Vrijdag, 2 augustus, 2019

Geschreven door: Woolf, Virginia
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Orlando

“Zeg maar ja tegen het leven”

[Recensie] Orlando is de meest sprankelende, levendige, vitale roman van Virginia Woolf die ik tot dusver gelezen heb. Ze speelt in het boek met taal, met de tijd en met het gendervraagstuk. Het lijkt of Woolf tijdens het schrijven een vrijheid had die ze bij andere boeken veel minder had. Veel van haar andere boeken gaan over de tijd net na het preutse en ingetogen Victoriaanse tijdperk, waarin het nog net niet allemaal los mocht, waarin de Engelse standenmaatschappij nog steeds dominant was en waarin Woolf zelf opgroeide. Zo gaat De uitreis over een meisje dat ervan droomt om deel te nemen van het volwassen leven, maar daar niet in slaagt. Veel verder dan de saaie gebruiken en gewoontes van de ‘upper class’ zoals wandelen en thee drinken komt het niet in het boek. Het meisje neemt er aan deel, maar realiseert zich dat het eigenlijk allemaal maar bar weinig voorstelt. Er aan ontsnappen kan ze niet. In De Jaren zien we hoe Engeland in veertig jaar vanaf het eind van de negentiende eeuw verandert van een streng en bekrompen land tot een land waarin in het begin van de twintigste eeuw de normen losser werden en onder andere door WO I de klassenverschillen worden geslecht. De hoofdpersonen in het boek besluiten zelf nauwelijks andere keuzes te maken. Beide boeken zijn meer boeken van een belofte van andere mogelijkheden, niet van de daadwerkelijke stap om het nu eens helemaal anders aan te pakken in het leven. De schrijfstijl van deze twee boeken, ook al zit er meer dan dertig jaar tussen lijkt veel op elkaar. Nergens uitbundig, eerder ingetogen dan sprankelend, Woolf gebruikt een lichte ironie om haar commentaar op het tijdperk waar ze opgroeide te geven, maar nergens wordt het echt direct of confronterend.

Orlando is anders. Woolf heeft alle remmen losgegooid. De hoofdpersoon is een emotionele jongeman die in de hoogste klassen van de 16de eeuw zich een leven zoekt tussen staatszaken, liefde en literatuur in. Hij wil liever schrijven en minnen dan meeregeren, maar voelt dat zijn talenten voor beide nog niet volledig tot wasdom zijn gekomen. Als hij verliefd wordt op Marousja Stanislovska Dagmar Natasja Iliana Romanovitsj (alleen de naam al), een beeldschone Russische prinses, is de taal van Woolf zo extatisch dat je werkelijk hoopt dat het stel al het geluk van de wereld vindt. Zo vraagt Orlando zich af:

“waaraan zij hem deed denken. Aan sneeuw, room, marmer, kersen, albast of gouddraad? Nee. Zij was als een vos of een olijfboom; als de golvende zee waarop men van een grote hoogte neerkijkt; als een smaragd; als het zonlicht op een groene heuvel die nog door de nevelen omsluierd wordt – als iets wat hij nog nooit in Engeland had gezien of gekend. Hoe hij de taal ook plunderde zijn woordenschat schoot tekort.”

Wat een heerlijke opsomming: vos of olijfboom, en zo gaat het door, pagina na pagina. Woolf speelt met de taal, koestert zich in de taal, omhult zich met de taal in alle vrijheid die ze op dat moment geniet om de liefde tussen het stel te beschrijven. In het voorwoord bij de herdruk van de Nederlandse uitgave van dit jaar vertelt literatuurcriticus Marja Pruis dat Woolf tijdens het schrijven verliefd was. En dat is te merken.

Wandelmagazine

De liefde tussen Orlando en de prinses, die hij Sasja is gaan noemen, is helaas van korte duur. Sasja keert terug naar Moskou en Orlando trekt zich terug op zijn landgoed buiten Londen om er zich te wijden aan zijn gedicht over een eik. Nadat een veel oudere en erkende dichter de spot met hem drijf besluit realiseert hij zich dat hij zowel in de liefde als in dichtkunst niet kan slagen en om dan toch maar te kiezen voor een leven als staatsman. Hij gaat voor een missie naar Istanbul. Woolf gaat helemaal los om alle volstrekt overbodige plichtplegingen te beschrijven waar Orlando aan wordt onderworpen om maar te kunnen praten met hoogwaardigheidsbekleders van het Ottomaanse rijk.

Dan verandert alles, want plots wordt Orlando wakker als vrouw. En als vrouw vindt ze de vreugde van het leven weer terug. Er wordt weer gemind, het dichten wordt opgepakt. De mooiste passages zijn toch als Orlando moet wennen haar nieuwe lijf, haar nieuwe kleding, de reacties van de buitenwereld op haar verschijning, mannen die haar aandacht willen. Ze geniet ervan, laat het zich allemaal aanleunen. Terwijl de eeuwen zich opvolgen blijft Orlando beeldschoon en jong. Ze ontmoet de lelijke dichter Pope uit de 18de eeuw en andere schrijvers, ze windt hen om haar vingers en leeft een mondain leven.

Uiteindelijk trekt ze zich weer terug op haar landgoed. Bij een grote eik, net zo oud als zij zelf, kijkt ze terug op haar leven, tevreden, elke verandering heeft ze geaccepteerd, de tijd heeft ze dragelijk gemaakt. Het leven met al haar verschijningsvormen, in verschillende tijdperken, met verschillende ‘Iks’ heeft ze volledig omarmt.

“Haar hele wezen verdonkerde en kwam tot rust, als een oppervlakte dat door folie – waaraan het ronding en vastheid ontleent – wordt vervolledigd, zodat het ondiepe peilloos, het nabije veraf wordt; en alles besloten licht zoals water besloten ligt binnen de wanden van een put. Zij was verdonkerd nu, verstild en, vervolledigd door deze ‘Orlando’, geworden tot wat men terecht of ten onrechte het niet-in-zichzelf-verdeelde ‘Ik’, het ware ‘Ik’ noemt. En zij verstomde. Want het is heel goed mogelijk dat als iemand hardop tegen zichzelf praat, de verschillende ‘Iks’ (en dat kunnen er meer dan tweeduizend zijn), zich bewust van een gespleten zijn, trachten zich met elkaar in verbinding te stellen en als deze verbinding weer tot stand is gebracht, verstommen.”

Wat is een mens, wat is identiteit, wat betekent het om man te zijn, wat om vrouw te zijn, wat is gender, wie ben je, wie kun je zijn? Orlando roept veel vragen op. Maar eenduidige antwoorden…? Misschien moet je niet zoeken naar de betekenis achter Woolfs betoverende en vitale taal in Orlando, maar gewoon genieten en je laten meevoeren. Ik las het boek terwijl afgelopen weken zich het ene verdriet na het andere (de een groter dan de ander) zich in mijn persoonlijk leven aandiende. Met Orlando in het hoofd, werd het allemaal meteen lichter. Friederich Nietzsche sprak ooit eens over het Leven “be-ja’en”, “zeg maar ja tegen leven”, zong een Nederlandse cabaretier ooit. “Ja zeggen” tegen het leven, tegen alles wat langs komt, de positieve kanten van het leven, maar ook de negatieve. Orlando lezen bracht me weer terug bij de Duitse filosoof. Ik ga zijn passages hierover maar eens herlezen in de wetenschap dat klagen geen enkele zin heeft.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles