Vrijdag, 13 januari, 2017

Geschreven door: Cremer, Jan
Artikel door: Mosselman, Leon

Odyssee. Fernweh

Hij Jan Cremer (sr.)

[Recensie] Beeldend kunstenaar en schrijver Jan Cremer (1940) schreef in 1964 een wereldberoemde debuutroman, Ik Jan Cremer, die brave burgers furieus maakte. Zo werd zijn ouderlijk huis in brand gestoken en regende het (doods)bedreigingen. Ik Jan Cremer 3 uit 2008, een hoogst vermakelijke avonturenroman, bewees eens temeer dat Cremers talent veel meer omvat dan het vermogen om te schokken.

Ook het onvolprezen, ruim 1500 pagina’s tellende De Hunnen uit de jaren ‘80 deed dat al. Deze Hollandse Oorlog en Vrede staat boordevol treffende beelden. Sla het maar eens ergens open, en je treft meteen een paar compleet originele anekdotes aan. Dit sterk autobiografische boek had me al nieuwsgierig gemaakt naar Cremers ouders, dus toen onlangs Fernweh verscheen, handelend over Cremers familieachtergrond, wilde ik dit graag lezen.

Odyssee. Fernweh is een hoogstpersoonlijke zoektocht van Cremer naar de onbekende kant van de mensen uit wie hij is voortgekomen. Uiteraard laat hij deze mensen ook zien tegen hun eigen achtergrond en, schrijver ben je of niet, hiermee brengt Cremer andere tijden en plaatsen tot leven, wat dit boek juist weer bovenpersoonlijk maakt. Cremer senior wordt overtuigend gepresenteerd als een boeiende en veelzijdige man, waarbij het feit dat het Cremers vader was gaandeweg bijzaak wordt. Zodra Jans moeder met haar nachtmerrieachtige leven aan bod komt, overheerst al evenzeer de indruk dat haar verhaal het waard is om verteld en gelezen te worden. Dit bewijst het vakmanschap van de auteur. Al vind ik wel dat alles nog eens opnieuw geordend had kunnen worden, wat juist bij Cremers korte-stukjes stijl niet al te moeilijk lijkt. Nu worden draden vaak in de steek gelaten later weer opgepakt, met overlap en gebrek aan chronologie tot gevolg – de indruk van een spontane vertelling heeft ook z’n charme, maar toch.

Bazarow

Textielfabrikanten

Het eerste deel van het boek behandelt Cremer senior. Vanuit een diepgaande fascinatie voor waterkracht en stroom ontwikkelde hij zich tot een steeds kundiger elektrisch installateur. Hij opende een zaak voor ‘aansluitingen aan het licht- of krachtnet’, alleen hing er vaak een bordje ‘wegens wereldreis gesloten’ aan de deur. In een tijd waarin reizen eigenlijk alleen voor de elite was weggelegd, wist hij indrukwekkende toeren te maken:

“Behalve wereldsteden als Barcelona, Madrid, Parijs en Berlijn hebben ook de rust en stilte van de overweldigende berglandschappen in bijvoorbeeld Zwitserland duidelijk grote aantrekkingskracht op Cremer. (…) Hij zoekt dan de volstrekte eenzaamheid op en besteedt op dat soort reizen al zijn tijd aan het fotograferen van bergpassen, dorpen, bergtoppen, watervallen, bruggen. Slechts gewapend met camera en notitieboekjes, een rugzak en wandelstok gaat hij alleen op pad en blijft zo een maand weg. (…) Weer terug in Enschede werden zijn foto’s in de etalage van zijn zaak tentoongesteld, afgedrukt bij zijn reisverhalen die hij schreef voor lokale kranten. Hij gaf lezingen met lichtbeelden van zijn foto’s, bij volksuniversiteiten, op hogere scholen, in zaaltjes achter cafés, in fabriekskantines, in de lokale kunstenaarsclub – De Twentsche Kunstkring (…) en bij textielfabrikanten thuis. Onder meer bij de Blijdensteins. Beroemd voorval: tijdens zo’n avond waagden Blijdenstein en diens procuratiehouder erdoorheen te praten waarop Cremer hen en plein public terechtwees en dreigde op te stappen als zij hun mond niet hielden.”

Niet alleen zijn reizen, maar ook zijn werk combineerde Cremer senior met allerlei amoureuze avonturen, helemaal in de stijl van junior:

“Zo komt het dat hij wordt aangenomen voor de aanleg van elektriciteit in het eerste particuliere huis in Nederland dat van gasverlichting naar stroom overgaat. Kasteel Twickel in het Twentse Delden. Tijdens zijn werk daar krijgt hij algauw een verhouding met de kasteelvrouwe, ‘Die Mieschen,’ de barones van Twickel, officieel Marie van Heeckeren van Wassenaar, geboren gravin Marie Amelie Mechtild Agnes van Aldenburg  Bentinck. Daar wordt in Enschede besmuikt lacherig over gedaan maar ook schande van gesproken. De barones ging al langer bij de achterdochtige en schuchtere boerenbevolking over de tong als een losbandige vrouw die zich niet aan de adellijke conventies hield en er maar op los leefde. De openlijke affaire met Cremer blijkt zo innig dat niets de barones ervan weerhoudt om hem regelmatig in Enschede op te zoeken. Ze maken wandelingen door het Volkspark, lopen gearmd door de stad om te gaan lunchen in Hotel de Graaff, het trefpunt van de elite en beter gesitueerden in de fabrieksstad.”

Boedapest

Dat klinkt nog erg onschuldig, zelfs sprookjesachtig, maar naarmate Cremer ouder wordt, worden de vrouwen die zijn interesse hebben jonger en er volgen heel wat afgekapte velovingen en gebroken harten. Dieptepunt in dat opzicht vormt de Hongaarse Rózsa Szomorkay Csordás, de moeder van Cremer junior, die in het dan volgende gedeelte van het boek aan bod komt. Zij is eind jaren ’30 een piepjonge schoonheid wier leventje in Boedapest zich net begint te ontplooien als een charmante Hollandse heer van tegen de zestig haar langdurig het hof maakt. Ze heeft eerst geen enkele interesse maar laat zich opeens toch meelokken naar het land van melk en honing – ze vlucht van haar goed gesitueerde familie weg en zal er afschuwelijk veel spijt van hebben, de rest van haar leven. Cremer sr. is al snel afwezig en daarna overleden, en ze zal het hem nooit vergeven (beiden niet). Haar leven is veranderd in een overlevingsstrijd in een haar totaal vreemd land. Ze wordt tijdens en na de Tweede Wereldoorlog op talloze manieren vernederd, al vecht ze terug:

“Noodgedwongen nam ze bij de naderende hongerwinter een baantje aan bij een boer in het Aamsveen, aan de Knalhuttenweg, vlak aan de Duitse grens. Als huishoudster intern tegen eten en onderdak. Een gierige stinkende boer waar ik bang voor was, die ’s avonds het vlees en het vet meenam en onder zijn bed bewaarde. De boer was zeer karig met het uitdelen van eten. Tot het mijn moeder te gortig werd en zij met een oude uitgehongerde knecht de slaapkamerdeur van de boer intrapte. Zo driftig was ze dat ze de boer makkelijk had kunnen vermoorden. Dat had alsnog gekund, want toen we weer in Enschede waren, kwam boer Pelle vragen of ze alstublieft weer terug wilde komen, zó’n goedkope huishoudster had hij nog nooit gehad, dit keer zou hij haar zelfs betalen. Toen de boer maar aan de deur bleef zeuren en smeken en niet wegging, pakte ze de zware smidshamer die onder het bed lag, en sloeg de boer daarmee waarschijnlijk een gebroken schouder en bovenarm. Zó hard dat de steel brak. De boer droop af, deed geen aangifte, anders had ze in de gevangenis gezeten en zat ik in het weeshuis.”

Verder wordt zoal haar huis ingepikt door een huurder, en zien de heldhaftige Binnenlandse Strijdkrachten haar voor een landverraadster aan omdat ze weleens eten heeft gehaald in de gaarkeuken van de Duitsers. Deze episodes van een eenzame, jonge buitenlandse moeder tijdens en na de oorlog zijn zeer de moeite waard en ontkrachten het altijd te romantische beeld wat mensen hebben van die tijd.

Rózsa ziet zich uiteindelijk gedwongen haar zoontje af te staan. Dat zoontje, Jan Cremer dus, moet onvoorstelbaar goed hebben geregistreerd en waargenomen. Fenomenaal goed, want voor de beschreven situaties heeft een kind nog helemaal geen woorden. Om daar als volwassene alsnog de juiste context en woorden te vinden is een prestatie waar ik veel bewondering voor heb.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles