van de Endlosung.

Het antisemitisme werd in Frankrijk niet in 1940 door het Duitse leger geïmporteerd, maar leidde er sinds jaar en dag op eigen kracht een tamelijk bloeiend leven. Er is zelfs iets voor de zeggen dat de moderne vorm van jodenhaat, inclusief racisme, populisme en afkeer van de parlementaire democratie, in Frankrijk voor het eerst zijn gezicht heeft laten zien. We moeten daarvoor teruggaan naar de laatste twintig jaar van de vorige eeuw, toen tijdens de Boulanger-crisis en de Dreyfus Affaire het antisemitisme bewees over een nog niet eerder vertoonde politieke werfkracht te beschikken.

Antisemitisme was er natuurlijk altijd geweest, zowel in Frankrijk als in de andere christelijke landen van Europa, waar joden sinds de vroege middeleeuwen werden gediscrimineerd en soms ook vervolgd als de ‘moordenaars van Christus. De secularisering van staat en samenleving tijdens de Franse Revolutie beloofde echter hieraan een eind te maken. Tijdens de voorbije viering van de bicentenaire van de Revolutie heeft men niet voor niets zoveel aandacht gevraagd voor de na 1789 begonnen emancipatie van zwarten, vrouwen en joden. Te midden van de klachten over revolutionaire terreur en totalitair geweld was dit tenminste iets dat boven alle kritiek verheven kon blijven.

Terecht uiteraard, maar dat was indertijd niet de opvatting van de contrarevolutie. Hoewel de abbé Augustin de Barruel in zijn veelgelezen Mémoires pour servir a l’histoire du jacobinisme (1797-1799) de Revolutie nog alleen verklaarde als een complot van vrijmetselaars en illuministen, was hij er in 1806 al van overtuigd, dankzij een geheimzinnige brief van een zekere Simonini, dat de ware boosdoeners achter dit complot de joden waren geweest. En deze visie heeft sedertdien in contrarevolutionaire kring alleen maar veld gewonnen.

Wordt Vervolgd

In La France juive van Edouard Drumont, een tweedelige bestseller van meer dan duizend bladzijden, die in 1886 de antisemitische explosie van het fin-de-siècle inluidde, wordt tussen joden en vrijmetselaars nauwelijks nog onderscheid gemaakt. Beiden (maar vooral de joden) hadden Frankrijk op de rand van de ondergang gebracht, en dat alles alleen om er zelf beter van te worden. “De enige die van de Revolutie heeft geprofiteerd is de jood”, schrijft Drumont, aldus de boodschap van zijn lijvige boekwerk kernachtig samenvattend “Alles komt van de jood; alles gaat naar de jood”.

Het antisemitisme van Drumont vermengde zich met de oppositie tegen de Derde Republiek, die in de jaren 1888-1889 culmineerde in de Boulanger-beweging. Boulanger was een generaal en voormalig minister van Oorlog, rond wiens persoon Bonapartisten, katholieken, revanchisten, socialisten en andere vijanden van de Republiek zich verzamelden, in de hoop dat hij zo nodig met geweld orde op zaken zou stellen.

Het avontuur liep uit op een echec met melodramatische trekjes, want Boulanger bleek niet de ijzervreter te zijn waarvoor men hem had gehouden; toen zijn uur sloeg – na de verkiezingsoverwinning van 27 januari 1889 – weigerde hij het Élisée te bestormen, en een paar maanden later moest hij naar België vluchten waar hij uiteindelijk op het graf van zijn maîtresse zelfmoord pleegde.

Het aanvankelijke succes van Boulanger had echter wel overtuigend de politieke bruikbaarheid van het antisemitisme aangetoond. Dankzij de gemeenschappelijke zondebok konden opposanten van de meest uiteenlopende politieke gezindheid in elk geval tijdelijk met elkaar een front maken en zelfs zoiets als een collectieve ideologie ontwikkelen. Charles Maurras, oprichter en leider van de Action Française zou hierover later opmerken: “Alles lijkt onmogelijk of ontzettend moeilijk zonder die reddende engel van het antisemitisme. Dankzij haar wordt alles geregeld, geëffend, vergemakkelijkt. Als men al niet antisemiet was uit vaderlandsliefde, dan zou men het simpelweg uit opportunisme worden.”

Zoveel cynische openhartigheid zoekt men tevergeefs bij Drumont, wiens invloed op het moderne Franse antisemitisme nauwelijks overschat kan worden. Van La France juive verschenen tussen 1886 en 1914 tegen de tweehonderd edities, tezamen goed voor minstens een half miljoen exemplaren. Daarom is het des te verwonderlijker dat er over hem nog altijd geen behoorlijke biografie bestaat – misschien omdat men zich in Frankrijk een beetje is gaan schamen voor het succes van juist deze auteur. Wel hebben sommige historici verhelderende artikelen over hem geschreven, onder wie Michel Winock, die in 1982 de bundel Édouard Drumont et Cie publiceerde.

Deze bundel is nu, aangevuld met diverse sindsdien door Winock geschreven artikelen, heruitgegeven onder de titel Nationalisme, antisémitisme et fascisme en France [vertaald in het Engels als Nationalism, Antisemitism, and Fascism in France/red.]. Het boek had niet op een beter tijdstip kunnen komen, want wie meer wil weten over de historische genealogie van het huidige antisemitisme in Frankrijk en van een gezelschap als Le Pens Front National kan terecht bij Winock. Wat hij schrijft is misschien niet overal even nieuw en verrassend, maar zijn artikelen munten uit door helderheid en toegankelijkheid, waardoor ze ook voor een publiek dat niet is gespecialiseerd in deze troebele materie zeer de moeite waard zijn.

Antisemitisme wordt meestal verbonden met rechts. Vaak klopt dat ook, maar niet in het negentiende-eeuwse Frankrijk, zoals Winock laat zien in het artikel La gauche et les juifs. In Frankrijk was de Jodenhaat voor het fin-de-siècle in de eerste plaats een specialisme van links; het had er de vorm van wat je zou kunnen noemen een Rothschild-syndroom, waarbij jodendom en grootkapitaal vrijwel aan elkaar gelijk werden gesteld. “Het socialisme van de imbecielen”, heeft August Bebel het antisemitisme ooit genoemd, en iemand als Alphonse Toussenel, een leerling van Fourier, die in 1845 Les juifs, rois de l’époque publiceerde, mag het zich aantrekken.

Hij was echter beslist niet de enige. Achteraf is het verbijsterend met hoeveel gemak men alle joden identificeerde met rijkdom en grootkapitaal, alsof er geen arme joden bestonden. Maar feit blijft dat socialistische schrijvers van allerlei kleur als Fourier, Proudhon en ook de destijds in Frankrijk woonachtige Karl Marx de joden tot de kwade geniën van het kapitalisme uitriepen. Deze identificatie werd in La France juive en in latere werken met onheilspellende titels als La derniere bataille of La fin d’un monde door Drumont dankbaar overgenomen.

Op zijn manier was Drumont ook een beetje links; achter zijn antisemitisme ging een waarschijnlijk oprechte sociale bewogenheid schuil. Al moet men het niet overdrijven, zoals de samensteller deed van een bloemlezing uit Drumonts werk, die in 1968 verscheen bij Jean-Jacques Pauvert; hij gaf zijn bloemlezing de titel Édouard Drumont ou l’anticapitalisme national en bagatelliseerde op ontoelaatbare manier de Jodenhaat. Duidelijker zou het zijn geweest als er van ,,socialisme nationaliste” was gesproken; een term die in het fin-de-siècle ook al werd gebruikt, bijvoorbeeld door de jonge Maurice Barrès die na het Boulangistisch fiasco onder deze omineuze vlag de strijd tegen de zo gehate Derde Republiek voortzette.

Bij Drumont leefde een heftige nostalgie naar een mythisch Frankrijk van dappere edellieden, vrome priesters en nijvere ‘kleine luyden’, dat door Revolutie en grootkapitaal kapot was gemaakt. De moderne geschiedenis was voor hem één groot complot tegen de gewone man, waarbij het internationale jodendom aan de touwtjes trok. Alom zag hij decadentie en degeneratie; zijn boeken bestaan uit fantastische fresco’s waarop de verloedering breed wordt uitgemeten. Winock vergelijkt zijn stijl met die van de roman-feuilleton: een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad, veel melodrama, en een minimum aan goede smaak. Dit kan verklaren waarom hij met zijn onmiskenbaar vaardige pen zoveel lezers in de greep wist te krijgen, al zal hij de meest conservatieven onder hen vast hebben geschokt door zijn verdediging van de anarchistische bommengooiers die de gegoede burgerij in de jaren negentig slapeloze nachten bezorgden.

Drumonts sympathie voor de anarchisten ging overigens niet zo ver dat hij ook hun idealen deelde; hij deelde alleen hun vijanden, en als het er om ging die te benadelen was geen middel hem te min. De remedie voor de hedendaagse kwalen (Drumont had een voorkeur voor een wetenschappelijk ogend, vaak medisch jargon) zocht hij echter bij het antisemitisme, dat hem tevens de oplossing voor het ‘sociale vraagstuk’ aan de hand deed. Een oplossing van een verbluffende eenvoud: als men al het joodse bezit confisceerde, zou dat naar zijn overtuiging voldoende opleveren om voorgoed aan de sociale en economische onrechtvaardigheid een eind te maken.

Het politieke antisemitisme, met zijn ‘socialistische’ ondertonen, bereikte een hoogtepunt tijdens de Dreyfus Affaire, waaraan Drumont via dagelijkse artikelen in zijn krant La libre parole een niet te verwaarlozen aandeel heeft gehad. Van rechterzijde werden toen zelfs enkele – mislukte – pogingen tot een staatsgreep ondernomen, onder anderen door Jules Guérin, leider van de sinistere Ligue antisémitique, over wie in Winocks bundel een kort artikel is opgenomen. De overwinning van de Dreyfusards nam het antisemitisme vervolgens de wind uit de zeilen, terwijl de Duitse dreiging van de daarop volgende jaren de voormalige tegenstanders steeds meer bijeen dreef. Met als resultaat de ‘Union sacree’ van 1914, toen Maurice Barrès (in Les Diverses Familles spirituelles de la France uit 1917) naast katholieken, protestanten, socialisten en traditionalisten ook de joden noemde. Een heel verschil met nog geen twintig jaar tevoren, toen Barrès de arme kapitein Dreyfus op grond van diens joodse afkomst al bij voorbaat schuldig achtte! Het antisemitisme, net als het ‘socialisme nationaliste’ en het latere fascisme, heeft in Frankrijk nooit de macht weten te veroveren. De radicaliteit van dit rechtse ‘populisme’ ging de meerderheid van conservatieven en katholieken, als het er op aan kwam, blijkbaar toch te ver, en de republikeinse traditie van Revolutie en Verlichting was inmiddels te diep geworteld om nog door een eenvoudige staatsgreep te kunnen worden weggevaagd. Wat niet wil zeggen dat men er, ook in de jaren twintig en dertig toen een nieuwe generatie met een Frans ‘fascisme’ de fakkel van Drumont en Barrès c.s. overnam, niet van heeft gedroomd en over heeft geschreven.

In die jaren won ook het antisemitisme weer aan populariteit, met name in intellectuele kringen. Een onorthodox katholiek auteur als Georges Bernanos publiceerde bijvoorbeeld in 1931 onder de titel La grande peur des bien-pensants een enthousiaste biografie van de in 1917 gestorven en door iedereen vergeten Drumont. In dezelfde tijd verscheen er een nieuwe editie van La libre parole, terwijl Drumonts toon volop navolging kreeg in Je suis partout en Gringoire, bladen waarin schrijvers en journalisten als Brasillach, Bardêche, Rébatet en Béraud hun anti-joodse haatgevoelens de vrije loop lieten. Ook in de beruchte pamfletten waarmee Céline in de jaren dertig zijn met Voyage au bout de la nuit verworven populariteit verspeelde, klinkt Drumont mee, ook al had Céline zelf weinig waardering voor de schrijver van La France juive vanwege diens ‘joodse’ katholicisme.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen het Franse Vichy-bewind op eigen initiatief een begin maakte met de jodenvervolging, werd – onder luide toejuiching van de bovengenoemde scribenten – de daad bij het woord gevoegd. De Duitse overwinning maakte dat mogelijk; zonder de nederlaag van mei 1940 waren de 83.000 Franse joden die in de vernietigingskampen verdwenen ongetwijfeld niet ter dood gebracht. Dat maakt het er niet eenvoudiger op het aandeel van negentiende-eeuwse antisemieten als Drumont exact te bepalen. Sinds Auschwitz is het bovendien moeilijk, zo niet onmogelijk zich met de geschiedenis van het antisemitisme bezig te houden zonder tot op zekere hoogte aan teleologie ten prooi te vallen. Per slot van rekening is alle Jodenhaat op de Holocaust uitgelopen.

Winock is zich hiervan uiteraard bewust en schrijft dan ook dat de boodschap van Drumonts geschriften in feite neerkomt op een “oproep tot het pogrom”. Maar tegelijkertijd slaagt hij erin bij zijn behandeling van Drumont en diens geestverwanten van weleer de nodige terughoudendheid in acht te nemen, die het begrijpen van het verleden alleen maar ten goede komt. Het heeft immers weinig zin antisemieten die een eeuw geleden hebben geleefd nu met morele verontwaardiging te overladen; die kan men beter reserveren voor tijdgenoten als Le Pen, Faurisson en de vooralsnog anonieme grafschenners van Carpentras.

Eerder verschenen in de Volkskrant (26-5-1990) en op arnoldheumakers