Donderdag, 5 september, 2019

Geschreven door: Jonkman, Mayken
Artikel door: Jager, Koen de

Nederlanders in Parijs 1789-1914

De Franse invloed op Nederlandse schilders

Mayken Jonkman is naast auteur ook samenstelster van dit boek, waaraan nog 8 auteurs hebben deelgenomen én zij is de motor achter de gelijknamige tentoonstelling in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Jonkman heeft, als conservator bij het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in Den Haag, de afgelopen drie jaar onderzoek gedaan naar die Nederlanders in Parijs.

[Recensie] Tussen 1789 en 1914 reisden er minstens 1136 Nederlandse kunstenaars naar Parijs. Ze werden aangetrokken door de continue ontwikkelingen in de Franse kunst en door de vele mogelijkheden op het gebied van opleidingen, carrièrekansen, een opkomende kunsthandel, een kooplustig publiek en de vele museale collecties. Omdat 1136 artiesten wat veel wordt, worden er hier negen belicht. Mij bekende schilders als Van Gogh, Mondriaan en Breitner, maar ook mij onbekende schilders als Gerard van Spaendonck, Ary Scheffer en Frederik Hendrik Kaemmerer passeren de revue.

Jonkman begint echter met een inleiding over het Parijs van de 19e eeuw en met een stuk over de Nederlandse schilderkunst op de Wereldtentoonstellingen in Parijs. Die Wereldtentoonstellingen, de Salon (een tweejaarlijkse tentoonstelling van levende kunstenaars) en de Académie des Beaux-Arts waren cruciaal in de kunstwereld van die tijd. Carrière binnen dit circuit stond garant voor succes.

Neem nu Gerard van Spaendonck (1746-1822). Hij was gespecialiseerd in decoratieve bloemschilderkunst. Rond 1770 was er geen betere plaats om daarin carrière te maken dan in Parijs. Hij reisde er naar toe en binnen enkele jaren was hij hofschilder aan het hof van Lodewijk XV, ontwierp hij serviezen voor de porseleinfabriek in Sèvres en was hij botanisch kunstenaar in de Jardin des Plantes. Hij werd ook tekenmeester en werd gezien als een belangrijke katalysator door al zijn functies. Mede door zijn schilderijen kregen Nederlandse 17de-eeuwse stilleven-schilders algemene bekendheid in Frankrijk.

Ary Scheffer (1795-1858) was ook een bijzondere. Hij wist zich op te werken tot vertrouweling van het koningshuis en bewoog zich door het hele kunstenaarsspectrum van Parijs. Hij was één van de kunstenaars die gevraagd werd om stukken te schilderen voor het museum van de Franse geschiedenis dat in het paleis van Versailles zou worden gevestigd. Hij was ook een spil tussen de Nederlandse en Franse kunstwereld, door zijn hulp aan schilders uit beide landen.

Ik kende Johan Barthold Jongkind (1819-1891) niet, maar hij kwam in Parijs terecht op uitnodiging van de Franse schilder Eugène Isabey. Jongkind schilderde er prachtige werken met de Seine-oever als onderwerp. Hij werd bekend en de beruchte criticus Edmond de Goncourt zei over hem.

“Hij heeft op zijn schildersezel een doek staan van een buitenwijk van Parijs, met een leemachtige oever in een heerlijk mengsel van kleuren. Hij laat ons gezichten van Parijs zien, van de wijk Mouffetard, de omgeving van Saint-Médard, waar de verrukking van de grijze kleuren van de Parijse pleisterkalk door een tovenaar lijkt te betrapt in een waterige schittering.”

Zijn stijl veranderde en dat is mooi te volgen in dit boek. Zozeer zelfs, dat hij geprezen wordt als vader van het impressionisme. Ik had geen idee.

Via Jacob Maris (1837-1899) leerde ik over de landschapsschilders en het belang van het plaatsje Barbizon, aan de rand van het Forêt de Fontainebleau. Maris toog erheen om het landschap daar te schilderen. Hij was niet de enige, men spreekt zelfs van de School van Barbizon. Veel Nederlandse schilders waren gevoelig voor deze Franse natuurbeleving en getuigden hier weer van in hun eigen werk.

Frederik Hendrik Kaemmerer (1839-1902) ging met Jacob Maris naar Parijs, op uitnodiging van kunsthandel Goupil & Cie. In dit hoofdstuk wordt duidelijk wat de rol van de kunsthandel is en dat ze vaak, zoals bij Kaemmerer, schilders exclusief aan zich binden en hen zelfs als agenten inzetten om nieuwe schilders voor hen te werven. Zo werd tegenkracht geboden aan de grote invloed van de Salon en de Académie.

Dan George Hendrik Breitner (1857-1923). Hij was een figuurschilder en trok in Den Haag op met Vincent van Gogh. Zijn leertijd in Parijs begon in 1884. Hij zag zichzelf als ‘le peintre du peuple’, zijn werkwijze was vooral het zwerven door de stad en het vastleggen van het alledaagse leven. Breitner schilderde ook, in navolging van Degas, naakten en ballerina’s. Dat was nog niet eerder door een Nederlander gedaan;

“Hoewel de aanleiding voor de naakten zeker gezocht moet worden in zijn kennismaking met de moderne Franse schilderkunst, gaf Breitner er een eigen invulling aan: voor de heldere kleur van zijn Franse collega’s ging hij niet overstag. Zijn gamma bleef rembrandtesk, zijn expressiviteit rauwer dan de mondaine sensualiteit van Degas of Manet.”

Een mooi voorbeeld van de Franse invloed op een Nederlandse schilder en dat is ook te zien bij Vincent van Gogh (1853-1890). In dit boek is goed zijn ontwikkeling te volgen van de donkere schilderijen uit zijn Nuenense periode, waar hij een realistische boerenschilder was, tot zijn exuberante kleurstellingen in zijn Zuid-Franse periode. Die ontwikkeling liep via Parijs en daar zie je zijn palet, onder invloed van de kleuren van Delacroix, steeds meer opklaren en helderder worden.

Kees van Dongen (1877-1968) vond ik zelf een openbaring. Ik kende zijn schilderij De blauwe japon al vanuit het Van Gogh Museum, maar zijn andere werk was een eye-opener. Hij trok aanvankelijk naar Parijs om zijn krachten te wijden aan het ‘vrijheidslievend’ socialisme. Hij bevond zich onder meer midden in de Dreyfusaffaire. Hij schilderde ook en hoe. Zijn meesterwerk is ‘A la Galette’, een doek op groot formaat dat het uitgaansleven van de ‘arbeidende klasse’ toont. Vreselijk om te lezen en zien dat dit doek versneden is in zes afzonderlijke doeken, die nu wereldwijd verspreid zijn.

Tot slot las ik over Piet Mondriaan (1872-1944). Hij schilderde aanvankelijk volgens de Haagse en de Barbizon-school. Keurig herkenbaar werk dus. Hij toonde zich vooralsnog ongevoelig voor het impressionisme en ander modern werk zoals van Van Gogh. Vanaf 1907 veranderde dat. Zijn belangstelling voor theosofie leidde een zoektocht in naar de verbeelding van een hogere, spirituele levensessentie. Minder tijd en beweging, meer versterkte kleuren. Hij zei;

“Wat als eerste veranderde in mijn schilderijen was de kleur. Ik zag af van natuurlijke kleuren ten gunste van zuivere kleuren. Ik was tot het inzicht gekomen dat kleuren uit de natuur niet op doek zijn te reproduceren. Instinctief voelde ik dat het schilderen een nieuwe weg moest vinden om de schoonheid van de natuur tot uitdrukking te brengen.”

Mondriaan kwam onder invloed van het ‘luminisme’, een techniek waarmee de verf in korte streken wordt aangebracht in heldere, veelal ongemengde kleuren. Mondriaan maakte een eerste reis naar Parijs en kwam in aanraking met het ‘kubisme’ en met de werken van Picasso, die hij bewonderde. Hij ging meer in die stijl werken en ondervond er kritiek op, onder meer van Willem Steenhoff, onderdirecteur van het Rijksmuseum;

“Zelfs Mondriaan, die op een onzalig oogenblik zich aan het dogma van het Cubisme onderwierp, heeft in een duinlandschap op een volkomen onverantwoorde wijze de methode toegepast, te goeder trouw meenend, dat de stompzinnige regelmatigheid van als langs een lineaal stijf en languit getrokken lijnen, de suggestie zou geven van een strenge rust en ruimte. De ongemotiveerdheid van ’n paar rechtzijdige vlakken, als tapijtjes, bij den voorgrond, versterken slechts de zinledigheid van het geheel.”

Gelukkig ging Mondriaan door. Hij vertrok voor een tweede keer naar Parijs en zijn werk werd steeds abstracter. Fascinerend om te zien dat in een volledig abstract werk als Schilderij No.II / Compositie No.XV in de vijf kruizen bovenin toch iets te herkennen is uit de ‘gewone wereld’. Ze komen overeen met het uitzicht uit zijn atelier op de seinbrug (goed kijken) van Gare Montparnasse, die ook dergelijke kruisen heeft. Als om aan te geven dat zijn werk nog steeds wortelt in alledaagse werkelijkheid.

Daarmee is dit een vrij uitgebreide recensie geworden maar ik kon niet anders. Ik heb veel bijgeleerd, vind het erg fascinerend en ik ga zeker de tentoonstelling in het Van Gogh Museum nog bezoeken.

Eerder verschenen op Quis leget haec?