Dinsdag, 9 april, 2019

Geschreven door: Oenen, Gijs van
Artikel door: Dijk, Jos van

Overspannen democratie. Hoge verwachtingen, paradoxale gevolgen

Overspannen democratietie

We hebben te hoge verwachtingen van democratie, volgens Gijs van Oenen. En dat gaat ons opbreken. Maar er is redding in zicht: de ‘algoritmische democratie’.

[Recensie] Wie overal democratische tekorten ziet of wie meent dat onze democratie bedreigd wordt door populisme en onverschilligheid moet dit boek beslist lezen. Want “de democratie wordt niet primair bedreigd door tegenstanders of haters ervan, maar juist door het enthousiasme ervoor, de verwachtingen erover en het succes ervan.” Zo formuleert Gijs van Oenen, docent sociale en politieke filosofie aan de Erasmus Universiteit de kernstelling van zijn boek. De democratie is overspannen en verkeert in een ‘burn-out’ fase, zij wordt “het slachtoffer niet van desinteresse of manipulatie, maar juist van grote inzet, hoge verwachtingen en ambitieuze beloftes.”

Die hoge ambities en verwachtingen hebben we te danken aan de culturele revolutie uit de jaren zestig en zeventig. Lange tijd werd de Nederlandse democratie gedomineerd door paternalistische regenten die gewone burgers in hun verzuilde bolwerken op afstand hielden. De democratiseringsgolf die daar een einde aan maakte zette burgerparticipatie in het bestuur centraal, in het onderwijs, de welzijnsvoorzieningen en ook in het openbare bestuur. Van Oenen herinnert hier onder andere aan het maatschappelijk opbouwwerk: burgers instrumenten geven om “aan de democratie mee te timmeren”. Deze ontwikkeling is in de tweede helft van de vorige eeuw uitgebouwd. In ambtelijke kringen heette het op een gegeven moment  ‘interactieve beleidsvorming’. Burgers werden co-producenten van beleid. Iedereen die er op lokaal niveau wel eens mee te maken heeft gehad herinnert zich de botsingen die daarmee samenhingen tussen burgers en hun representanten in raad en college.  In de communicatie over inspraakprocedures worden hoge verwachtingen gewekt die niet waargemaakt konden worden. Actieve burgers ontwikkelen zich op den duur als ‘geprotoprofessionaliseerde’ ambtenaren. Maar velen haken vermoeid  en gefrusteerd af. De burger die dacht dat zijn unieke, persoonlijke stem ook daadwerkelijk en direct gevolgen zou hebben voor het beleid raakt teleurgesteld in de werking van de representatieve democratie en klaagt steen en been over een democratisch tekort.

Neoliberalisme

Archeologie Magazine

Onder de titel De kolonisering van de democratie door vreemde machten bespreekt van Oenen de factoren die de hoge verwachtingen ten aanzien van de burgerparticipatie frustreren. Daarbij komt ook de rol van de media aan de orde. Maar het meest interessant vind ik zijn analyse over ‘neoliberale logica’s’. In het neoliberalisme is de markt er niet voor de burger/consument, maar de burger/consument is er voor de markt. Burgers worden geacht daar als ‘ondernemer van het zelf’ aan deel te nemen. De overheid opereert ook in functie van de vrije markt en moet ‘zichzelf via principes van marktwerking en uitbesteding heruitvinden.’ Binnen dit systeem is de neoliberale strategie er op gericht ‘burgerschap in consumentisme om te zetten. Besluitvormingsprocessen over kwesties van collectief belang moeten van de politiek worden overgeheveld naar de markt.’ Publieke kwesties moeten volgens het marktmechanisme worden opgelost. Zo komt de publieke zaak onder grote druk te staan van ‘vermarkting en financialisering’.

“Neoliberalisme is niet een klassieke antidemocratische kracht, zoals een autoritair leider dat is. Het is nog erger: waar het volk ooit honger had naar democratische waarden, bederft het neoliberalisme deze lust naar democratie en soevereiniteit. (…) (Het verpest) onze democratische smaaksensatie met het egomanische fastfood van consumentisme, marktwerking en financialisering.” (p.146)

Populisme

De populistische stromingen van het begin van de nieuwe eeuw zijn hier interessant omdat ze het in naam van de democratie opnemen tegen de bestaande democratische instituties en hun representanten. Van Oenen spreekt over tragische en zelfs gevaarlijke illusies over de democratie. Het populisme neemt democratie te letterlijk, zegt hij, als men meent dat “representatie in de weg staat aan ware en directe democratie.” Daarbij spelen de hoge verwachtingen ten aanzien van democratie een grote rol:

“Burgers die ervaren dat er niet gebeurt wat zij zouden willen en dat zij geen grip hebben op de processen waarin die wensen een rol zouden kunnen spelen, uiten dit door te klagen dat er niet naar hen wordt geluisterd. Ook al omdat zij weten dat politici voor die klacht bijzonder gevoelig zijn, wat weer mede een gevolg is van de dominantie van het interactieve paradigma in de hedendaagse democratie.” (p.129)

Daarbij komt nog de tegenstelling volk-elite die door populistische leiders wordt uitgebuit. Ook hier is sprake van een versimpelde voorstelling van politiek en democratie. Populisten zijn niet gediend van meerdere voorstellingen van zaken, dissonante stemmen en meer in het algemeen van pluraliteit. ‘Het volk is immers één.’ Wie het niet met hen eens is behoort niet tot het volk, is vreemdeling en/of crimineel. Hier wreekt zich een vals begrip van democratie. Een gemeenschap kan ook zonder consensus bestaan. Het is juist de aard van de democratie om niemand “uit de discussiërende vereniging” uit te sluiten.

Democratische metaalmoeheid

Democratisering is volgens van Oenen ‘de politieke implicatie van het proces van emancipatie.’ De Verlichting heeft ons geleerd dat we voor onszelf kunnen denken en niet afhankelijk hoeven zijn van de bevoogding door anderen. Maar nu moeten we daar ook de consequentie uit trekken en ons inzetten voor de publieke zaak. Democratisering vloeit voort uit het ideaal van individuele ontwikkeling en ontplooiing. De politieke en culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig leverde een verschuiving op van een ‘bevelshuishouding’ naar een ‘onderhandelingshuishouding’ (concepten van Abram de Swaan). Dat voortdurend op alle niveaus en in alle situaties moeten onderhandelen kan echter ook erg vermoeiend worden. Het gaat uit van een groot verantwoordelijkheidsgevoel dat mensen soms ook niet aankunnen. Nu even niet is de titel van een boek dat Van Oenen eerder over deze problematiek schreef.

Iedereen moe?

De vermoeide actieve burger met het grote verantwoordelijkheidsgevoel is herkenbaar. Maar hebben we het hier over alle burgers? “Moderne burgers voldoen graag aan de norm van interactieve betrokkenheid,” schrijft Van Oenen. En: “We leven in het voortdurende besef dat we ons verantwoordelijk moeten voelen.” Maar wie is die ‘we’? Ik krijg toch sterk de indruk dat  het hier vooral gaat over de hoger opgeleide, geïntegreerde, witte burger die zich inzake het te voeren beleid kan meten met, qua ‘cultureel kapitaal’ gelijkbedeelde, ambtenaren en managers van verschillende soorten publieke instellingen. Niet iedereen kan gerekend worden tot de moderne, actieve en verantwoordelijkheid voelende burgers die lijden onder overspannenheid. Van Oenen zal dat waarschijnlijk wel erkennen, maar hij maakt dat nergens duidelijk.

Ook mis ik in zijn verhaal een belangrijk deel van de geschiedenis. Democratie en democratisering bestaan al langer dan D66, waar van Oenen’s verhaal mee begint. Ik mis in zijn boek de arbeidersbeweging, de emancipatie van de werkende bevolking die in vakbonden en politieke partijen onder de macht van het kapitaal probeert uit te komen. Zeggenschap in bedrijven is een onderwerp dat niet of nauwelijks wordt aangeroerd. Vakbonden ben ik niet tegengekomen. En juist als het gaat om economische democratie zou er toch ook een verhaal geschreven kunnen worden over hooggespannen, maar helaas gefrustreerde verwachtingen. Ook hier lijkt de schrijver aan voorbij te gaan.

Algoritmen

Is de democratie ten dode opgeschreven als burgers vermoeid afhaken? Nee, zegt Van Oenen. De digitale samenleving biedt uitkomst. De ouderwetse interactieve beleidsvorming in cafézaaltjes en conferentieoorden wordt vervangen door voortdurende peilingen en vooral door het gebruik van ‘big data’ die burgers op alle mogelijke platforms achterlaten en die de overheid in staat stellen de juiste keuzes te maken. Voor de burger, zonder directe inbreng van de burger. “Openbaar bestuur op basis van artificiële politieke intelligentie”: is dat nog wel democratie? Van Oenen vindt van wel, al noemt hij het eerder een ‘service’ van de overheid aan de burgers. “De overheid wordt adviseur van de burger, in plaats van de burger controleur van de overheid.” Hij refereert aan een PVV-sympathisant die op een inspraakbijeenkomst een partij of systeem eiste “die mijn belangen en inzichten zo direct mogelijk vertegenwoordigt.” En Van Oenen concludeert dan: “Een partij kan dat niet, maar een algoritme kan dat wel.” Even gaat hij nog in op de vraag of we algoritmen kunnen vertrouwen. Maar deze problematiek laat hij naar mijn smaak toch te veel liggen. Ten onrechte, aangezien algoritmen producten zijn van menselijk denken en allerlei vooringenomenheden kunnen bevatten met een sturende werking. Ze zouden daarom op z’n minst openbaar moeten zijn en onderwerp van (ouderwetse) politieke beraadslagingen (zie Cathy O’Neills Weapens of Math Destruction;How Big Data Increases Inequality and Threatens Democracy)

In vergelijking met de kritische en diepgaande analyse van de achtergronden van de ‘overspannende democratie’ stelt het positief gestemde geloof van Van Oenen in de gedigitaliseerde oplossing van ons politieke vermoeidheidsprobleem mij helaas enigszins teleur. Ondanks dat: een aanrader, dit boek, voor iedereen die zich wel eens afvraagt waar het heen gaat met onze democratie.

Eerder verschenen op Sargasso