Woensdag, 6 november, 2019

Geschreven door: Mulisch, Harry
Artikel door: Heumakers, Arnold

Opspraak

Verslagen van de twintigste eeuw

[Essay] Het meest omstreden deel van zijn oeuvre schreef Harry Mulisch in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Het bestaat niet uit romans, maar uit boeken die hij zelf placht te rangschikken onder de noemer “Studies, Tijdsgeschiedenis, Autobiografie”. Nu zouden we spreken van non-fictie. Vooral zijn boek over Cuba, Het woord bij de daad (1968), en het supplement daarop, Over de affaire Padilla (1971), kunnen bij sommigen nog altijd spontaan een aanval van brandend maagzuur veroorzaken.

Beide titels zijn herdrukt onder de goed gekozen verzameltiteltitel Opspraak, samen met nog enkele boeken uit die jaren: De zaak 40/61 (1962), Mulisch’ rapportage over het proces Eichmann, Bericht aan de rattenkoning (1966), zijn bijdrage aan de kleine Amsterdamse ‘culturele revolutie’, Het seksuele bolwerk (1973), over de bizarre, socialistische psycholoog Wilhelm Reich, en De toekomst van gisteren (1972), over een roman over een wereld waarin Hitler de oorlog gewonnen had, die zich niet wilde laten schrijven. “Verslagen van de twintigste eeuw”, luidt de ondertitel.

De speciale ergernis over beide Cuba-boeken doet vermoeden dat Mulisch hier volledig uit de bocht is gevlogen. Menigeen zal onmiddellijk bereid zijn dat te beamen. Daarom is het goed dat ook de andere boeken zijn opgenomen, want die verschaffen de context waarin Mulisch’ geestdrift voor Cuba thuishoort.

Tegenwoordig is het niet ongewoon om met weerzin op de sixties terug te zien. Toen werd de ‘Linkse Kerk’ in de steigers gezet, waartegen nieuw-rechts nu te hoop loopt. Het was de tijd waarin Nederland razendsnel veranderde van een hardwerkende, godvrezende natie in een ludieke speeltuin, waar iedereen druk in de weer was zijn eigen creatieve ik te ontdekken, terwijl alles wat zich daartegen verzette als een vermolmd ‘regentendom’ naar de vuilnisbelt van de geschiedenis werd verwezen.

Wandelmagazine

Maar het was ook de tijd waarin de literatuur tot in de voorste maatschappelijke linies aanwezig was, door ‘iedereen’ gelezen en becommentarieerd. Tegenwoordig moet er gepleit worden voor engagement, in de hoop zo het literaire isolement te voorkomen. Destijds was dat engagement een vanzelfsprekendheid, zowel pro als contra de ‘culturele revolutie’. Wie de tijdgeest van weleer in geconcentreerde vorm wil opsnuiven, raad ik aan Mulisch’ twistgesprek met W.F. Hermans uit 1969 te herlezen. Het stond oorspronkelijk in de Haagse Post, maar de auteurs vonden het kennelijk zo geslaagd dat het in hun beider interviewbundels (respectievelijk De mythische formule en Scheppend nihilisme) is herdrukt.

Het is de optimist tegen de pessimist, de verdediger van de ‘rechtvaardigheid’ tegen de vijand van alle revolutionaire ‘verspilling’. Mulisch verklaart zich bereid desgewenst een “strijdlied” te schrijven; Hermans zegt niet te weten waarvoor hij zou moeten strijden. Toch geeft hij toe ook “een soort missie” te hebben, en wel om te herinneren aan de menselijke beperkingen die de wereldverbeteraars gewoonlijk uit het oog verliezen. Mulisch’ missie in deze jaren lijkt zonneklaar: hij kwam op voor Cuba, via een naar eigen zeggen “bewust eenzijdig” boek, teneinde het Nederlandse stilzwijgen over Castro’s revolutie te doorbreken. Verder was hij solidair met de Vietnamese strijd tegen het Amerikaanse ‘imperialisme’ en daarvóór met Provo.

Het heeft niet veel zin zoveel jaar na dato nog gedetailleerd op alle standpunten in te gaan. Dat schept ruimte om te bezien waar Mulisch’ engagement vandaan kwam. Want in de jaren vijftig was er nog niet veel van te merken. In De toekomst van gisteren schrijft hij wel over de communistische moeder van zijn toenmalige vriendin, die hem de betekenis van ‘radicaliteit’ zou hebben bijgebracht. Maar zelf werd hij pas veel later radicaal, ook al begon hij lang daarvóór aan een (nooit voltooid) boek met als titel De noodzaak van radicaliteit. Het keerpunt kwam in 1961, met het proces-Eichmann, dat hij versloeg voor Elseviers Weekblad.

In alle in Opspraak gebundelde titels brengt Mulisch behalve de kwestie die hij bespreekt ook zichzelf in het geding – precies zoals dat sindsdien gebruikelijk is in de ‘literaire non-fictie’. Nergens gebeurt het met meer urgentie dan in De zaak 40/61, een van zijn beste boeken. Over Eichmann schrijft Mulisch dat hij tot de weinigen behoort die hem `veranderd’ hebben.

Eichmann had hem genezen “van vrijblijvende verontwaardiging bijvoorbeeld, maar ook van veel zorgeloosheid.” En hij heeft hem “een zekere waakzaamheid” bijgebracht. “Ik zie zowel hem, mijzelf als de anderen in een feller licht,” schrijft Mulisch. Maar “de contouren [zijn] daarin onscherper zijn geworden.” Het valt niet mee Eichmann (in wie Mulisch geen typische fascist wil zien, niet eens een overtuigde antisemiet) te onderscheiden van een normale ambtenaar. Of van degene die ons in de spiegel aanstaart.

De urgentie zit hierin dat Eichmann hem ervan doordringt dat de mens geen vaste morele basis heeft, maar dat de omstandigheden van hem ‘alles’ kunnen maken, zowel in het positieve als het negatieve. Eichmann was een massamoordenaar geworden. Mulisch schildert hem af als de “kleinste mens”. Als compensatie heeft Eichmann de techniek, of liever: de techniek heeft hem, want Eichmann wordt ook vergeleken met een “machine” – “het ideaal der psychotechniek”. De kennismaking brengt Mulisch in een soort morele paniek, die pas weer verdwijnt als hij op Cuba een andere mogelijkheid van de mens leert kennen.

In De zaak 40/61 lijkt Cuba nog ver weg. Toch wordt het eiland één keer genoemd, als Mulisch de aangename, sobere atmosfeer in het centrum van Jeruzalem vergelijkt met een communisme zonder vergiftigende ‘druk’ – en het vermoeden uitspreekt dat deze atmosfeer die hem zo bevalt nu “alleen nog in Cuba te vinden” zal zijn. Opmerkelijk is de vergelijking met het communisme in dit verband. Wanneer Mulisch over communisme schrijft is dat bijna altijd in positieve zin, ook al betoont hij zich geen fan van Stalin of van de meeste communistische partijen. De belangrijkste reden lijkt te zijn dat het communisme voor hem de ‘hoofdvijand’ is van het fascisme. Dát vertegenwoordigt het ultieme kwaad, dus het kan haast niet anders of de tegenpool ervan is van huis uit goed.

In Mulisch’ politieke wereld worden de tegenstellingen nooit bijzonder complex voorgesteld. “Het politieke probleem in de wereld is doodsimpel,” luidt de eerste zin van Bericht aan de rattenkoning. In deze opzichtige zwart-wit visie is het niet zo verwonderlijk dat Cuba in Het woord bij de daad het aanschijn krijgt van een aards paradijs, ook al moet Mulisch daar in Over de affaire Padilla iets van terugnemen, wanneer blijkt dat het paradijs zijn kritische dichters in de gevangenis opsluit. Maar toch, als we Mulisch mogen geloven staat er een genie aan het hoofd, zijn zelfs in het leger de meisjes mooi, en hebben ze er de beste monteurs van de wereld. En de “nieuwe integrale mens” die op Cuba is opgestaan belichaamt de volmaakte anti- Eichmann.

Mulisch begint zijn lofzang met de bekentenis: “Cuba heeft mijn leven gebeterd, dat zeven jaar geleden in Jeruzalem was verslechterd.” Ziedaar het persoonlijke motief achter het politieke engagement. Minder belangrijk was, naar ik vermoed, de politiek zelf. Goede politiek komt bij Mulisch eigenlijk altijd neer op moraal, maar ook op een bepaalde speelse manier om zelfs de verschrikkelijkste dingen te benaderen. In zijn eerste roman archibald strohalm (1952) noemde hij het “de weg van het lachen,” een vitale verstandhouding met de absurditeit van het bestaan, die ook in het gemak waarmee hij Cuba in een zonnig paradijs omtoverde zal hebben meegespeeld.

In Bericht aan de rattenkoning worden de Amsterdamse provo’s met deze “weg van het lachen” geassocieerd. Voor Mulisch een manier om aan te geven dat hij dus de juiste man was om hun ‘idee’ onder woorden te brengen. Of de provo’s er blij mee zijn geweest, weet ik niet, maar dit ”in een drie weken durende woede- en lachaanval” geschreven boek blijkt nog altijd bijzonder enerverend om te lezen. In Nederland is niet het fascisme de grote vijand, maar het “verstokte paternalisme” van de “regenten” die het land regeren alsof het een kolonie is. Aan de andere kant zijn de strubbelingen in Amsterdam ook “het wereldprobleem weerspiegeld in een stuiter,” dus wat zich in de hoofdstad afspeelt rondom Het Lieverdje en Het Huwelijk staat niet los van de echte grote kwestie in de wereld, de tegenstelling tussen rijk en arm.

Een ander probleem lijkt daarentegen ietwat naar de achtergrond verdwenen. Bij Eichmann was het nog prominent aanwezig en wel in het voor de organisator van de Endlösung der Judenfrage onmisbare ‘bevel’. “Achter de identificatie met het bevel schuilt de techniek,” schrijft Mulisch in De zaak 40/61 – de techniek die voor Hermans tijdens het twistgesprek de enige serieuze bron van verandering in de wereld bleek te zijn. Mulisch vond in 1969 de politiek belangrijker. Naderhand zal hij steeds meer opschuiven in de richting van Hermans, met dit verschil dat voor Mulisch de techniek vooral een levensgrote bedreiging inhoudt, net als het ‘bevel’ van Eichmann.

Al in De versierde mens (1957) komen we het visioen tegen van een toekomstige wereld waarin mensen en machines tot één monsterlijk geheel zullen zijn versmolten. In De compositie van de wereld (1980) zou Mulisch dat visioen tot in alle details uitwerken, als het corpus corporum, waarin de mens, tegen die tijd nog “kleiner” geworden dan Eichmann, volledig zou opgaan. Wat het visioen zo angstaanjagend maakt is dat Mulisch dan ook ten volle beseft dat de politiek tegen de verschrikkingen van de techniek geen remedie biedt. Maar bij herlezing zie ik dat dit inzicht ook al in De zaak 40/61 wordt verwoord, zij het tussen neus en lippen, wanneer Mulisch schrijft: “Als wij morgen allemaal communist of ondernemer worden, bestaat de dreiging onverminderd voort – tot aan het einde der tijden.”

De dreiging betreft hier de atoomtechniek, waartegen communisme noch kapitalisme zijn opgewassen. Dat wil zeggen: de techniek gaat kennelijk aan alle politiek voorbij. Na zijn politieke engagement (dat afloopt met de beëindiging van de Vietnam-oorlog, halverwege de jaren zeventig) zal Mulisch zich enkel nog geëngageerd tonen tegen de kernwapens. Wel vinden we in De ontdekking van de hemel (1992) een relativerende terugblik op de politieke bemoeienissen in de jaren zestig, voorzien zelfs van klachten over het verval van het gezag in een aan “vandalisme” ten prooi gevallen wereld. Het lijkt bijna een Umwertung aller Werte, maar dat is te snel geconcludeerd, want ook in Bericht aan de rattenkoning laat Mulisch er geen twijfel over bestaan dat hij het gezag onmisbaar vindt; zonder gezag zou de samenleving uiteenvallen in een Hobbesiaanse “oorlog van iedereen tegen iedereen,” terwijl de onderwereld aan het langste eind zou trekken.

Tegen de gevaren van de techniek helpt echter ook het gezag niet. Niets helpt ertegen, krijg je de indruk. De toestand is volgens Mulisch zo ernstig dat de hemel besluit het morele verbond met de mensheid op te zeggen en de Stenen Tafelen met de Tien Geboden terug te halen. In de techniek schuilt een diabolische kern, de illusie van almacht over de natuur, die alle moraal ondermijnt. Zelfs Mulisch’ verwachting, verwoord in een van de laatste hoofdstukken van De zaak 40/61, dat de angst voor de atoomwapens het “taboe op de dood” zal doen verdwijnen (waardoor de mensen hun eindigheid als stervelingen weer onder ogen zullen zien), lijkt dus niet te zijn uitgekomen. In plaats daarvan is eerder de angst voor de atoomwapens verdwenen en wordt alle aandacht weer opgeëist door de politiek, zij het niet meer de linkse politiek, zoals veertig jaar geleden.

Ook Mulisch leek zich de laatste jaren nauwelijks nog om de techniek te bekommeren, alsof hij er in De ontdekking van de hemel en in De procedure (1998) wel zo ongeveer alles over had gezegd. In zijn laatste roman Siegfried (2001) ging het nog alleen over Hitler, die er werd geïdentificeerd met “het Niets”, wat iets heel anders is dan “niets” – waarmee Eichmann in De zaak 40/61 wordt vereenzelvigd. Wie niets is kan alles worden, in het Niets houdt alles op. Uiteindelijk was de worsteling met het fascisme (in Opspraak vooral te vinden in De toekomst van gisteren) voor Mulisch het belangrijkst, in elk geval zo belangrijk dat hij daarvan zijn slotakkoord heeft gemaakt.

Dat reduceert de techniek intussen allerminst tot een onbenullig thema. Ook al schreef Mulisch er niet meer over, de greep van de techniek op ons leven is er niet minder op geworden. Meer dan ooit leven we in een technisch tijdperk, zozeer zelfs dat we de dreigende kanten ervan amper nog tot ons laten doordringen. Werken staat tegenwoordig gelijk aan acht uur per dag ingespannen turen naar een computerscherm en thuis doen we nagenoeg hetzelfde, maar nu ter ontspanning, met tv, laptop of iPhone. Mulisch vreesde voor een fundamentele verandering van de mens onder invloed van de techniek. Van die vrees is weinig of niets meer te bespeuren, al zou dat natuurlijk ook kunnen komen doordat de verandering zich nu daadwerkelijk aan ons voltrekt.

Eerder verschenen in NRC Handelsblad en op Arnold Heumakers