Donderdag, 5 november, 2009

Geschreven door: Haasse, Hella S.
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Oeroeg

De intieme vreemdheid van taal

Veroudert literatuur? Nee, is je eerste reflex, natuurlijk niet. Wat is er verouderd aan een thema als vriendschap over de grenzen van culturen, hoeveel kernachtiger en tijdlozer kan het Nederlands zijn van een eerste zin als ‘Oeroeg was mijn vriend’? Toch zijn er genoeg klassiekers waarvan de vertaling uit die tijd vervangen werd door een nieuwe, en werd de vorige Nederland leest-titel, Twee vrouwen, ook als versimpelde Leeslicht-editie uitgegeven. Is de taal van Hella Haasses debuut uit 1948 verouderd?

In 1954 verscheen de vertaling van André Pols van Giovanni Verga’s meesterwerk Mastro-don Gesualdo. De beginzin daarvan is: ‘Er werd voor de vroegmis geluid in San Giovanni, maar het stadje sliep nog heel vast, want het regende al sedert drie dagen en op de akkers zakten de mensen tot aan de knieën in de modder.’ Dat gebruik van ‘stadje’ voor paese getuigt van weinig kennis van het stadje in kwestie, Vizzini, en het verkleinwoord in combinatie met dit gebruik van het bijwoord ‘heel’ maakt het nogal kneuterig. ‘Sedert’ geeft vervolgens de ouderdom van de tekst helemaal weg (meer over de nieuwe vertaling hier, en hier).

In 1955 verscheen Nini Brunts vertaling van Franz Kafka’s Betrachtung, een bundel korte verhalen, waaronder het ultrakorte, prachtige ‘Wens, Indiaan te worden’:

‘Als je toch eens een indiaan was, meteen op je hoede, en je op je hollende paard, scheef in de lucht, altijd weer kort trilde boven de trillende aarde, tot je de sporen vergat, want er waren geen sporen, tot je de teugels wegsmeet, want er waren geen teugels, en je het land voor je als gladgemaaide heide nauwelijks zag, al zonder paardennek en paardenhoofd.’

Boekenkrant

Het zal toch niet de bedoeling zijn dat we ons in gezelschap van Arendsoog lijken te bevinden, ‘op je hoede’, ‘op je hollende paard’? Willem van Toorns nieuwe vertaling, ‘altijd alert’ en ‘op je galopperende paard’, is zakelijker, directer, moderner (lees ook dit gesprek met hem).

In 1948, zeven jaar eerder, verscheen Oeroeg. Nee, het is niet eerlijk vertalingen af te zetten tegen originele teksten, zeker niet vertalingen van oudere teksten (respectievelijk 1889 en 1913) . Maar dit is wel het Nederlands dat mensen nog lazen ná Haasses debuut. En dan is het contrast met die beginzinnen van Oeroeg groot. Die zijn helder. ‘Als ik terugdenk aan mijn kindertijd en mijn jongensjaren, verschijnt onder uitzondering het beeld van Oeroeg in mij,’ vervolgt Haasses verteller.

‘In mij’ is eigenaardig, maar versterkt het beeld van het zichtbaar krassen van een verborgen voorstelling, en het benadrukt de identificatie die de jongensvriendschap van begin af aan in zich heeft. En vervolgens ‘als was mijn herinnering gelijk aan een van die toverplaatjes die we vroeger plachten te kopen, drie voor een dubbeltje’ – ik denk dat we daar tegenwoordig ‘alsof’ zouden gebruiken – en men pleegt tegenwoordig weinig meer. Maar storend is het niet.

Heeft die ijzersterke beginzin, en de soepele constructie ons dan al toegeeflijker gemaakt voor verouderde constructies? ‘Oeroeg was mijn vriend’ combineert in maar vier woorden de positie van de verteller, het verlies en het thema, de vriendschap, met die vreemde naam. Deze eerste zin maakt nieuwsgierig. Dan volgt het beeld van de toverplaatjes, dat niets weggeeft van de tragedie, maar wel van de aard van deze verbintenis: ‘Zó komt ook Oeroeg tot me terug, wanneer ik me verdiep in het verleden.’ En dan tweemaal opsommend waar ze samen waren, wat ze samen deden – Oeroeg en ik, Oeroeg en ik, Oeroeg en ik. Het einde van de eerste alinea haalt de lezer definitief over om door te lezen:

‘Misschien prikkelt mij zijn onherroepelijk, onbegrijpelijk anderszijn, dat geheim van geest en bloed, dat voor kind en knaap nog geen problemen opwierp, maar dat nu des te kwellender schijnt.’

Hoe had Oeroeg anno 2009 anders geschreven kunnen zijn? Met ‘lijkt’ in plaats van ‘schijnt’, en ‘knaap’ was gesneuveld, niet zozeer omdat het ouderwets is, maar omdat alliteraties zelfs in gebeeldhouwde, bijna aforistische zinnen als deze niet sober genoeg zijn naar de smaak van uitgevers van nu. Maar kneuterig is het niet, ouderwets evenmin, het is geen W.G. van der Hulst of Johannes Nowee, je hoeft je niet in te zetten om door te lezen.

En had Oeroeg simpeler geschreven kunnen zijn? Ongetwijfeld. De reeks Leeslicht, een initiatief van stichting Lezen & Schrijven en Uitgeverij Eenvoudig Communiceren, richt zich op de 1,5 miljoen laaggeletterden die ons land kent. De bewerkers snoeien in zinsstructuur en moeilijke woorden tot er korte, simpele zinnen staan, zo ongeveer als de eerste zin van Oeroeg. De bewerkster van Twee vrouwen kwam bij Radio Nederland Wereldomroep aan het woord, en haar behandeling van de eerste alinea’s van Mulisch’ boek is illustratief: ‘Ik zit de hele avond in mijn werkkamer. Met een fles wijn. Plotseling ben ik doodmoe.’ Ongetwijfeld waren ook de constructies van Haasses zinnen na de eerste sterk vereenvoudigd, en waren woorden als ‘entourage’, maar vooral ‘sawapaden’ en ‘mandoer’, dan gesneuveld.

Ik geloof niet dat de stijl van Oeroeg verouderd is, maar wat mij ‘knaap’ doet accepteren, maakt ook ‘mandoer’ vanzelfsprekend; het is een welwillendheid die opgewekt wordt door juist die complexere structurering van de tekst en – toegegeven – die leeslichte beginzin. Het is die welwillendheid die noodzakelijk is om dit boek, om alle literatuur te kunnen lezen. Want het is de vreemdheid van die woorden, niet van een andere tijd maar van een andere cultuur, die juist essentieel is voor deze geschiedenis. Misschien is dat de reden dat Haasse haar toestemming tot een Leeslicht-bewerking niet heeft gegeven: al vanaf de eerste keer dat de naam Oeroeg valt, begint een proces van identificatie en analyse, van intimiteit en afstand nemen, dat eenvoudigweg niet te versimpelen is, of te moderniseren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *