Vrijdag, 13 maart, 2020

Geschreven door: Lee, Min Jin
Recensie door: Nooij, Marjon

Pachinko

Veel beslissingen in het leven worden op de gok genomen

Hoewel thuis maar een begrip is, een woord, is het een krachtig woord,
krachtiger dan de krachtigste bezwering ooit door tovenaars uitgesproken
of door geesten beantwoord.
Charles Dickens – ‘Martin Chuzzlewit’

[Recensie] Pachinko*– een titel die tot de verbeelding spreekt – is het relaas over de politiek-historische geschiedenis van Koreaanse migranten in Japan – de periode van 1910 tot 1989 – en wordt als een rode draad verweven in deze fascinerende familiesaga over vier generaties van een kleine Koreaanse familie. Een fictieverhaal gebaseerd op waargebeurde feiten.

In 1910 lijft Japan Korea in, de Japanse kolonisatie die gepaard gaat met veel politieke onrust. Het Koreaanse leven wordt zwaarder door de krappe financiƫle middelen. Yangjin, Hoonie en hun dochter Sunja hebben hun huis in het vissersdorpje Yeongdo opengesteld voor betalende kostgangers. Onder hen de doodzieke jonge dominee Baek Isak, die het huis aandoet omdat zijn broer Baek Yoseb hem heeft verteld van zijn goede ervaringen daar. Wanneer Sunja zwanger raakt van de getrouwde Koh Hansu, stelt hij voor dat hij haar een huis geeft en financieel voor haar en hun kind garant zal staan, maar wanneer ze hoort dat hij een getrouwd man is en vader van drie kinderen wil ze niets meer met de hem te maken hebben.

Isak hoort van de zwangerschap en biedt aan om met haar te trouwen en het kind als de zijne te aanvaarden. Zijn enige wens is om samen naar Japan te reizen om zich bij zijn broer en zijn vrouw Kyunghee te voegen en zich sterk te maken voor het Koreaanse christelijke geloof. Sunja neemt het aanbod van de integere man aan en ze vertrekken naar Osaka waar we het verhaal van Sunja verder volgen.

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

“Ze stapten uit in Ikaino, het getto van de Koreanen. Toen ze daar aankwamen bij het huis van Yoseb zag het er heel anders uit dan de mooie huizen die ze op de route vanaf het starion was gepasseerd. De lucht van beesten verdrong die van eten dat werd klaargemaakt en zelfs de stank van de privaathuisjes. Sunja wilde een hand voor haar neus en mond slaan, maar hield zich in.

Ikaino was een onzalig oord, een samenraapsel van sjofele woningen. Het waren krotten, ondeugdelijk in elkaar gezet met tweederangs materiaal. […] Veel metalen daken waren doorgeroest. De woningen waren niet veel steviger dan hutten of tenten.”

De Koreaanse auteur Min Jin Lee woonde in 1989 een lezing bij over de zainichi, zoals de Koreaanse migranten tijdens de Japanse kolonisatie wel werden genoemd. Met haar man verhuisde ze jaren later naar Tokio en kreeg ze de kans om Koreaanse migranten te interviewen. Ze heeft bijna dertig jaar zitten ‘broeden’ op dit verhaal en dat komt in de details en feiten goed naar voren.

Over het algemeen dichtten de Japanners de Koreanen negatieve stereotypen toe en kregen de zainichi te maken met onrechtvaardigheid, discriminatie en slechte leefomstandigheden. Het verkrijgen van een permanente verblijfsstatus of de Japanse nationaliteit bleek een zeer ingewikkelde aangelegenheid. Zelfs kinderen die in Japan zijn geboren moesten zich op hun achttiende nog officieel melden voor hun papieren. Voor hetzelfde werk kregen de Koreaanse mannen minder betaald dan hun Japanse collega’s. Het bleek zeer eenvoudig om Koreanen zonder proces op te sluiten en ze jarenlang onder erbarmelijke omstandigheden te laten verpieteren. Zonder bezoek, zonder voldoende voedsel en zonder uitzicht op vrijlating. Een ernstige ziekte en aanstaande dood waren de enige kansen om met de familie herenigd te worden. Dit overkomt ook Isak. Hij wordt in de aanloop van de Tweede Wereldoorlog gevangen gezet, omdat hij het opneemt voor een christenjongen. Sunja en haar zoontjes Noa en Mozasu – De laatste is ook Izak’s kind – worden als vanzelfsprekend onderhouden door haar zwager en schoonzus, maar ze wil toch zelf ook haar kostje verdienen door zelfgemaakt etenswaar te verkopen op de markt. A hell of a job voor een migrant om tussen de Japanse marktlieden een plaatsje te vinden, maar de dappere Sunja zet door en zoekt mogelijkheden om haar kinderen een goed leven te bieden en hen te kunnen laten studeren. Ze moet soms noodgedwongen haar trots opzij zetten door onorthodoxe beslissingen te nemen.

Noa en Mozasu hebben buitenshuis geen gemakkelijk leven en hebben het moeilijk met hun Koreaanse afkomst. Ze zijn vaak slachtoffer van vooroordelen en pesterijen, zelfs Muzasu die in Japan is geboren. Vooral de intelligente Noa probeert op school ijverig te zijn, stilletjes in de achterhoede te blijven en zich voor te doen als een Japanner. Tijdens zijn volwassen leven weet hij het, uit schaamte voor zijn afkomst, zelfs geheel te verbergen dat hij geen Japanner is. Zonder dat ze het weet blijft Hansu op de hoogte van het wel en wee van Sunja en de kinderen en zijn rol in haar kleine familie blijft groot. Hansu zit goed in zijn slappe was, runt restaurants, een pachinkohal en wordt gezien als een rijke yakuza**, maar wanneer de nood hoog is brengt hij haar spullen en voedingsmiddelen.

“Ik heb vlees en gedroogde vis meegebracht. Er zitten ook blikken fruit en chocoladerepen bij uit Amerika. […] In de onderste krat zitten lappen stof; volgens mij kunnen jullie allemaal wel  wat nieuwe kleren gebruiken. Er is een schaar bij, er zijn naalden en garen’, zei hij, trots dat hij met die spullen was komen aanzetten. ‘De volgende keer neem ik wol mee.’

Sunja wist niet meer wat ze hiermee aan moest. Niet dat ze ondankbaar was. Waar het op neerkwam was dat ze zich schaamde voor haar leven, haar machteloosheid.”

Wanneer de Tweede Wereldoorlog op de achtergrond woedt, is het voor de familie te gevaarlijk om terug te keren naar Korea. In 1950 breekt de Koreaanse oorlog uit en wordt het moederland opgedeeld in Noord- en Zuid-Korea, waardoor de kans op terugkeer nog kleiner is geworden. Alle leden van de hardwerkende familie van Sunja krijgen gedurende hun leven van doen met het maken van keuzes. Niet elke keuze blijkt achteraf de juiste of meest verstandige te zijn. Soms is het maken van een keuze een gok en zo kom ik terug bij de titel van het boek.

Zowel in het leven als bij de Pachinko moet je soms een gok nemen en weet je  van te voren niet hoe het zal lopen. Er wordt gespeeld in de hoop geluk te hebben. Als metafoor is Pachinko fraai verweven in dit ingrijpende verhaal.

“[…] er konden maar een paar winnaars en veel verliezers zijn en toch speelden we verder, omdat we hoopten dat we de gelukkigen zouden zijn. Hoe kon je boos worden op diegenen die in het spel wilden zijn? Pachinko was een dwaas spel, maar het leven niet.”

De personages zijn boeiend en levensecht neergezet. Ze worden psychologisch fantastisch uitgediept, zodat het met hen identificeren als vanzelf gaat. De familieleden zijn liefdevol voor elkaar, ook in de moeilijke tijden, maar het wordt pijnlijk duidelijk dat schaamte de liefde danig in de weg kan zitten. Het boek opent met zeer beeldend, beschrijvend, minutieus en gedetailleerd proza. Soms misschien iets tĆ© beschrijvend, zodat er niets aan het toeval wordt overgelaten en je als lezer minder zelf hoeft na te denken, maar doordat het geen westers land betreft – met andere tradities en gewoonten – is dat absoluut niet storend en maakt het dit verhaal juist zeer levend en echt.

Mijn ervaring met boeken die een periode van veel jaren overspannen, is dat ik in het laatste gedeelte vaak wat teleurgesteld raak. (Bij een prachtig boek dat in een tweede deel voortborduurt op het succes van het eerste deel heb ik dat ook.) Zoals er, in de bijna tachtig jaar dat dit verhaal overspant, veel verandert in de loop der tijd, zie je ook de schrijfstijl veranderen van lieflijk proza naar meer grimmiger in oorlogstijd en naarmate we dichter naar het heden komen. In het derde en laatste deel raakt ook dit boek wat van zijn betovering kwijt. Doordat de familiestamboom uiteraard groter en breder wordt, komen er logischerwijze meer personages ten tonele. Het is jammer dat er dan, in tegenstelling tot de eerste twee delen, minder aandacht wordt besteed aan het psychologisch uitdiepen van die karakters. Het epische van het verhaal blijft daar jammer genoeg meer aan de oppervlakte en het krijgt een wat vluchtig, gehaast karakter.

Toch raad ik wel aan om dit schitterende boek te lezen. Het hield mijn aandacht vast tot de laatste bladzijde, de fictie die op waarheid is gestoeld is interessant en in het dankwoord geeft de auteur aan hoe het verhaal is ontstaan. De vele verhaallijnen zorgen voor een behoorlijke gelaagdheid. Een helder, rijk, maar hartverscheurend verhaal. Ik heb me absoluut geen tel verveeld. Kijk ook eens naar de prachtige stofomslag en cover. Tal van kraanvogels staan erop afgebeeld. In Aziatische landen staat deze vogel als geluksbrenger symbool voor een lang leven, vrede en gerechtigheid. De boodschapper van wijsheid en het symbool van vrijheid.

Pachinko* is een mechanisch spel dat van oorsprong uit Japan komt en beschouwd wordt als een arcadespel, maar veel vaker als een gokautomaat. Het is in grote mate vergelijkbaar met de westerse gokautomaat. Een pachinkomachine lijkt op een verticale flipperkast, maar heeft geen flippers en maakt gebruik van een groot aantal kleine balletjes.

De Yakuza** is een Japanse criminele organisatie die al meer dan 100 jaar actief is. Door de buitenlandse pers wordt de Yakuza ook wel de Japanse maffia genoemd. In Japan zelf staat de organisatie verder bekend als gokudō of bōryokudan; ‘gewelddadige groep(en)’ bij de Japanse politie en de media, en als ninkyō dantai; ‘ridderlijke organisaties’ binnen de Yakuza zelf.

Over de auteur

Min Jin Lee is in 1968 geboren in Seoul, Zuid-Korea. In 1976 verhuisde ze met haar familie naar New York waar ze opgroeide. Als nieuwe immigrant leerde ze lezen en schrijven in Queens bibliotheek. Ze studeerde geschiedenis en rechten en van 2007 tot 2011 woonde ze vier jaar in Japan. In haar werk heeft ze zich laten beĆÆnvloeden door Middlemarch van George Eliot, Cousin Bette van HonorĆ© de Balzac en de Bijbel. [Bron: Wikipedia]


Eerder verschenen op Met de neus in de boeken