Vrijdag, 10 juli, 2020

Geschreven door: Verhulst, Dimitri
Artikel door: Voskamp, Nico

Onze verslaggever in de leegte

Groots naar de afgrond

[Recensie] Een ongebruikelijk boek van onze meest choquerende, tevens snelste schrijver uit Vlaanderen sinds Herman Brusselmans. Succesvolste vergaten we nog, gezien het aantal prijzen dat hij won en de meer dan 20 talen waarin zijn werk vertaald wordt. Hoezo een ongebruikelijk boek?

Omdat het nietsontziend eerlijk is. Volgens de flaptekst komt dit epistel voort uit een dagboek dat Dimitri Verhulst een aantal jaar geleden begon “om te schrijven waarover hij niet praten kon.” Hij registreerde zijn eigen snelweg richting vernietiging door zijn nogal tamelijk ongezonde levensstijl te laten zien. Hij is angstig, op de vlucht, maar voor wat?

Laat het gerust aan Verhulst over om zelfs een dagboek bol van ellende stijlvol vol te pennen. Het eerste gekke aspect van die ellende trouwens is dat de persoon die het ondergaat het helemaal niet zo voelt. Hij haalt nachten door, drinkt een paar flessen rode wijn, dan gin, snuift een poedertje hier en daar en topt dat af met nog een paar glazen champagne, tussendoor kettingrokend. Het is alsof de wilde zestiger jaren-rock ’n roll-tijden herleven: men keek toen ook niet op een traytje drank en wat spuitjes drugs meer of minder. Het grote verschil is dat we nu beter weten.

Beter weten doet Verhulst natuurlijk ook, maar er zijn opvallend weinig spijtige gevoelens te bespeuren als hij weer eens doorrookt en afgetankt op een willekeurige matras neerdondert. Er is eerder sprake van een morbide soort trots:

Wordt Vervolgd

“Het enige dat nog uit mijn mond kwam was schuim.
Er waren vier flessen rode wijn en twee en een halve gram poeder in mijn lijf gegaan.
Gecombineerd met pijnstillers voor m’n hernia.
Keurig. Een kampioensmaaltijd.
Lijnen, zo dik als oranje naaktslakken, ze zijn niet lekkerder te krijgen.
Alsof ik gehaast was om kapot te gaan.
Om vijf uur ’s ochtends ben ik op een feestje in Gentbrugge beland, want kennelijk wordt daar ook gefeest, geen god die weet waarom. Daar heb ik nog een bol xtc gesnoept. Gekregen van een chemicale broeder.
Ongeduldig als altijd, en teleurgesteld in de efficiëntie van die drug, heb ik een kwartier later al een tweede bol geslikt.
Spoedig daarna kwam al dat schuim. Een bellenbad, die bek van mij.
Ik lag in foetushouding op de achterbank van de taxi. Mijn licht ging uit, ik doofde uit, en het kon me geen hol verdommen.
Aangekomen op mijn adres moest ik van de chauffeur niet betalen. Het enige wat hij zei was:
‘Maak dat je als de bliksem uit mijn auto bent. Ik heb liever dat je op straat sterft dan op mijn achterbank.’
Mij maakte het niet uit waar ik stierf, en ik heb braaf zijn orders opgevolgd.”

Groots en meeslepend naar de afgrond, Charles Bukowski en Jeroen Brouwers worden niet voor niets als voorbeelden geblurrd. De vraag die blijft, nee die gedurende het boek steeds sterker wordt is: waarom? Why the fak die zelfvernietigingsdrang? De man heeft een formidabel schrijftalent, een jaloersmakende productie, geen gebrek aan inspiratie en inmiddels een breed lezerspubliek. Zijn schoorsteen rookt Ă©n hij krijgt erkenning. Waar zit de catch? Dat, beste mensen, laat deze veelschrijver pas zien op bladzijde 152 (van de 165). Het is even doorlezen, maar dan hebt u ook een dagboek rauw als een verse wond.

Ook verschenen op Nico’s recensies