Zondag, 7 mei, 2006

Geschreven door: Daem, Geertrui
Artikel door: Winter, Karlijn de

Olympia

Santé, op de saucissenfabriek

Grote familieromans bestaan er in de wereldliteratuur bij de vleet. Denk maar eens aan Anna Karenina, de burgeroorlogromans van William Faulkner, Junichuro Tanizaki’s subtiele Stille sneeuwval of de Caïro-trilogie van de Nobelprijswinnaar Nagieb Mahfoez: elk van deze saga’s werpt aan de hand van de wederwaardigheden in een tekenend geslacht licht op bepaalde historische ontwikkelingen in een specifieke cultuur. Maar je hebt ook familieverhalen die in al hun gezinsdramatiek volledig naar de zoetsappige kant doorslaan, en in het hokje van de Bouquetreekstitels belanden.

Dat Geertrui Daems Olympia in geen geval tot de laatste categorie behoort staat sowieso buiten kijf. De door haar geschapen familie – afkomstig uit het Vlaamse gat Steenakkergem en eigenaar van een authentieke paardenworstfabriek – bestaat uit figuren die allemaal blijk geven van een eigenzinnige persoonlijkheid.

Het opmerkelijkste personage onder hen is wel Olympia, een beeldschoon meisje, hoewel eigenlijk nog gewoon een kind. Een normaal kind kun je haar echter niet noemen. De familieleden spreken achter haar rug om over haar bizarre gedrag: ze is stil en in zichzelf gekeerd, zelfs als haar wat gevraagd wordt lijkt ze onbereikbaar. En bovendien heeft ze geen manieren. En toch zit er aan Olympia’s hersenpan geen enkel steekje los. Op haast drammerige wijze kan ze namelijk bijvoorbeeld de lessen van de juffrouw zo uit haar hoofd nadreunen – dan komt er blijkbaar toch ineens een onstuitbare woordenstroom uit haar los. Olympia is een onnavolgbaar vreemd meisje, maar juist daarom is het zo bewonderenswaardig hoe Daem haar met zo’n grote levendigheid en precisie heeft weten te schilderen.

Het werkwoord ‘schilderen’ staat hier overigens niet zonder reden, want Daem is van alle (kunst)markten thuis. Hoewel ze nu al ruim een decennium aan haar schrijverscarrière werkt, houdt ze zich ook bezig met acteren en beeldende kunst. Ze werd geboren in 1952, en daarom is het niet zo verwonderlijk dat de jonge generatie in deze nieuwe roman juist de welvaartsomwentelingen beleeft die ook zij in haar jeugd heeft meegemaakt.

Bazarow

Voorspoed en vooruitgang kenmerken deze naoorlogse jaren, en het fabrieksleven profiteert daar uiteraard van mee. Alhoewel, zo vanzelfsprekend is dat positieve gevoel niet. Want in feite betekent het groeiende consumentisme ook schaalvergrotingen, verhogingen van de productiequota en meer bemoeizieke overheidsregelgevingen, wat het traditionele karakter van de vleeswarenindustrie onderuit haalt. De thematiek doet wat dit betreft sterk denken aan Chris de Stoops Vuurwerkmeester en andere Vlaamse zogenaamde ‘sociale romans’, waarvan de meester Louis Paul Boon hier natuurlijk niet ongenoemd mag blijven.

Wat Daem nog meer met Boon gemeen heeft, is het exotische tintje dat aan haar tekst kleeft doordat ze het heeft doorspekt met levensechte Vlaamse spreektaal. ‘Allez’, het ‘schone volk’, de ‘ge’s’ en ‘gij’s’, wagens en uiteraard de ‘saucissen’ zijn niet van de baan; er wordt geregeld ‘gezeverd’, ‘gezaagd’ en ‘gekuist’. Die typische uitdrukkingen van onze zuiderburen weten Hollanders altijd te charmeren. Maar het laat zien dat Vlamingen als Daem nog steeds een groot belang kunnen hechten aan het klankenspel van de streekdialecten – wat in contrast staat met de opvattingen van jongere schrijvers als Peter Verhelst of Stefan Brijs van wie je aan hun stijl je nauwelijks kunt aflezen dat ze uit Vlaanderen komen.

Maar behalve dat Olympia serieuze kwesties naar boven brengt over maatschappelijke wendingen en taalnostalgie, is het ook een doldwaze opeenstapeling van onverhoede gebeurtenissen. In eerste instantie blijft het wel vrij rustig, maar in de loop van de roman verliezen ouders hun kind, wordt er naar de hoeren gelopen en komen er sporen van nog andersoortige schandalen bloot te liggen.

Lijkt het op de samenvatting van een een of andere soapaflevering van gisteravond? Nee, zeker niet, want van clichés heeft Daem geen kaas gegeten en bovendien komen haar personages met al hun individuele trekjes scherp en helder uit de verf. De ineengedoken houding waarin Olympia bijvoorbeeld aan tafel zit, is zo tekenend dat hij altijd voor je geestesoog verschijnt zodra je aan haar denkt. Daarnaast is dit vlotlopende plot simpelweg prettig en fijn verteerbaar leesvoer.

Ja, je in het genre van Tolstoj of Thomas Mann met zijn Buddenbrooks storten is geen sinecure. Maar toch heeft Daem de duik genomen, en omdat ze geen wedloop met hen aangaat maar aan het familieverhaal een eigen fraaie draai met schwung heeft gegeven, blijft ze uitstekend boven water.