Zondag, 23 augustus, 2020

Geschreven door: De Tocqueville, Alexis
Artikel door: Groot, Ger

Over de democratie in Amerika

Pas op voor de meerderheid

Nog steeds bekijken wij de Verenigde Staten door de bril van Alexis de Tocqueville. Maar al wordt hij door de geschiedenis soms wel eens tegengesproken, toch legde Tocqueville de vinger op de essentie van democratie. Hoe gaat de massa om met de minderheid?

[Recensie] Twee dingen moeten op Alexis de Tocqueville bij zijn aankomst in de Verenigde Staten een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. “Nauwelijks hebt u voet op Amerikaanse bodem gezet,” schreef hij, “of u bevindt zich midden in een soort tumult; een verward geroep klinkt alom; duizenden stemmen bereiken uw oren tegelijkertijd.”

Tocqueville dacht daarbij niet aan het drukke commerciële verkeer dat iedereen in Amerika onmiddellijk opvalt. Hij doelde op het politieke gepalaver dat de hele samenleving doordrong. Daar sloot zijn tweede observatie direct op aan: “Van al het nieuwe dat tijdens mijn verblijf in de Verenigde Staten mijn aandacht heeft getrokken, heeft niets mij sterker getroffen dan de standsgelijkheid.”

Met die laatste zin opent hij zijn roemruchte en volumineuze studie Over de democratie in Amerika, die nu voorbeeldig bezorgd eindelijk volledig in het Nederlands is vertaald. “Hét boek over de democratie” noemt Anderas Kinneging het in zijn omvangrijke en geduldige nawoord: “iets beters is er niet”. Niet omdat Tocquevilles staatkundige of sociologische observaties nooit zijn overtroffen, maar omdat niemand beide zaken zozeer op elkaar wist te betrekken als hij.

Trouw

Daar had Tocqueville na zijn reis naar Amerika wel enige tijd en en ook flink wat pagina’s voor nodig gehad. Drie jaar deed hij over het schrijven van het eerste deel, dat in 1835 verscheen en vooral de politieke structuur van de VS besprak. Nog eens vijf jaar had hij nodig voor deel twee, waarin het sociale leven centraal staat. Alles bij elkaar meer dan duizend bladzijden: een tour de force voor een man die intussen ook aan zijn politieke carrière werkte. Met succes. In 1839 werd hij op 35-jarige leeftijd gekozen als afgevaardigde in het parlement. Hij zou ruim twaalf jaar politiek actief blijven.

Voor een man van zijn afkomst was dat net zo min vanzelfsprekend als zijn warme belangstelling voor de democratie. De Tocquevilles behoorden tot de oudste adel van Frankrijk. Ook al was bestuurlijke of militaire dienstbaarheid aan de kroon daarvoor altijd vanzelfsprekend geweest, ten aanzien van de elkaar snel opvolgende nieuwe regimes lag dat anders. Legitiem konden de kringen rond Tocqueville (om te beginnen zijn eigen vader) de nieuwe machthebbers niet vinden, en hun koketteren met een min of meer democratisch kiesrecht al evenmin. De herinnering aan de verschrikkingen van de Franse Revolutie, die Tocquevilles eigen grootouders onder de guillotine had gebracht, lag nog vers in het geheugen. Het moet juist dat laatste zijn geweest wat bij Tocqueville de politieke nieuwsgierigheid kietelde. Dat de democratie de toekomst had, stond voor hem vast. Maar hoe voorkom je dat de volkssoevereiniteit zo gruwelijk ontaardt als na 1789?

In één land bleek de democratie een doorslaand succes te zijn geweest: de Verenigde Staten. En dus vertrok Tocqueville in april 1831 samen met zijn vriend Gustave de Beaumont naar Amerika, officieel om daar het gevangeniswezen te bestuderen. Ze bezochten 17 van de 24 toenmalige staten en spraken met jan en alleman.

Bijna een jaar later keerden ze terug naar Frankrijk, beladen met aantekeningen, ook al was Tocqueville bij een schipbreuk op de Ohio-rivier heel wat materiaal kwijtgeraakt. Wat resteerde was nog altijd genoeg voor een uitputtende studie over de Amerikaanse politiek en samenleving, waarvan vooral het tweede deel associaties oproept met Multatuli’s Pak van Sjaalman.

Tocqueville schrijft “Over de filosofische methode van de Amerikanen”, “Over de voorkeur voor materiële welstand in Amerika”, “Over de bijzondere gevolgen van de liefde voor materiële genoegens in democratische eeuwen” en “Over de ernst van de Amerikanen en waarom die hun niet belet dikwijls ondoordachte dingen te doen.”

Zoals uit dat laatste al blijkt, was Tocqueville tegenover de VS niet zonder reserves. Hij was ontsteld over het lage intellectuele peil van de samenleving: “Ik ken geen land waar in het algemeen minder geestelijke onafhankelijkheid en minder werkelijk vrije discussie bestaat dan in Amerika.” Het niveau van de Amerikaanse staatslieden was in zijn ogen dramatisch gedaald sinds de heroïsche generatie van Washington en Jefferson. En de draconische wetgeving die in New England godslastering, hekserij, overspel en verkrachting met de dood bestrafte noemde hij “beschamend voor de menselijke geest”.

Maar, zo stelt hij vervolgens vast, het Amerikaanse systeem is in staat veel manco’s te corrigeren. Het is vooral praktisch van inslag en berust minder op deugdzaamheid dan op pragmatisch eigenbelang. Niet van de bestuurders wordt wijsheid of evenwichtigheid verwacht, maar van hun kiezers, die een scherp besef bezitten van wat voor de gemeenschap het beste uitpakt. “Welbegrepen eigenbelang” is daarbij het sleutelbegrip – en daarmee bedoelt Tocqueville het omgekeerde van kortzichtig egoïsme. Welbegrepen is dat eigenbelang pas, wanneer het inziet dat het een burger alleen maar goed kan gaan als ook de gemeenschap floreert.

De burger hoeft niet heilig te zijn, maar moet inzien dat hij het zonder geven en nemen niet redt. Dat laatste maakt hem in politieke zin tot een burger en dus – zo impliceert Tocqueville – tot een mens die is wat hij moet zijn. Dat leert hij niet in de grote nationale vergaderingen en kiescampagnes, maar op het microniveau van de locale politiek. Dáár zijn de burgers direct betrokken bij de zaken die op het spel staan; daar moeten zij tot overeenstemming zien te komen met hun buren en plaatsgenoten.

De politiek van de gemeente is de bakermat van de democratische geest, zo stelt Tocqueville vast. Hij moet in de VS een bijna directe democratie aan het werk hebben gezien, herinnerend aan de oer-democratie van de Atheense stadstaat, en het is dan ook niet vreemd dat Kinneging Tocqueville krachtig neerzet in de traditie van het klassieke denken. Democratie is niet alleen een formele structuur, maar ook een gezindheid die tot in alle uithoeken van de samenleving doordringt: dat is de les die Tocqueville vanuit de Verenigde Staten naar Frankrijk mee terug neemt.

Want, zo schrijft de Duitse politiek wetenschapper Michael Hereth in de aan Tocqueville gewijde monografie die samen met diens Democratie in Amerika verscheen: “Tocqueville schrijft over Amerika, maar bedoelt Frankrijk.” Wat in Amerika het levende hart van het bestel bleek te zijn, was in Frankrijk stelselmatig geëlimineerd. Al onder het Ancien Régime (waarover Tocqueville tegen het einde van zijn leven een indrukwekkende studie zou schrijven) waren de locale parlementen, privileges en bestuurlijke lichamen steeds meer vervangen door een gecentraliseerd ambtelijk apparaat. De Franse Revolutie en de jonge Republiek hadden die kaalslag voltooid. Voortaan zou het land bestuurd worden vanuit Parijs, dat de wetten uitvaardigde en de uitvoering daarvan stevig in handen hield.

Tocqueville is niet afkerig van iedere vorm van centralisatie. Maar in Frankrijk is die zo allesoverheersend dat de locale politiek elke betekenis heeft verloren en de voedingsbodem is vernietigd van een gezonde democratie. Dat hebben de Verenigde Staten anders aangepakt. Wetten mogen daar dan deels op centraal niveau worden uitgevaardigd, de uitvoering ervan is voorbehouden aan de locale bestuursorganen, die een grote speelruimte hebben. Vreemd is dat niet, want de Verenigde Staten waren als het ware van onderop ontstaan; een centralistisch bestel hadden ze nooit gekend. De samenleving zelf heeft haar vorm gekregen vanuit een piëtistische gewetensvolheid die bij de burger bijna vanzelf was uitgemond in politiek verantwoordelijkheidsgevoel.

Dat maakt de Amerikaanse democratie niet zonder meer exporteerbaar, zo realiseert Tocqueville zich. Eenmaal terug in Frankrijk moet hij dat pijnlijk hebben ervaren. In de Herinneringen die hij tegen het eind van zijn leven schreef, klinkt de ontgoocheling duidelijk door. Ze omvatten nauwelijks meer dan de gebeurtenissen in het revolutiejaar 1848 en Tocquevilles nog geen half jaar durende ministerschap (op Buitenlandse Zaken) in de republikeinse regering die daarop volgde. Als lid van de grondwetscommissie lukt het hem nauwelijks iets van zijn Amerikaanse lessen te laten doorwerken. De revolutie zelf beschouwt hij met de grootste scepsis. “Er hebben slechtere revolutionairen bestaan dan die van 1848, maar ik vermoed geen dwazere,” schrijft hij later.

Met dergelijke observaties zitten deze prachtig geschreven memoires, volgens Kinneging “een klein meesterwerk”, vol. Ook zij verschenen onlangs in een fraaie vertaling die alle recht doet aan Tocquevilles literaire vernuft. Net als in Over de democratie in Amerika hebben zijn lapidaire observaties vaak de kracht van een aforisme, dat – zoals alle aforismen – de nuance nog wel eens opoffert aan de gevatheid.

Of Tocqueville gelijk had met alles wat hij in de VS meende te kunnen waarnemen, is moeilijk te zeggen. Onze perceptie van dat land lijkt zozeer te zijn beïnvloed door wat hij schreef dat we het land bijna nog altijd als door zijn bril bekijken. Nog steeds worden ook wij getroffen door het Amerikaanse gelijkheidsgevoel, de dynamiek, het onverwoestbare democratische besef… en de vulgariteit van het land.

Dan maakt het nauwelijks meer uit dat Tocqueville sommige zaken, zoals de uitholling van de democratie door machtige bedrijfslobby’s, niet kon voorzien. Dat hij zich wel eens tegenspreekt, of door de latere geschiedenis tegengesproken zal wórden. 25 jaar voor de Amerikaanse burgeroorlog kan hij zich niet voorstellen dat de staten ooit tegen elkaar de wapens zullen opnemen. 90 jaar voor de drooglegging moet hij vaststellen dat accijnsheffing op alcohol er politiek onhaalbaar is: “Bij jullie zijn de drinkers in de meerderheid en is matigheid impopulair,” zegt hij tegen een gesprekspartner.

Daarmee raakt hij aan een van de hoofdproblemen van het boek: de macht van de meerderheid. Hoe voorkom je dat minderheden met het grootste gelijk van de wereld het leven zuur wordt gemaakt, omdat de meerderheid het nu eenmaal voor het zeggen heeft? – zo vraagt hij zich af. Dat is nog altijd een pertinente vraag .

Tocqueville hoopt vooral op de onafhankelijke rechter, liefst voor het leven benoemd, zodat die de durf en de mogelijkheid kan hebben om tegen de vox populi in te gaan. Net als zijn pleidooi voor een behoorlijke bezoldiging van politieke ambtsdragers is ook dát geen populair standpunt meer, in een tijd die de mond vol heeft van ‘zakkenvullers’ en ‘ivoren torens’.

Nu de democratie wereldwijd nauwelijks nog serieuze concurrentie heeft, zijn de vragen die Tocqueville opwerpt actueler dan ooit – als het gaat om de reflectie van de democratische samenleving op zichzelf. Hoe garandeert zij de vrijheid van allen, als tegelijk de meeste stemmen gelden? Hoe te voorkomen dat haar gelijkheidsideaal uitmondt in slappe middelmatigheid? Of om het te zeggen in de taal van Tocqueville zelf, die nooit is opgehouden een edelman te zijn: hoe blijven in een burgermansdemocratie de deugden werkzaam waarmee ooit de aristocratie zich identificeerde: onzelfzuchtigheid, vrijheid, dienstbaarheid aan de staat, en gevoel voor het onvervangbare en traditionele?

 

Eerder verschenen in NRC