Dinsdag, 18 september, 2018

Geschreven door: Lowyck, Joost
Artikel door: Wald, Alfred

Onderwijskunde. Een kennisbasis voor professionals

Het perspectief van de leraar

[Recensie] De ‘ultieme’ leraar is iemand die veel weet, practicus is, een evenwichtige persoonlijkheid heeft en een reeks specifieke, op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde vaardigheden beheerst. Oeps. Gelukkig zijn er vele ‘ideale’ leraren, die het nodige te danken hebben aan de onderwijskunde.

Zestien Nederlandse en Vlaamse hoogleraren geven in Onderwijskunde. Een kennisbasis voor professionals een breed beeld van hetgeen de onderwijswetenschappen in het begin van de 21ste eeuw aan inzichten te bieden hebben. Het boek richt zich op studenten en afgestudeerden in de onderwijswetenschappen, en op leraren en aanstaande onderwijsgevenden. Bij de opbouw van het boek is, volgens de redacteuren Verloop en Lowyck, consequent geredeneerd vanuit het perspectief van de leraar en anderen die de leeromgeving mee helpen inrichten. Het boek kent drie hoofdmoten, opgedeeld in negen hoofdstukken. Centraal staat – ook letterlijk – hoofdstuk 5 De leraar. Daaraan voorafgaand worden omgevingsfactoren belicht waar de leraar niet of nauwelijks invloed op kan uitoefenen: de maatschappij, de overheid, de school en de leerlingen. De laatste vier hoofdstukken gaan over zaken die de leraar wel naar zijn hand kan zetten of kan inzetten: leerprocessen, ontwerpen van leeromgevingen, informatie- en communicatietechnologie, en evaluatie en assessment. Een handig trefwoordenregister vormt het sluitstuk van het boek.

Wisselwerking

In het hoofdstuk over de leraar benadrukt auteur Nico Verloop dat de professionaliteit van de leraar niet alleen bestaat uit via onderzoek en theorievorming ontwikkelde kennis. De aandacht moet evenzogoed uitgaan naar de expertise die de leraar door ervaring heeft verworven. Die wisselwerking tussen onderzoek en praktijk loopt dan ook als een rode draad door het boek. Verloop gaat vooral in op hoe het geheel van kennis, inzichten, overwegingen en dergelijke, dat docenten in hun hoofd hebben als ze lesgeven en hun werk voorbereiden, boven tafel is te krijgen. Vervolgthema is de vraag hoe het verwerven van een dergelijke kennisbasis tot stand komt, ofwel: hoe leren leraren? Het leren van leerlingen wordt beschreven door Geert ten Dam en Jan Vermunt. Aan bod komen onder meer cognitieve, affectieve en regulatieve leerstrategieën, leermotieven, opvattingen van leerlingen over leren en kennis, en sociale competentie. Aan dat laatste aspect hechten Ten Dam en Vermunt grote waarde: “Onderwijs moet uiteindelijk leerlingen voorbereiden op het adequaat participeren in de samenleving, en daarbij hoort ook aandacht voor hun sociale ontwikkeling.” Het onderwijs draait om leerlingen, want “naarmate we meer weten over verschillen tussen leerlingen en de invloed daarvan op leerprocessen en leerresultaten, zijn we beter in staat er rekening mee te houden”.

Archeologie Magazine

Inspiratie

Aan de hand van praktische voorbeelden voor verschillende vakken en verschillende instructievormen behandelen Joost Lowyck en Jan Terwel het ontwerpen van leeromgevingen. Hier dreigt de lezer om te komen in een veelheid aan theorieën, modellen en voorbeelden. Er komt dan ook heel wat kijken bij het beantwoorden van de ogenschijnlijk simpele vraag: “hoe kan ervoor worden gezorgd dat aan leerlingen met uiteenlopende achtergronden en persoonlijke kenmerken tegemoet wordt gekomen?” De auteurs zijn zich dat terdege bewust en zien hun bijdrage als het aanreiken van handvatten voor ontwerpers, en niet als vaststaande receptuur. En dan is er voldoende inspiratie op te doen. Hetzelfde geldt voor het hoofdstuk over ict in het onderwijs, geschreven door Ton de Jong, Gellof Kanselaar en Joost Lowyck. Een veelheid aan informatie en mogelijkheden wordt uiteindelijk handzaam omgebogen tot beantwoording van de centrale vraag: hoe kan ict de primaire processen van leren en onderwijzen ondersteunen? Het driemanschap beschrijft de computer als instructiemiddel, als instrument, als informatiebron, als simulatie en als communicatiemedium. Ook schetsen ze beelden van twee recente ontwikkelingen die op het leren en onderwijzen van invloed zullen zijn – en dat soms al voorzichtig zijn: virtuele realiteit en zogenoemde leer- of praktijkgemeenschappen. Effectiviteit is het sleutelbegrip in Bert Creemers en Peter Sleegers’ hoofdstuk over de school als organisatie. Zij constateren dat schooleffectiviteitsonderzoek inzicht geeft in ‘wat werkt’ in het onderwijs en ‘waarom’, maar nog niet hoe het onderwijs kan worden verbeterd. Daarvoor is een link met schoolverbeteringsprocessen noodzakelijk. Een veelomvattende term, met toch weer de leraar als middelpunt. Zonder betrokkenheid van de leraar en zonder professionalisering lijkt echte schoolverbetering niet mogelijk. Dat sluit mooi aan bij de zienswijze van de redacteuren van het boek. “Naar ons oordeel zal de rol van de docent ook de komende jaren in vrijwel alle onderwijsleersituaties cruciaal zijn, ofwel in directe interactie met de leerlingen, ofwel door de wijze waarop hij of zij de leeromgeving inricht en voorbereidt en waardoor het leren van de leerling wordt uitgelokt.”

Eerder verschenen in Didactief