Vrijdag, 24 mei, 2019

Geschreven door: Herrenberg, J.Z.
Artikel door: Kempen, Michiel van

Nederhalfrond: Door het oog van de cycloon 1

Herrenberg hakt en boetseert zijn roman uit alle taalbronnen

[Recensie] Hoeveel museum kan een mens bevatten? Alle zalen van het Rijksmuseum op één dag doen: kan het? De Alte Pinakothek? Het Prado? Het Louvre? Het kan waarschijnlijk, ook als je geen marathonloper bent. Maar zie je ook nog iets, kun je zelfs maar één blik van enkele seconden op èlk tentoongesteld object werpen? Waarschijnlijk niet.

En geldt iets vergelijkbaars niet voor po√ęzie: hoeveel gedichten kan een mens op √©√©n dag tot zich nemen? Ik vind een hele dichtbundel meestal al heel wat, soms kauw ik zelfs een hele dag op √©√©n gedicht. Je kunt natuurlijk wel een marathonpo√ęziedag inlassen en duizend gedichten lezen, maar wat heb je eraan? Wat verwerkt het brein dan nog?

Binnenkort

Ik moest aan deze dingen denken bij het lezen van het debuut van J.Z. Herrenberg, Nederhalfrond, dat het eerste deel is van Door het oog van de cycloon. Wordt dit een tweeluik? Een cyclus zoals A.F.Th. van der Heijdens De tandeloze tijd, Prousts À la recherche du temps perdu? We weten het niet. In 2002 meldde de auteur dat hij al jaren aan een grote roman werkte die zo goed als af was. Toen ik in 2009 opnieuw contact met de auteur opnam, voor een bijdrage aan de bundel Voor mij ben je hier die in 2010 verscheen bij Meulenhoff, was er sprake van een omvangrijke roman die binnen korte tijd zou verschijnen. Nu is die roman er dan, althans deel 1. De flaptekst meldt dat de auteur er al in 1996 aan begonnen is. Een werkstuk van 22 jaar dus.

En ik moet direct bekennen dat dit waarschijnlijk de allereerste bespreking is die ik ooit schrijf zonder de hele roman ‚Äď ik bedoel natuurlijk: het nu verschenen eerste deel – al gelezen te hebben. Ik ben ergens op de helft nu. Want is dit wel een roman? Qua taalintensiteit doet het boek niet onder voor een po√ęziebundel. En eigenlijk is het ook d√°t niet: Nederhalfrond is een sculptuur, een beeldhouwwerk van taal. Johan Herrenberg schrijft niet, hij hakt zich een weg door het Woordenboek der Nederlandsche Taal plus nog eens naar schatting vijftig andere talige toeleveringsbronnen. Er is een zin, vaak een zeer lange zin. Die zin wordt voorzien van bepalingen ‚Äď hak, hak, hak ‚Äď er wordt een klanknabootsing in gegooid ‚Äď bloep ‚Äď standaarduitdrukkingen worden net iets vervormd ‚Äď sjroetsj ‚Äď zelfstandige naamwoorden mogen van de auteur ook werkwoorden worden. Als dat er een beetje toonbaar uit begint te zien naar de smaak van de auteur, mogen er nog wat woorden uit andere talen bij. Geeft dat al een wat vrolijker aanzien, dan mag de interpunctie in stelling worden gebracht: veel cursief, een letterbak vol lettertypes, er mag gecentreerd worden, er wordt ingesprongen dat het een lieve lust is, rechts lijnen mag ook, √†lles mag. Alle taalregisters worden opengetrokken, van de hoogst intellectueel denkbare taalvariant tot de vulgairste straattaal, maar ik zeg er direct bij dat het boek zelf nooit vulgair wordt. Zo kapt en kneedt en snijdt en zaagt en boetseert en aait en verdraait de schrijver de taal. In elke zin staat wel een metafoor, een synecdoche, een onomatopee, een synesthesie, een neologisme (zoek deze woorden op, liefst in Literaire kunst van H.J.M.F. Lodewick, 1947, nog volop aanwezig in instellingen voor Havo-onderwijs te Paramaribo alsook in vochtige kelders van oude schoolgebouwen in Nederland).

Vlooien

Wie zijn de hoofd- en bijpersonen in dit drama? Ik heb geen idee, maar dat ligt misschien aan mij: ik heb te vluchtig gelezen, mea culpa. Er zijn er tientallen en ze springen als vlooien over de bladzijden, slechts nu en dan op hun plaats gedrukt door de meertouwen van de meanderende zinnen. Waar gaat het boek dan over? Ook dat weet ik niet goed. Het boek opent met twee prachtige, oudtestamentische zinnen: ‚ÄúWij schrijven het jaar en wij schrijven het zuchtend. Wij sluiten de jaren als huizen om zuigende leegte aaneen en roepen.‚ÄĚ Wat die laatste zin betekent, weet ik ook nu, na het overtypen ervan niet, maar het is wel een mooie zin, net als ‚ÄúAmbrosia wat vloeit mij aan/ uw schedelveld is koeler maan/ en alle appels blozen.‚ÄĚ Het eerste deel speelt zich af in een scholengemeenschap waar een lentefeest met dj plaats vindt, de jaarlijkse ‚ÄėLennteparty‚Äô (sic). In het tweede deel wordt een schrijver, zekere Derlage, in beeld gebracht die blijkbaar de auteur is van een boek dat De Lennteparty heet. Is dit de auteur van het eerste deel? Mogelijk. Geeft Herrenberg hier een zelfportret? Ook mogelijk. Een verkapt zelfportret natuurlijk, ‚Äėverkapt‚Äô: een veelbetekenend woord voor een zelfportret van de schrijver als sculpturalist. Lees, of liever: kijk naar pagina 107:

“Volgens de Aesthetic Information Assessment Group te Groningen is Derlages ‚Äėmaniakaal grote productie, hoewel reddeloos fragmentarisch en neotraditioneel, marginaal gesproken iets en vooral als ongewild satirische geestesziektespiegel niet van een zekere documentaire waarschuwingswaarde gespeend‚Äô (uit het taxatierapport d.d. 2.3.2007). “[cursiveringen van de auteur – MvK]

Beitel

Dan volgt het Boek Nul en komt een deel rond het dansmeisje Kira van Dam rond wie vijf andere figuren dwarrelen: Delius (‚Äúechte Surishit maar zonder de bommen‚ÄĚ), Erna Strietman van Juridisch, Pom ‚Äėthe Undertaker‚Äô Dales, ‚Äúde clownkale Co√∂rdinator Slotafwikkeling‚ÄĚ, dan is er Frans Waltman, het ‚Äėhumoristische Hoofd Harmonisatie‚Äô en tenslotte is er ‚Äúdie zwartharige tietentrut van Publiekscommunicatie, Sara Sip‚ÄĚ. O, en dan zijn er ook nog Ruud den Hertog, Madelon Verschoor, Yol√°n Verrips en Ben de Heer. En er is nog een ‚ÄúNubische wachter vol brandende verachting‚ÄĚ en een knul met pukkels. En misschien ben ik er nog wel een paar vergeten. Geeft niet, want na 16 pagina‚Äôs zijn er toch weer allemaal andere verhaalfiguren. Dat nieuwe hoofdstuk heet De Hel van een Heden en er staat weer een monumentale zin in, kijk op pagina 142:

“Zijn tere bruine ogen leden vreselijk, alsof die Burowoorden ze hadden gemolesteerd, wilden weg van de werkelijkheid die zij, gelezen, in Hem ontwierpen, maar troffen buiten, achter dat schietgat van onbreekbaar glas, slechts hun schokkende waarheid: stijgen en dalen deden de vliegtuigen der mensen daar, gedempt en bedrieglijk speelgoedklein, op en neer door een enorm, al schrijnend zomers blauw, op en neer, dat zonder de vingertasten van Zijn voorgegane lotgenoten smetteloos hard zou zijn geweest.”

Ik heb enig idee wat deze zin zou kunnen betekenen, durf echter hier geen parafrase aan, maar ik stel wel vast dat er een betoverend ritme in de zin gehakt is, de beitel ligt er nog naast.

Waar gaat het boek dan naartoe? Zoals ik al zei: dat weet ik niet. Ik heb wel even doorgebladerd naar het slot, want begin- en slotzinnen zijn de reuzenaccolades die de roman bijeenhouden, en ze mogen er zijn, die slotzinnen op p. 397 zien er zo uit:

“Ik ben een onverbeterlijke optimist, dames en heren.
Zelfs een aporie heeft een porie waar je doorheen kunt.”

Johan Herrenberg

Hebben wij nog enig biografisch houvast aan deze Johannes Zacheus Herrenberg die in Amsterdam in 1961 het licht zag? Hij is een neef van de Herrenberg die als Surinaamse ambassadeur in de jaren ‚Äô80 furore maakte met zijn enthousiaste verdediging van moordenaar Desi Bouterse (“Gaat u toch weg! Gaat u toch weg!”). Laat ik hier direct aan toevoegen dat deze man verder niets van doen heeft met zijn neefje, auteur J.Z. Herrenberg. Deze schreef proza en po√ęzie in tijdschriften als Yang, De Brakke Hond, Dietsche Warande & Belfort en nY. In 22 jaar schrijverij is hij nog altijd geen bekende persoonlijkheid in de letteren, maar ik vond wel een prachtige uitspraak van hem uit 2009: “Elke roman is wat secuur bij elkaar gelulde fantasietjes; alleen zijn sommige lezers en critici zo wereldvreemd, dat ze vreselijk kunnen schrikken van een roman.” Dit is natuurlijk geen po√ętica, maar het maakt wel duidelijk dat Herrenberg niet een man van vrijblijvende postmodernistische spelletjes is. Hij lijkt de roman eerst compleet te relativeren, maar aan het einde van zijn uitspraak staat het belang van de roman toch als een huis overeind.

J.Z. Herrenberg lijkt mij een schrijver die zijn voorbeelden niet heeft gezocht bij Nescio, Kluun of (zoals Jeroen Brouwers hem aanduidde) een “Utrechts schrijver van seksromannetjes voor pubers, thans van kookboeken” Ronald Giphart. Ik moet me al heel erg sterk vergissen of hij zoekt zijn voorbeelden bij Thomas Pynchon, Curzio Malaparte, James Joyce¬†en bij de experimentele Vlamingen als Willy Roggeman en Marcel van Maele die in de jaren ‚Äô70 hun boeken uitgaven in een reeks die verrassend goed hun positie aangaf: Manteau Marginaal. Herrenberg schrijft tegen het schijnexotisme van de tweede- en derdegeneratie migrantenliteratuur waarin de ontdekking van de eigen zwarte ziel wordt opgediend als nat geworden poffertjes. Hij schrijft tegen de verstripping en de verlulling van de literatuur. En het plezier waarmee hij dat doet spat van de pagina‚Äôs af: een vrouw beweegt “langzaam als een lijkwagen”, een meisje loopt “met kauwende billen”, √≠n een wijk is er geen sprake van ‚ÄėInquisitie‚Äô maar van ‚Äėinquivisie‚Äô. Het is dapper dat er nog een uitgeverij is die in zo‚Äôn roman brood ziet. Wat J.Z. Herrenberg behalve zijn taalsculpturen tegen die verlulling in stelling gaat brengen weet ik nog niet: ik moet zijn boek eerst nog uitlezen. Dat ga ik doen, en dan herlezen, want er m√≥et een verhaal zitten onder dit taalplaveisel.

Eerder verschenen op Caraibisch Uitzicht