Zaterdag, 27 maart, 2021

Geschreven door: Uphus, Theo
Artikel door: Stoel, Jan

Over voetbal gesproken

“Ik kroop al achter een bal voor ik kon lopen”

Interview met Theo Uphus, auteur van Over voetbal gesproken.

Over de auteur

Theo Uphus (1956) schrijft sinds 1966 over voetbal. Aanvankelijk via het clubblad van RKDEO uit Nootdorp waar hij voetbalt. Als hij naar Brabant verhuist wordt hij scheidsrechter. Tevens is hij in deze periode redacteur voor het clubblad van V.V. Wilhelmina uit Den Bosch. Hij wordt verslaggever van wedstrijden uit de Tweede en Derde divisie. Dat doet hij nog steeds voor voetbal247.nl. Zijn aandacht beperkt zich niet tot de Nederlandse velden. Theo is ‘groundhopper’ en bezoekt voetbalwedstrijden en stadions door heel Europa.

Over het boek

Scènes

Over voetbal gesproken bevat een scala aan schitterende voetbalverhalen met het accent op het amateurvoetbal. Het boek heeft de vorm van alles wat zich in en rondom een wedstrijd afspeelt: warmlopen – de eerste helft (waarin aandacht besteed wordt aan wat zich op de Nederlandse (amateur)velden afspeelt) – rust (inclusief een Waldorf en Statler-commentaar) – de tweede helft (waar het groundhopping centraal staat, het bezoeken van velden in het buitenland) – de derde helft. De basis van de sport is de amateursport. Het plezier beleven aan de sport, het je vrij voelen, grenzen ontdekken, samenwerken in een team, persoonlijke groei, het sociale aspect, communiceren. Het zijn basisvaardigheden die je door sporten ervaart. Uphus vervlecht deze aspecten in zijn verhalen. Dit boek gaat over hoe we als maatschappij met elkaar omgaan, over de schaduwkant van bestuurders die een te grote broek aan willen trekken om zich te profileren, over rekening met elkaar houden, vriendschap, er zijn voor elkaar. En ‘de belangrijkheid van het voetbal’ wordt continue gerelativeerd. “Winnen is eigenlijk niet belangrijk, maar geld maakt dat alles draait om het winnen.” Het is een heerlijk boek, integer, met gevoel, humor en vol empathie geschreven.

Interview

Hans Kraay jr. heeft het voorwoord geschreven van je boek. Bijzonder. Hoe ben je met hem in contact daarvoor gekomen?

“Hans Kraay jr. was voor mij eigenlijk de eerste en enige keuze om in aanmerking te komen als schrijver van het voorwoord in mijn boek. Hans heeft zelf internationaal gevoetbald. Speelde onder meer in de Verenigde Staten met bijvoorbeeld George Best. Daarnaast heeft Hans een verleden in de top van het amateurvoetbal. Hij behaalde de nodige successen als trainer met JVC Cuyk, DOVO en vooral het relatief kleine FC Lienden. Daar komt bij dat hij net als ik in de voetbaljournalistiek actief is. Je kunt stellen dat Hans veel deed en doet als ik, alleen op een hoger niveau. Ik ken Hans persoonlijk vanuit zijn tijd bij FC Lienden. Ik was actief als voetbalverslaggever en analyseerde wedstrijden van zijn team en ook zijn functioneren als coach. Ik sprak hem daar dan ook over. In feite zie je daar de titel van het boek in terug. Hans houdt net als ik van humor. Maar hij kan ook heel goed over voetbal praten. In feite hoefde ik slechts te bellen voor een afspraak. Toen Hans enkele verhalen had gelezen zegde hij toe het voorwoord te zullen schrijven. Ik vind het een prachtige opening van mijn boek, nog even los van die heerlijke sneer van Bert van Hunenstijn, trainer van HHC Hardenberg op de binnenflap: ‘Theo, ben jij al gevraagd voor de VAR?’ ‘Nee, waarom zouden ze mij vragen?’ ‘Omdat je er ook altijd naast zit met je analyses.'”

Op de achterflap staat te lezen dat je al sinds 1966 over voetbal schrijft. Je was toen tien jaar. Wat moet ik me voorstellen bij dat schrijven? Waar is die interesse vandaan gekomen?

“Ik kroop al achter een bal aan voor ik kon lopen. Op mijn tiende ben ik gaan voetballen bij de club uit mijn dorp, RKDEO, en vond het altijd prachtig om over mijn wedstrijdjes te lezen in het clubblad. Lang niet altijd werd er een verslag geschreven. Op een bepaald moment zei ik dat ik best wekelijks iets wilde schrijven voor het clubblad. Dat begon wel heel erg met “En toen, en toen, en toen”, maar al doende verbeterde dat. Dat kwam ook omdat ik veel verslagen ging lezen, zowel in ons clubblad als in kranten en het toen net opgerichte weekblad Voetbal International. Ik heb wat verslagen van Joop Niezen, Cees van Cuilenburg en later Johan Derksen verslonden in die jaren. Op een bepaald moment waren mijn verslagen onder de naam “Uppie” gemeengoed in het clubblad van RKDEO. Niet alleen schreef ik over mijn eigen team, maar ook over andere teams van de club. En natuurlijk verbeterde het gebruik van de Nederlandse taal met de jaren.”

Als je daar nu op terugkijkt op, zie je dan iets van de Theo Uphus terug die Over voetbal gesproken schrijft, over hoe je op een andere manier naar de sport kijkt? Wellicht heb je in het begin vooral de wedstrijden verslagen en ben je later op andere dingen gaan letten.

“In feite is mijn ‘naar wedstrijden kijken’ net zo geëvolueerd als mijn eigen spel in de loop der jaren. Als jong ventje gaat het er om dat je de bal krijgt. Daar wil je wat mee doen, en dan wacht je op je volgende balcontact. Natuurlijk wil je je wedstrijd winnen maar je hebt geen besef van hoe je dat het beste kunt realiseren. Eigenlijk doe je maar wat en zijn er de leiders en coaches tijdens de wedstrijden en de trainers door de week die het je allemaal moeten leren. Dat lees je terug in het hoofdstuk Piet Keizer. Mijn ontwikkeling als schrijver verliep hetzelfde. Je begint met ‘en toen, en toen’ tot je door hebt dat het zo geen verslag wordt, maar een opsomming van feiten. Je krijgt door dat de ontwikkeling van het spel, de uitslag van de wedstrijd, en dus ook je verslag, wordt beïnvloed door beslissingen van scheidsrechters, trainers en spelers tijdens de wedstrijd. En dan wordt het interessant om te achterhalen welke doorslaggevende beslissingen door wie tijdens een wedstrijd worden genomen. En net zo belangrijk, hoe ze tot stand kwamen. Daarom vind ik het veel interessanter om vlak achter de trainers te staan dan op de perstribune te zitten. Dat kun je lezen in het hoofdstuk over het gedrag van diverse coaches. Het gaat mij er in dat stuk níet om dat ik bepaald gedrag veroordeel of toejuich, het gaat er om dat een coach altijd handelt in het belang van het resultaat, mede bepaald door zijn karakter en door een heleboel karakters op het veld. Dat van dichtbij beschouwen vind ik prachtig en gebruik ik in mijn verslagen.”

Waar komt die passie voor voetbal bij jou vandaan? Waarom dompel je je daar zo totaal in onder?

“Voetbal was niet direct iets waar mijn ouders warm voor liepen. Mijn moeder is dankzij mijn broer en mij alsnog voetballiefhebster geworden. Ze is nu 91, woont nog steeds zelfstandig en ik spreek haar regelmatig over het spelletje. Ze belt vaak om te informeren wat er die avond aan voetbal te verwachten valt. Ik denk dat de passie vooral ontstaan is tussen mijn broer Cor en mij. Ik vind het spel nog steeds geweldig om te volgen en vooral de gedachten die leiden tot een bepaald soort voetbal. Ik zie niet alleen de feiten op zich, maar wil ook weten hoe ze tot stand komen. Daarom veroordeel ik spelers en trainers ook nooit zomaar. Als ze al iets fout doen is het wel zo eerlijk in je oordeel mee te nemen wat de aanleiding van die fout was. En daar naar graven bij belanghebbenden is een leuk proces.”

Je kiest met name voor de amateursport. En je schrijft er nog iedere week over op voetbal247.nl Waarom amateurvoetbal?

“Amateurvoetbal is in mijn ogen veel meer pure sport dan profsport. Als er in het amateurvoetbal een doelpunt wordt gescoord, wordt er gejuicht en lopen spelers naar elkaar toe voor een hug. Vergelijk dat met spelers uit het betaalde voetbal. Ik zal nooit PSV-er Mateja Kezman vergeten, die ineens na een treffer wegliep van zijn medespelers en met twee duimen naar zijn rug wees. Waar Kezman geschreven stond. Kijk naar de arrogante koppen van spelers als Balotelli, Ronaldo en meer van dergelijke narcisten als ze gescoord hebben. Dat hooghartige hoofd van Depay met die vingers in zijn oren. Ik walg van dat soort gasten. Dergelijk gedrag zie je niet in het amateurvoetbal. Ik zie het al gebeuren bij pakweg HHC Hardenberg. Zeker weten dat de trainer, Bert van Hunenstijn, zo’n speler naar de kant haalt en vraagt of hij al lang last van een zonnesteek heeft. De Tweede en Derde divisie zijn ook veel laagdrempeliger. Spelers en trainers zijn na een wedstrijd altijd voor commentaar beschikbaar. Natuurlijk praten ze dan wel eens alles wat mooier dan het was, maar moet ik ze dat vlak na een wedstrijd kwalijk nemen? En praten niet alle mensen wel eens iets goed wat niet overeenkomt met de feiten?”

Als je de verhalen leest dan blijkt dat het geen doorsnee-verhalen zijn. Je hebt duidelijk meer te vertellen, met name over de normen en waarden in onze maatschappij, over de uitwassen van wat geld met de zuiverheid van de sport doet. Wat wil je met je verhalen vertellen?

“Als ik het in mijn boek beschreven verval van Achilles ’29 als voorbeeld mag nemen: bij die club kwam alles dat niet goed is voor de maatschappij samen in een voetbalclub. Ik riep ooit eens dat ik ging kijken naar FC Lienden tegen FC List en Bedrog. Het was allemaal grootheidswaanzin daar, puur narcisme. Dat is ook wat ik in mijn boek beschrijf. Er werden allerlei constructies bedacht die er slim uitzagen. Echter in al die constructies had uiteindelijk alleen de betreffende familie de touwtjes in handen. De jaarvergadering was een schertsvertoning, net als elke andere vergadering. Eerst werd er overleg gepleegd en daarna gebeurde wat de familie wilde. Eenzelfde manier van leiding geven die ook bijvoorbeeld Joop Munsterman en Dirk Scheringa wordt nagedragen. Dit soort excessen mogen niet vergeten worden, omdat er altijd weer mensen zullen opstaan die denken dat ze zo tot succes kunnen komen. Er zijn nog steeds vele duizenden mensen in ons land de dupe van de praktijken van Dirk Scheringa. Ook bobo’s bij de KNVB vergeten nog wel eens dat zij een dienende functie bekleden. Zij zijn er dankzij de vele duizenden amateurs die zich belangeloos inzetten voor het spelletje. Dat is niet alleen Björn Kuipers, maar ook al die duizenden gasten die in het weekend voor een paar centen kilometervergoeding hun wedstrijd namens de bond gaan fluiten. Mijn indruk is dat de bond heel graag koketteert in het buitenland met de prestaties van pakweg Mario van der Ende, Roelof Luinge en Björn Kuipers, maar de onderbouw nogal in de steek laat. Natuurlijk ontkent men dat, maar als ik hen kritische vragen stel, krijg ik eerst een half en vervolgens geen antwoord meer. Ik geef altijd gelegenheid tot weerwoord, maar als dat dan niet komt blijf ik niet soebatten en smeken. En dus staat er in mijn boek iets over een ‘vergeten scheidsrechter en staat er ook een aanklacht tegen de aanwezigheid van BVO-teams in het amateurvoetbal.”

Hoe is het idee ontstaan om van al die verhalen een bundel samen te stellen? Waarom moest dit boek er komen?

“In feite wordt me al jarenlang met regelmaat gevraagd een boek te schrijven. Ik zag op tegen het gehele proces. Mijn uitgever Eus Wijnhoven van Uitgeverij GiST overtuigde mij, omdat hij dat gehele proces op zich ging nemen en ik mij kon beperken tot het schrijfwerk. In feite had ik voldoende, om niet te zeggen te veel beleefd om tot een boek vol gevarieerde verhalen te komen. Ik wilde zaken kort beschrijven en vooral met regelmaat verrassen in het boek. Ik denk dat te hebben bereikt door bijvoorbeeld enerzijds serieuze stukken te schrijven zoals die met Bert van Hunenstijn, Wil de Visser, Cees Bruinink en Kees Spaan. Anderzijds, zo’n verhaal als over mijn vader, Waldorf & Statler en de Bloopers zijn natuurlijk bedoeld om de lezer te vermaken. En ik probeer mijn eigen ervaringen als kind tot leven te brengen in de hoop dat de lezer hier enige herkenning in vindt. Dat Waldorf & Statler is trouwens daadwerkelijk op de tribune van een Tweede divisionist geboren. Mensen kunnen ongelofelijk opportunistisch zijn. De selectie van verhalen is in goed overleg met Eus gemaakt. Alle verhalen zijn verslagen van persoonlijke ervaringen. Eus heeft het werk geredigeerd en dat was vast een hele klus.”

Je bent een echte groundhopper, bezoekt allerlei voetbalstadions overal in Europa. Je maakt er zelfs groundhoptoertjes, een soort rondreisje waarbij je meerdere stadions achter elkaar bezoekt. Waarom geniet je daar zo van? Wat brengt het je?

“Toen ik begin tachtiger jaren eenmaal een eerste reis langs vier wedstrijden in Engeland had gemaakt was ik verkocht. Het ging mij niet alleen om de uitslag of het spel, het ging mij ook om de sfeer. Niet alleen die in het stadion, maar bijvoorbeeld ook die in de kroegen waar de supporters al uren voor de wedstrijd samenkomen en waar ze zich na de wedstrijd ook weer verzamelen. Dat hoort allemaal bij mijn beleving van “groundhoppen”. De eerste jaren wil je vooral naar de grote clubs. Maar als je bijna de volledige top van Engeland, Spanje, Duitsland Frankrijk en Italië hebt gezien, ga je op zoek naar kleinere clubs. En dan blijkt dat net zo leuk of zelfs nog leuker. Ik ken ondertussen ook al de nodige prachtige, vervallen, stadionnetjes in België. Dat is geweldig om te bezoeken! In de drek lopen, verlichting alsof je onder een schemerlamp zit, gewoon nog een biertje kunnen halen, of zo’n overvette hamburger met een klodder mayo en veel te veel zwartgeblakerde uien. Dat is zo mooi! En dan voor je snufferd de teleurstelling van zo’n linksbuiten die zijn voorzet vijf meter achter het doel ziet neervallen. En een kwartier later nog eens, omdat hij het nooit zal leren.”

Waarom is het juist voor amateursporters zo’n aanrader om je boek te lezen?

“Ik denk dat amateurvoetballers zich meer in dit boek zullen herkennen dan topsporters. Het boek kan de huidige professional er wellicht aan herinneren waar ook hij vandaan komt. We zijn allemaal klein en met ambitie begonnen. Bijna niemand haalt de top als professional. Misschien brengt dit boek die professional enige vorm van deemoed. Ook iemand die dankzij de voetbalsport multimiljonair wordt, mag zich normaal blijven gedragen. Voor amateurvoetballers en –liefhebbers kan dit boek denk ik vooral een feest der herkenning zijn. En een schrale troost voor het werkelijke feest, dat door corona nu wekenlang niet kan doorgaan.”

En vooruit Theo: heb je nog een prachtige korte anekdote?

“Ik houd wel van de humor die je rond de velden hoort. Niet altijd even subtiel. Enkele jaren terug schreef ik nogal negatief over een bepaalde club. Rotzooi met spelers die geen geld kregen waar ze recht op hadden, betaalachterstanden bij leveranciers, de belastingdienst, enzovoort. Ook de trainer kwam aan de beurt in dat stuk. De man had al een bedenkelijke reputatie opgebouwd bij andere clubs. Hij had een club in een open brief beschuldigd van zwart betalen, et cetera. Toen ik iets over zijn bezigheden schreef op de voetbalwebsite was ik aan de beurt. Hij kwam met bedreigingen als “kom maar niet op ons terrein, want dan heb je een probleem”. Naast nog een rijtje andere ‘fraaie’ opmerkingen. Ik deed wat hij een jaar eerder deed. Ik plaatste een open brief op de website, waarin ik schreef wat hij me had geschreven. Inclusief de bedreigingen aan mijn adres. Drie dagen later ging ik naar de wedstrijd Quick – Westlandia in Den Haag. Ik ging achter de dug-out van Westlandia staan. Namens die club hing trainer Edwin Grünholz op dat moment tegen de zijkant van de dug-out. Hij zag mij en vroeg direct: ”Hé Theo, je leeft nog! Nog niet neergemaaid?”

Eerder verschenen in Bazarow Magazine