Zondag, 6 december, 2020

Geschreven door: Hermsen, Joke J.
Artikel door: Aghina, Bas

Ogenblik & Eeuwigheid

Meer tijd voor de kunst

[Recensie] Wat is tijd en hoe gaan we ermee om? Een vraag die ons al eeuwenlang bezighoudt. Tijd kennen wij vooral in twee gedaanten. De eerste, de meetbare tijd, gepersonifieerd door de Griekse god Chronos, gesymboliseerd door de klok, is onbarmhartig extern en dwingend, maar laat zich ook gebruiken bij het plannen en volgen van onze werkzaamheden. De tweede, de ons overkomende, beleefde tijd, de durée om met Henri Bergson te spreken, is de tijd van indrukken. Het moment dat een eeuwigheid lijkt te duren, het jaar dat voorbijvliegt. Een tijd die ook iets heiligs heeft, het juiste moment om iets te doen of beseffen, gepersonifieerd in Kairos, een zoon van Chronos.

Ziehier het speelveld waarbinnen Joke Hermsen zich beweegt in haar nieuwste bundels essays Ogenblik & Eeuwigheid. Meer tijd voor de kunst. Tijd, een terugkerend thema in haar werk, verkent de filosofe en schrijfster nu vooral in de esthetische ervaring, bij het maken en ondergaan van kunst, literatuur, filosofie en iets mindere mate muziek. Voor het eerst zijn 12 essays – vaak eerder gepubliceerd in tentoonstellingscatalogi of bewerkingen – samengebracht onder één noemer. De optocht van kunstenaars, schrijvers en filosofen is indrukwekkend en soms zeer verfrissend: kunstenaars zoals Marlene Dumas, Sean Scully, Mark Rothko en Paula Modersohn-Becker (de “ferne Geliebte” van dichter Rainer Maria Rilke), maar ook Nederlandse talenten zoals George Meertens en Sandra Derks, schrijvers en denkers zoals Eduard Jabès, Thomas Mann, Virginia Woolf, Arendt, Heidegger worden in het gesprek betrokken. Doel is de menselijke tijd te onderzoeken in de vorm van vertragingen, versnellingen, wachten, opnieuw beginnen, overslaan of inhalen van tijd in de schepping en beleving van kunst. “Kunst, zo zou je het ook kunnen formuleren, is een noodzakelijke bewaker van het wankele evenwicht tussen de wetten van de klok en de economie enerzijds en de verbeeldingskracht en het (wel)zijn van mensen anderzijds, ” aldus Hermsen.

Een tweede, op het eerste gezicht verrassend thema, is het pleidooi voor meer tijd voor de kunsten en het belang van kunst voor de democratie. Vooral in het essay over Hannah Arendt behandelt Hermsen de relatie tussen kunst en politiek. Beide zijn onderdeel van onze polis, onze gemeenschappelijkheid. Kunst is een soort opvoeden tot uitstellen van oordelen en ruimer begrip van “wij” of niet eens “wij” als wel “jij, ik of hij/zij”, waardoor we allen betere – want tolerantere – burgers worden, omdat wij eerst luisteren en ons inleven voor wij een (politieke) positie bepalen. Kunst, aldus Hermsen, geeft een “woning” voor de mensen in dit leven en mogelijkheden tot pluriformiteit en pluraliteit die in deze samenleving voor democratie zo belangrijk zijn. Daarom verdient kunst onze bescherming, want haar veelstemmigheid is belangrijk voor onze democratie. Het esthetische en het ethische, het schone en het goede, hangen meer met elkaar samen dan op het eerste gezicht gedacht, zo blijkt maar weer.

Als Hermsen persoonlijk wordt, is zij vaak op haar best. Bijvoorbeeld over het proces van het maken van een boek of een tentoonstelling en hoe Kairos, het juiste moment, daarin een rol speelt. Of over het experiment van het beginnen van een dagboek van het wachten, een noteren van de ervaringen van wachten om te zien hoe de tijd verstrijkt en kleurt. Dan doen stijl en aanpak soms denken aan Descartes’ Meditaties of Montaignes Essays: de essays brengen schrijver, lezer en onderwerp dichterbij elkaar. Een mooi voorbeeld hiervan is het filosofische reisverslag waar Hermsen de plekken opzocht waar de Ierse schilder Sean Scully zijn inspiratie had gevonden: “Daar liep de meester van het hedendaags abstract expressionisme zelf voor mij uit. Dit kon natuurlijk niet waar zijn. Tenzij je onderweg bent naar het ‘heilige’ eiland Patmos, en toeval nu eenmaal Gods manier is om anoniem te blijven’, zoals Einstein ooit beweerde.” En zo zijn er meer goede voorbeelden. Regelmatig raakt Hermsen aan existentiële vragen, zoals in haar droogronden van Virginia Woolfs Mrs Dalloway: “Voor wie gaapt er geen afgrond tussen de uren waarin we op onszelf zijn teruggeworpen, en de tijd die we in de openbaarheid doorbrengen? Wie wordt er niet regelmatig overvallen door de gedachte dat er iets aan ons ontbreekt als we onderweg van het ene naar het andere domein zijn?” Of over de Franse schrijver Jabès: “Geen boek zal ooit de verovering van de waarheid zijn, maar hooguit een minimaal oprekken van het zegbare en een bescheiden verruiming van de vraag: wie ben ik?”. “Ogenblik & eeuwigheid. Meer tijd voor de kunst” is een essaybundel, kortom, die vanuit onze omgang met de tijd via een rijk palet aan kunstervaringen en -beschouwingen de diepte ingaat. Een boek dat ook door de illustraties zeker een plaatsje op de leeslijst van studenten filosofie of kunst verdient, maar dat net zo goed door de serieuze belangstellende kan worden gelezen als vertrekpunt voor de eigen verkenning van de esthetica van ogenblik en eeuwigheid. En is het zijn van een vertrekpunt, een steeds opnieuw beginnen, misschien de juiste functie van filosofie nu onze extern-gerichte kloktijd door thuisisolatie langzaam oplost? Het spel van, in en met de tijd, door de kunsten en de zintuigen heen, moeten wij beter leren spelen. Een spel dat zich in en tussen ons verdiept en er zo ook de waarde van laat zien. Op zoek naar die oervraag wie wij nu helemaal zijn en hoe we het beste kunnen samenleven. En hier kun je, als ik Hermsen goed begrijp, niet snel genoeg mee beginnen.

Geschiedenis Magazine

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles