Maandag, 2 september, 2019

Geschreven door: Goldschmidt, Tijs
Artikel door: Groot Crego, Clara

Onvoldoende Liefdesbrieven

Over het denkvermogen van de tapuit en andere belangrijke zaken

[Recensie] “Mij verbaast het altijd weer dat mensen zo graag uniek willen zijn. Wat is het belang daarvan? Wat winnen ze erbij? Het zal wel weer macht zijn, waaraan ze, in een moeite door, rechten ontlenen.” Met deze korte beschouwing eindigt Tijs Goldschmidt een van zijn 208 brieven uit zijn bundel Onvoldoende Liefdesbrieven. Daarna schakelt hij onmiddellijk weer over naar het alledaagse: “Hopelijk tot snel. Laat vooral weten als je zin hebt in koffie of een wandeling met een half-joodse rollator.”

Zo gaat het met de meeste brieven of e-mails die Goldschmidt tussen 1989 en 2018 schreef: onder de originele of diepgravende observaties ligt in feite een praktisch doel. In de ene brief vraagt hij naar boeken die belangrijk zijn voor een nieuw essay dat hij wil schrijven, in andere geeft hij zijn mening over andermans tentoonstelling, film of boek. Afspraken maken, projectvoorstellen aannemen – maar vaker afslaan -, een verloren pakje opsporen, op iemands poes of hond tijdens de vakantie passen – zelfs routebeschrijvingen staan erin.

Receptie-effect

Maar tussen de zinnen over doodgewone zaken maakt Goldschmidt telkens weer plaats voor korte, bijna verstrooide gedachten over van alles en nog wat dat hem boeit, alsof hij tijdens het brievenschrijven voortdurend in dagdromen verzeilt. In de ene brief verbaast hij zich over het denkvermogen van de tapuit, een vogelsoort waarvan hij in de Serengeti een vrouwtje haar partner zag waarschuwen voor een slang die in hun hol was geslopen en voor beide vogels niet meer zichtbaar was. “Ik had er eerlijk gezegd nooit bij stilgestaan dat zoiets letterlijk denkbaar is in zo’n klein kopje,” schrijft Goldschmidt vol verwondering. In een andere brief stelt hij zich een imaginair gedragsexperiment voor om het ‘receptie-effect’ te toetsen: een zelfverzonnen term waarmee hij op het gevoel duidt dat mensen elkaar op recepties vaker aanraken naarmate het in de zaal luider wordt.

Kookboeken Nieuws

Victoriameer

Juist dankzij deze losse gedachtestroom blijft Goldschmidts correspondentie boeiend. De voormalige gedragsbioloog verwierf in 1994 bekendheid met Darwins Hofvijver, het relaas over zijn onderzoeksjaren aan het Victoriameer. In een enkel boek wist Goldschmidt zowel een doordringend en geestig dagboek van zijn ervaringen in een vreemd land te schrijven, als de evolutieleer op toegankelijke en boeiende wijze te introduceren én uitvoerige kritiek te leveren op ondoordachte maatregelen waardoor overal oeroude en unieke ecosystemen ten val komen. Later ontwikkelde Goldschmidt zich tot essayist en schreef over erg uiteenlopende onderwerpen die ook regelmatig in deze brieven opdoemen: de rol van het spelen bij dieren en de mens, links- en rechtshandigheid, iconoclasme, de Asmat – een volk uit Papoea-Nieuw-Guinea – en hoe dicht natuur en cultuur tegen elkaar staan. Zijn recentere essaybundels Kloten van de Engel (2007) en Vis in bad (2014) zijn het resultaat van dit constante vragenstellen en nadenken waarmee Goldschmidt voortdurend aftast naar de (misschien niet-bestaande) grens tussen natuur en cultuur, mens en dier.

Schizofrenie

Alhoewel hij in 1996 afstand deed van het biologisch onderzoek blijft Goldschmidt met de blik van een evolutionaire gedragsbioloog naar de wereld kijken en probeert hij op die manier de vragen die zijn correspondent of hijzelf stelt te beantwoorden. In een interview op de VPRO-radio uit 2010 legt hij uit waarom de kijk van een evolutiebioloog zo verrijkend is: met een heel simpele theorie kan men niet enkel natuurlijke maar ook andere fenomenen zoals religie, muziek of tradities verklaren of beter begrijpen. Zo verkent hij in zijn brieven het gevoel van schaamte en hoe dat mogelijk heeft kunnen ontstaan. Zou het met seksuele selectie te maken kunnen hebben? Ook vraagt hij zich af of schizofrenie intrinsiek aan taal verbonden is en daarom door de generaties heen steeds weer opnieuw blijft opduiken, alhoewel het een nadelige invloed op het voortplantingsvermogen van de drager heeft. Of cultuur op gelijkaardige wijze evolueert als natuur.

Bergen-Belsen

Aanvankelijk duurt het even voordat je een duidelijk beeld krijgt van de auteur van deze honderden, onderling niet samenhangende brieven. Dit komt voornamelijk doordat er een context ontbreekt waarin de lezer de brieven, die aan tientallen verschillende vrienden en collega’s gericht zijn, kan plaatsen. Daarenboven wordt enkel Goldschmidts zijde van wat vaak doorgaande gesprekken zijn getoond. Het is dus de taak van de lezer zich de antwoorden en de context voor te stellen, maar de inspanning loont zich. Goldschmidt komt na elke brief steeds beter in zicht. Langzaam maar zeker worden bepaalde belangrijke elementen uit zijn leven duidelijk, zoals het grimmige verleden van zijn joodse vader, die nauwelijks Bergen-Belsen overleefde, dat een belangrijke en moeilijke rol speelde in Goldschmidts kindertijd. Vrienden komen en gaan, sombere en vrolijke periodes volgen elkaar op. Op den duur raak je als lezer vertrouwd met Goldschmidts soms wat sombere, maar ook vaak erg geestige toon. Je ervaart een volledig leven aan de hand van zijn brieven en voor dat je het beseft voel je je aan hun auteur gehecht.

Eidereenden

De combinatie van intimiteit, humor en een tomeloze liefde voor en nieuwsgierigheid naar de wereld is wat de 208 brieven van Tijs Goldschmidt samenbundelt en de lezer blijft aanmoedigen tot het doorlezen van deze op het eerste gezicht alledaagse correspondentie. Na de wat moeilijkere start werkt dit recept zo goed dat het bij het eindigen van het boek bijna teleurstellend is dat er niet méér brieven zijn. In die zijn lijken er inderdaad ‘onvoldoende’ te zijn: graag zou je nog veel meer interessante, geestige of merkwaardige beschouwingen willen lezen, zoals deze over eidereenden die Goldschmidt terloops noteert: “Wat mooi Vlieland. Heb je eidereenden gezien? Nadert een vreemde het nest, vos of mens, dan heb je de kans dat een broedende eend het nest verlaat en, terwijl hij doet alsof hij een gebroken vleugel heeft, de indringer meelokt van het nest. Zouden ze begrijpen wat ze doen? Of zijn het rigide genetische programma’s die ervoor zorgen dat een oudervogel zoiets doet? Ik zou het wel eens willen zien, maar is eidereend pesten wel ethisch verantwoord? Vermoedelijk niet.”

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles