Zondag, 15 december, 2019

Geschreven door: Tempelman, Gerko
Artikel door: Kerkwijk, Marthe

Ongeneeslijk religieus

God is maar niet dood te krijgen

[Recensie] Niet vaak kom je een boek tegen dat zo toegankelijk is als jeugdliteratuur en tegelijk vragen stelt die zo moeilijk zijn dat menig professor in de wijsbegeerte er hersenpijn van krijgt. Ongeneeslijk religieus van Gerko Tempelman is zo’n boek. Tempelman kiest in dit boek voor een radicaal andere vorm, taal en toon dan de boeken die we doorgaans bespreken in iFilosofie. Hij schreef dit boek namelijk niet alleen voor de gereformeerde mensen in zijn geboortedorp. De doelgroep is net zozeer de seculiere stadse intellectueel die met enige mate van dedain dat gereformeerde geloof beschouwt als een artefact uit vervlogen tijden. Ik hoop vurig dat beide groepen dit boek lezen, want zoveel is zeker: wie dit leest, geneest van zijn zelfingenomenheid.

Het boek begint een beetje ongewoon. Zo leest de inhoudsopgave als een inleiding. Dat komt omdat Tempelman elk hoofdstuk een volzin als titel heeft gegeven. Die titels achter elkaar vormen dan de inleiding. Die vijf hoofdstukken in elk van de vijf delen corresponderen weer met de structuur: ‘me’-‘we’-‘idea’-‘you’-‘we’, die Tempelman kort en bondig uitlegt. Wat een aanstellerij, schrijf toch gewoon een boek man! Dat was mijn eerste gedachte. Maar daar ben ik inmiddels op teruggekomen, want het is effectief en steekt logisch in elkaar. Ik vraag me nu af waarom we voortaan niet allemaal op die manier onze inhoudsopgaven schrijven. Misschien komt dat ook door Tempelmans essayistische manier van schrijven, alsof hij je aan de hand meeneemt langs zijn eigen gedachtegangen. Die stijl deed me denken aan de stijl van een goede podcastserie, waarbij een journalist een misdaadmysterie probeert op te lossen en bij elke stap vertelt wat hij denkt en doet.

Tempelmans mysterie

Het mysterie dat Tempelman wil oplossen is geen misdaad, maar wel net zo intrigerend: waar is zijn geloof in God gebleven? Tot zijn achttiende was het er nog. Toen maakte hij deel uit van een hechte gereformeerde gemeente, met wie hij zijn geloof in God deelde. Toen hij klaar was met de gereformeerde middelbare school, ging hij studeren. Theologie. Maar in Kampen, of in Amsterdam? Iedereen in zijn omgeving zei ‘Kampen!’ maar Tempelman ging naar Amsterdam. Dat vonden zijn geloofsgenoten riskant: “Als je naar Amsterdam gaat, zul je je geloof verliezen.”. Tempelman dacht dat zijn geloof sterk genoeg was om de (intellectuele) verleidingen van Amsterdam het hoofd te bieden, maar ziedaar: binnen een jaar ging de jonge student van volledig geloof naar volledige twijfel. Ondanks verwoede pogingen zijn geloof in God te herwinnen, is hij sindsdien een twijfelaar gebleven. Als je hem nu vraagt ‘Wat geloof je eigenlijk?’ antwoordt hij ‘Dat weet ik niet.’.

C2W

Ontwaken uit dogmatische sluimer?

Mensen die na een religieuze opvoeding van hun geloof kukelen, ontmoet je vaak genoeg. Vaak duiden deze mensen dit als een volwassenwording. Een ontwikkeling van het ‘naïeve’ of ‘veilige’ geloof naar het ‘rationele’ of ‘realistische’ ongeloof. Tempelman zet in de eerste helft van zijn boek vraagtekens bij deze duiding en doet dat overtuigend.

Ten eerste stelt hij de vraag of de ontwikkeling van geloof naar ongeloof in alle gevallen een ontwaken uit dogmatische sluimer betekent. Er bestaat ongetwijfeld naïef of dogmatisch geloof in God. Maar bestaat er niet net zo goed naïef en dogmatisch ongeloof? Een treffend voorbeeld is dat van een vrouw wier dochter zich na enige overweging aansluit bij een gereformeerde kerk. Hoe kan haar dochter dat toch doen, zich aansluiten bij een achterhaald geloof? Daar kan de vrouw met haar gedachten niet bij. Ze heeft haar dochter opgevoed met het idee dat je kritisch na moet denken, en nu dit! Maar de dochter heeft juist veel kritischer nagedacht dan haar moeder. Na kritisch nadenken over haar eigen ideeën bekeert de dochter zich tot het christendom, terwijl haar moeder haar ideeën over kritisch denken altijd voor vanzelfsprekend heeft gehouden. Tempelman voegt nog meer voorbeelden toe waaruit blijkt dat we vaak zelf niet goed weten wat we geloven, en dat ons gedrag vaak niet strookt met wat we denken te geloven. Dat lijkt een open deur, tot Tempelman je uitnodigt er zelf doorheen te gaan.

Ten tweede vraagt Tempelman zich af of het eigenlijk wel mogelijk is om geloof, ofwel ideologie, te ontwijken. Het is waar dat een dogmatisch geloof in God een hoop ellende kan opleveren, maar hoe zit dat met een dogmatische verering van bijvoorbeeld geld? Of macht? Het neo-liberalisme lijkt een alomtegenwoordige godsdienst geworden, betoogt Tempelman, met geld als de nieuwe God. Vrijwel iedereen handelt alsof geld de allerhoogste waarde is, zelfs die mensen die bij hoog en bij laag beweren dat ze niet vinden dat geld de allerhoogste waarde is.

Ten derde is het maar de vraag of door de ontwikkeling van geloof naar twijfel of ongeloof God daadwerkelijk minder belangrijk wordt in het leven van iemand die zo’n ontwikkeling doormaakt. De ontwikkeling van rotsvast geloof naar twijfel, en bij sommigen zelfs naar ongeloof, betekent namelijk iets heel anders dan onverschilligheid. Richard Dawkins gelooft heel erg niet in God, maar hij schrijft daar boeken over, dus is hij tegelijkertijd enorm intensief met God bezig. Dat waartegen je je afzet, is precies daarom een belangrijk onderdeel van je bestaan.

Radicale theologie tegen helleangst

Tot zover is het boek erg prikkelend voor een seculiere, wetenschappelijk gevormde stedeling als ik. De tweede helft van het boek lijkt echter eerder gericht tot Tempelmans dorpsgenoten uit gereformeerde kringen. In dit deel van het boek doet radicale theologie haar intrede. Radicale theologie is een verzamelnaam voor – veelal postmodernistische – theologische stromingen die Nietzsche’s dood van God serieus nemen en zelfs omarmen. Nu ben ik een beetje bekend met radicaal-theologisch onderzoek, en ik kan je vertellen dat radicale theologie het pispaaltje is onder filosofen en systematisch-theologen. Dit bleek toen filosoof Maarten Boudry het in 2012 voor elkaar kreeg om bij twee theologische conferenties een paper geaccepteerd te krijgen dat bestond uit betekenisloze zinnen, verkregen door een postmodernism generator, een programmaatje dat postmodernistisch klinkende maar betekenisloze tekst uitspuwt. Postmodernistische theologie heeft het imago incoherente, maar vooral onbegrijpelijke teksten op te leveren en weinig kwaliteitsstandaarden te hanteren, mogelijk omdat het postmodernisme in principe elke kwaliteitsstandaard in twijfel trekt.

Welnu, tegen de achtergrond van dit stereotype beeld van radicale theologie is de verdienste van Tempelman des te meer dat hij de lezer gedurende zijn uitleg over radicale theologie geboeid weet te houden. Daarmee toont hij aan: radicale theologie is niet vrijblijvend, maar sluit aan bij bepaalde sleutelervaringen van de twijfelende gelovige en kan een oplossing betekenen voor de helleangst die, volgens Tempelman, ten grondslag ligt aan starre vormen van geloof. Hij doet dit met grote gevoeligheid voor de beweegredenen van zijn doelgroep, die hij goed kent omdat dat ook zijn eigen beweegredenen waren. Met behulp van heldere gedachte-experimenten toont hij aan: het is niet erg om te twijfelen aan het bestaan van God, want juist in het diepst van je twijfel ben je het dichtst bij God. Van alle ideologieën is juist het christendom bij uitstek de leer van de fundamentele twijfel. Zelfs Jezus, die zelf God was, twijfelde: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” Met dit argument kan ik me goed voorstellen dat hij de vrouw die hem waarschuwde dat hij zijn geloof zou verliezen als hij naar Amsterdam zou gaan, geruststelt.

Twijfelarij

Dat brengt mij precies bij enkele punten waarop ik Tempelmans betoog verlaat. Radicale theologie heeft mogelijk veel zeggingskracht voor mensen die, net als Tempelman, ongeneeslijk religieus zijn. Dat wil zeggen, mensen die niet om de vraag ‘of God bestaat of niet’ heen kunnen. Mensen die, om wat voor reden dan ook, zich tot die vraag moeten verhouden. Maar niet iedereen heeft zo’n godvormig gat in z’n bestaan. Die mensen zullen mogelijk na de eerste helft van het boek afhaken.

Fundamenteler is de gangbare kritiek op het postmodernisme, die ook hier van toepassing is. Wat postmodernisten nog weleens vergeten, is dat verheerlijking van de twijfel en ideologiekritiek zelf maar al te snel een geheel eigen nieuwe ideologie worden. Met de God van de twijfel aan het hoofd. Net als de religieuze asceet onttrekt de pomo zich met zijn permanente twijfelarij aan de wereld. Maar onze mensenlevens spelen zich nu juist af in de wereld. Twijfel is voor elk deugdelijk onderzoek belangrijk, begrijp me niet verkeerd, maar het kan geen intrinsieke waarde hebben. Sterker nog, wie in twijfel blijft hangen verlamt daarmee elk waarachtig onderzoek. Wie een substantiële ideologie in twijfel trekt, heeft ook de ver- antwoordelijkheid naar de wereld om met een betere suggestie te komen. Misschien is hij die twijfelt het dichtst bij God, maar dat is voor de seculiere lezer nu juist het probleem. Hoe dichter bij God, des te verder verwijderd van de wereld.

Ook al ben ik uiteindelijk niet overtuigd door Tempelmans radicale theologie, Ongeneeslijk religieus is zeker het lezen waard. Op respectvolle, gevoelige, en ook kritische en diepgravende manier neemt hij de lezer mee op een boeiende tocht door de gedachten van een telg uit de vrijgemaakte gereformeerde gemeenschap, met alle existentiële en maatschappelijke vragen en twijfels die daaruit voortvloeien. Het is dicht op de huid geschreven en ongelooflijk toegankelijk, met prikkelende voorbeelden, anekdotes en gedachte-experimenten. Een meer dan geslaagde oefening in wederzijds begrip.

Eerder verschenen in iFilosofie