Donderdag, 15 maart, 2018

Geschreven door: Keuning, Ralph
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Neo Rauch - Dromos

Surrealistische heimwee naar het oude Duitsland

[Recensie] Voor Neo Rauch (Leipzig, 1960) begon zijn kunstenaarschap pas echt met een droom in 1993. Niet dat de toen 33 jarige kunstenaar nog geen interessante werken maakte, maar pas na deze droom wist hij in welke richting hij zijn kunstenaarschap moest sturen. De droom wordt uitgebreid beschreven in een interview dat Ralf Keuning, de directeur van museum de Fundatie uit Zwolle, een jaar geleden met Rauch had, als voorbereiding op de grote overzichtstentoonstelling Dromos waarmee de Fundatie dit voorjaar uitpakt. Het interview staat in de catalogus bij de tentoonstelling: Neo Rauch – Dromos, schilderijen 1993-2017.

In de jaren tachtig en negentig maakte Rauch, opgegroeid en opgeleid onder het communistische DRR regime, nog duidelijk industriële, modernistische kunst waar de sporen van het sociaal realisme in doorsijpelen. Rauch levert veel schilderijen af met afbeeldingen vol met technische constructies: fabrieken, vliegvelden, loodsen, silo’s, vaak afgebeeld in steden of op industrieterreinen. Zelfs een levensgrote passer (Echo 1994) beeldt hij af om de maakbaarheid van de wereld te benadrukken. De mensen op Rauch’s schilderijen lijken modelburgers: goed getraind, gespierd, sterk, meestal geüniformeerd. Bij de vroege Rauch arbeidt, ontwerpt en herschikt de mens de natuur naar zijn ideeën; modernisme in optima forma.

Over het kunstenaarschap tijdens het DDR-regime zegt Rauch: “Ik probeer in elk geval een soort hygiëne te handhaven, omdat ik aan een kant natuurlijk de hete adem van het DDR-verleden in mijn nek voel met zijn uitgesproken verwachtingen dat toenmalige kunstenaars vlaggen zouden tonen, een houding zouden laten zien. […] Er werd verwacht dat kunst een wapen zou zijn in de stormen van onze tijd.” En over het modernisme merkt Rauch op: “Ja, het [modernisme] is eigenlijk mensonterend, het reduceert de mens tot een doorstroompartikel, tot een economisch functioneel element.”

Na de val de muur in 1989 werd Oost-Duitsland een provincie van West-Duitsland en breekt ook voor Rauch een nieuw tijdperk aan, een van absolute artistieke vrijheid. Toch duurt het nog ruim een decennia voordat hij zijn definitieve richting weet te bepalen en hij het roer radicaal omgooit. In de tweede helft van de jaren negentig verandert zijn werk diepgaand. De harde lijnen worden verlaten, de technocratie verlaat zijn doeken. Er verschijnen afbeeldingen van mensen en dieren in allerlei gedaanten en vormen. Ook vreemde wezens, dieren met mensenhoofden, mensen met lamphanden, levensgrote kevers, bevolken nu zijn doeken. In het begin van zijn ommezwaai zijn het vaak veel te grote mannen met te kleine hoofden, later kloppen de verhoudingen beter. De uniformen zijn gebleven, maar Rauch kleedt zijn mensen nu in uniformen uit voorbije tijden: de napoleontische tijd, en de tijd kort daarna, wat ze in Duitsland de Biedermeiertijd noemen, waar de romantiek een plaats had. De industrieterreinen zijn verlaten en maken plaats voor taferelen van het Duitse platteland: boerderijen en dorpjes, uit dezelfde negentiende eeuw. De omgeving is liefelijk, maar de handelingen op de schilderijen zijn verre van dat. Niet dat er gruwelijkheden plaatsvinden, het is eerder de suggestie van gruwelijkheden, het zou zomaar uit de hand kunnen lopen. De afbeeldingen op de schilderijen roepen veel vragen op. Op Nach der Schicht (2011) wassen een aantal mensen de voeten van anderen, links bevindt zich een diepe mijnschacht. Op Hüter der Nacht (2014) ligt een man te slapen, een trommelaar staat aan hoofdeinde van het bed, en naast het bed staat een vrouw met handen en armen in de vorm van enorme vleesetende planten. De happende handen reiken uit naar de slapende man. Een veger in uniform kijkt toe.

Bazarow

De mensen op Rauch’s doeken zijn vaak lelijk en mismaakt, ze lijken niet te weten wat te doen, ze kijken elkaar aan of staren in de verte, er is geen vreugde, alles straalt een groot gemis van zingeving uit, het lijkt of ze elkaar elke minuut te lijf kunnen gaan. Er gaat hierdoor een grote dreiging uit van de schilderijen van Neo Rauch. De bijzondere taferelen doen denken aan de figuratieve werken van de surrealisten, met name aan Salvador Dali die zijn wanen en dromen vertaalde in absurde verwrongen beelden van mensen, dieren en de natuur. De stijl is totaal anders, maar de thematiek komt verrassend overeen. Een gevoel van leegte overheerst. En net als Dali neemt Rauch zijn dromen uiterst serieus. “Ze zijn voor hem een reusachtig reservoir aan beeldsituaties,” merkt de Duitse kunstjournalist Ulf Küster in de catalogus op. In de bewuste droom uit 1993 zag Rauch op het moment dat hij in een min of meer benarde situatie zat (hij moest plassen, maar er was geen toilet voorhanden) een enorm muur die “compleet was bedekt met een enorme zwarte gietijzeren tondo [een rond schilderij/red.]” met daarop de afbeelding van een swastika. Voor Rauch vormt het een ommekeer, hij ervaart het als een bovenzinnelijke ervaring. “Het centrum van mijn lichaam had zich zichtbaar gemaakt, leidde me naar die ruimte […] en dan naar het eigenlijke centrum. Zo interpreteer ik dat voor mezelf; en als je weet wat ik voordien maakte, aan welke schilderkunstige aandrang ik min of meer onbeholpen probeerde te voldoen, dan kun je de droom alleen maar als richtinggevend signaal interpreteren dat me werd toegezonden. Als wegwijzer… En als een tot de orde roepen vanuit het onderbewustzijn.” Tondo’s, zoals bijvoorbeeld uit de renaissance zijn een toonbeeld van figuratieve kunst. Voor Rauch was de tondo in zijn droom een teken om voortaan volledig figuratieve kunst te maken.

Rauch’s schilderijen willen begrijpen heeft geen zin. Elk mens heeft zijn eigen dromen, via dromen maak je contact met je eigen onderbewustzijn en die particulariteit maakt dat ze voor een ander haast niet te snappen zijn. Rauch gebruikt de zijne in zijn schilderijen. Het zijn verborgen verhalen die nu een keer wel getoond worden. Bij Rauch zijn dat verhalen over voorbije tijden, waar het niet zozeer beter is dan in het modernistische en communistische DDR, maar waar in ieder geval Rauch het gevoel van krijgt dat het hem vrijheid geeft: “Volgens mij is kunst iets dat zich niet laat dwingen. Ik kan zelfs niet beweren dat ik weet wat kunst is. Ik kan niet zeggen: dat wat ik maak, is kunst. Maar het is een bovenzinnelijke beschikking. Het is iets dat door ons heen gaat. Je wordt door de mantel van het lot beroerd en je hebt contact met een sfeer die zich zo veel mogelijk aan een rationele greep onttrekt.”

“De verhalen van Neo Rauch over de geheime biografieën van de ‘randgebieden’ zullen onze gids zijn,” merkt kunsthistoricus Klaus Werner in de catalogus op. Een gids weg van het modernisme.

De catalogus is goed verzorgd, mooi vormgegeven. De schilderijen komen goed tot hun recht. Het idee om teksten op de binnenflappen van het boek te plaatsen is mooi gevonden, maar je moet het wel weten. Het merendeel van de teksten zijn geschreven door Duitse Rauch-kenners, hier en daar zit er in de teksten enige herhaling. Ook had wel even aangegeven kunnen worden wat de functie van de auteurs zijn, maar dat zijn kleinigheden. Meestal koop je na een museumbezoek de catalogus als de tentoonstelling je bevalt. Bij die van Rauch is het raadzaam om vooraf de teksten te lezen die in de catalogus verzameld zijn. Het maakt dat je de tentoonstelling van deze bijzondere en raadselachtige kunstenaar intensiever kunt beschouwen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

De tentoonstelling Dromos Neo Rauch is nog te zien tot en met 3 juni, De Fundatie, Zwolle