Maandag, 29 september, 2014

Geschreven door: Theunissen, Jeroen
Artikel door: Gaal, Monique van

Onschuld

Verstrikt in een te groots verhaal

De actualiteit lijkt Jeroen Theunissen in te halen. In zijn nieuwste roman Onschuld laat hij de Belgische oorlogsfotograaf Manuel Horst aan het woord, die heeft weten te ontsnappen na een maandenlange ontvoering door jihadisten in Syrië. Een gruwelijke ervaring. Toch blijkt al gauw dat Theunissens protagonist een heel ander ei kwijt wil. ‘De herinnering valt me zwaar, niet zozeer de herinnering aan de ontvoering, als wel aan wat later gebeurde.’

Manuel was een ongelukje, er zat een gat in het condoom, en zijn vader – de bekende psychiater Paul Horst – heeft eigenlijk nooit naar hem om willen kijken. Om deze afwezigheid, deze afstandelijkheid, is Manuel zijn vader gaan haten en hebben zij jarenlang nauwelijks nog contact met elkaar gehad. Een televisiereportage die Manuel na zijn ontsnapping in Beiroet onder ogen krijgt, wekt zijn woede op. Hierin meldt zijn doodzieke vader dat hij in Syrië wanhopig naar zijn zoon zoekt. Waarom juist nu, vraagt hij zich af. ‘Ik heb hem nooit als vader gewenst.’

Korte tijd later  hoort Manuel van zijn dood. Hij viel van een bergflank in de Pyreneeën, waar hij op zoek was gegaan naar zijn oude geliefde Judith, die hij dertig jaar eerder in penibele toestand achterliet. Later in het boek komt ook hun beider verhaal uitgebreid aan bod. Het is aan haar dat Manuel zijn geschiedenis vertelt, ‘Pas hier, Judith, begint in feite mijn verhaal’.

Onschuld

In Beiroet ontmoet hij Nada, een Syrische vluchtelinge. ‘De onschuld zelve.’ Hij kijkt haar in de ogen en… is verkocht. I will help you, zegt hij vrijwel direct tegen haar, nog voor hij ook maar enige notie heeft van wie zij is. Manuel besluit voor haar te zorgen en neemt haar mee naar België. Wanneer hij – eenmaal terug in België – erachter komt dat zij zwanger is, toont hij meteen de bereidheid om tevens de zorg voor haar kind op zich te nemen. Nada leren wij verder nauwelijks kennen, maar Manuels dwingende gedrag ten opzichte van haar des te meer.

Boekenkrant

Samen met Nada en haar zoontje Basil gaat Manuel een jaar later in het herenhuis wonen dat hij van zijn vader erfde, alwaar een hele stapel dagboeken op hem wacht. Hij leert zijn vader van een heel andere kant kennen, en ontdekt en passant dat ook het weinige dat hij van Nada weet, niet helemaal blijkt te kloppen.

Te groots

In Onschuld wil Theunissen ons een veelomvattend, veel te groots verhaal vertellen. Manuel zegt het zelf: ‘Ik hoop maar dat je het me niet kwalijk neemt dat ik vele verhalen door elkaar vertel.’ Maar die verontschuldigingen kunnen niet voorkomen dat Onschuld een slordige indruk maakt wat opbouw en consistentie betreft. Het wordt allemaal nog verwarrender wanneer de schrijver Manuel net iets te veel omhanden geeft, en het daardoor lijkt alsof deze een soort superman is die op twee plaatsen tegelijk kan zijn.

Veel zinnen waarvan de relevantie de lezer ontgaat (‘Af en toe kocht ik iets in Bread Republic.’) of nepfilosofietjes (‘Ik voelde – maar wat betekent “ik voelde”? – dat ik het moest doen, dat ik moest, maar wat betekent “ik moest”?’) en eindeloze routebeschrijvingen (‘Bij het roze flatgebouw […] ging ik links, ik passeerde de bloemenwinkels en sloeg bij de pizzeria rechts af. […] Voorbij de Audi Bank ging ik links.’), maken het er niet beter op.

Een alwetende ik

De keuze voor een ik-persoon lijkt de schrijver zwaar te vallen. Theunissen wil veel meer vertellen dan hij mogelijkerwijs via zijn protagonist kwijt kan. Door gebruik te maken van tussenvoegsels als ‘stel ik me voor’ of ‘Tenminste, ik hoop het’, probeert hij van Manuel toch die alwetende verteller te maken die hem eigenlijk veel beter uit komt. Tot aan de droge mond van zijn vader toe. Dat stoort, want Manuels woorden worden er niet geloofwaardiger van, zeker niet als Manuel ook nog eens Judiths kant van de geschiedenis de zijne maakt:

‘”Kijk,” zei je tegen hem, bijvoorbeeld tijdens jullie tocht naar de waterval, “kijk naar die vale gier daar, naar zijn vlucht, naar de machtige cirkels die hij beschrijft terwijl hij zich door de luchtstromen laat dragen, naar de reikwijdte van zijn vleugels, tweeënhalve meter.” Mijn vader knikte, eigenaardig ontroerd door je verwonderde blik.’

Dan denk je, nee, dit klopt niet. Welke verteller is hier nu aan het woord?

Manuel wordt met de bladzijde meelijwekkender, gewelddadiger. De zwaarmoedige buien van Nada, een jonge getraumatiseerde vrouw in een vreemd land, interpreteert hij als ondankbaarheid jegens hem. ‘Deed ik het niet allemaal voor haar?’, ‘Had ik haar niet gered?’ Op den duur kun je het niet meer opbrengen met hem mee te leven.

 ‘Ik ben ontzettend naïef geweest. Ik heb haar haast blindelings vertrouwd. De vraag echter is: was het door mijn liefde, of omdat ik in wezen niet echt geïnteresseerd was in haar? Het klopt dat we weinig echt diepgaande gesprekken hebben gevoerd. […] Ik raasde door mijn dagen en beschouwde Nada als vanzelfsprekend.’

Ondanks de breedsprakigheid waarbij een eigen perceptie de lezer wordt ontnomen, wist Onschuld mij bij vlagen toch te boeien. Ik was werkelijk benieuwd naar Nada’s ware achtergrond. En wat was de ware aard van Paul? Waarop was de relatie tussen hem en Judith destijds stukgelopen? Door de veelheid aan verhalen ontstaat er bij de lezer tevens een veelheid aan vragen. Die antwoorden komen er ook wel, een voor een. Maar het is precies dat, wat het boek rigoureus de das om doet. Onschuld blijkt een waar labyrint te zijn, waarin de lezer gemakkelijk verstrikt raakt.