Donderdag, 5 november, 2020

Geschreven door: Akkerman, Philip
Artikel door: Reinewald, Chris

Philip Akkerman: Kunstenaarsdagboek (1981-2019)

Telkens hetzelfde zelfportret – maar dan anders

[Recensie] In navolging van de Britse filmacteur Dirk Bogarde hield de verstokte zelfportrettist Philip Akkerman (1957) sinds zijn 24e een eigenwijzig dagboek bij.

Het nu voor vreemde ogen toegankelijke en uitgegeven dagboek geeft een goed inkijkje in het hoofd van de Haagse kunstenaar, die sinds 1981 ruim 4000 zelfportretten maakte.

Beeldend kunstenaars die ook goed kunnen schrijven zijn schaars. Misschien wel interessanter dan de fictie van Jan Wolkers en Jan Cremer of Armando’s karige non-fictie en poëzie zijn persoonlijke aantekeningen of brieven van een kunstenaar. In veel buitenlanden is Vincent van Gogh en zijn brieven zelfs het enige wat uit het Nederlands vertaald is.

In het begin van zijn aantekeningen onderzoekt Akkerman welke kunst en cultuur hij de moeite waard vindt. Van Gogh! Jazeker, maar ook de conceptueel kunstenaar Stanley Brouwn. “En in het buitenland Gerhard Richter, Hanne Darboven, Bruce Nauman, Ed Ruscha. “… soms Pen[c]k, Kiefer, Penone.” De eerste Nederlandse graffiti-museumexpositie in “Godfried Bomans-Van Beuningen” [een woordspeling op Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam] bevalt hem ook prima. Directeur Rudi Fuchs “is een lul” omdat hij Akkermans, aan het Haags Gemeentemuseum verkochte, schilderijen botweg afbestelde. Ook lezen we welke arbeidsvitaminenmuziek Akkerman op zijn atelier speelt (terug te horen op Spotify): snoeiharde funk, soul en een verdwaald Verdi requiem. Kortom, een bont geheel aan invloedsbronnen, wat niet verwondert.

Bazarow

Het ik als idee en oefening

Als jong student aan de Ateliers, een kunstenaars-vervolgopleiding, werd Akkerman bevangen door wilde ideeën, die alleen zijn dagboek halen. Zijn arbeidsethos blijkt groot. Stokt een schilderij dan slaat hij zijn schrift open en spreekt/schrijft zichzelf ernstig toe: “Wat? Geen zin meer? Man, ga door, luilak, je begint net!”

Akkerman ontwikkelde zich tijdens het postmodernisme van de jaren ’80. Toen vervaagde de scheiding tussen high en low-culture en deed artistieke inhoud er (even) niet toe. Zo kon het gebeuren dat Akkerman op een dag een stuurs, schools zelfportret schilderde. En nog een en nog een. Niet omdat hij zich zo’n Adonis vond. Het ik fungeerde als idee en oefening.

Een zelfportret maak je namelijk zelden uit ijdelheid, maar meer uit gemak. Met een spiegel erbij heeft de schilder immers altijd zichzelf als model beschikbaar. Van oorsprong liet een kunstenaar met zelfportretten met tronies (extreme gezichtsuitdrukkingen) aan potentiĂ«le klanten te laten zien hoe goed hij zijn mĂ©tier beheerste: zoals Rembrandt. 

Akkerman schildert vanuit het heden in totaal verschillende stijlen en technieken, die vaak teruggaan tot vorige eeuwen. Met zichtbaar genoegen struint hij de kunstgeschiedenis af.  Dat dwingt hem tot het beoefenen van bijbehorende schildertechnieken (tempera bijvoorbeeld) waarvan hij de receptuur in het dagboek noteert.

Akkermans benadering maakt zijn werk conceptueel: het is gebaseerd op een idee, dat hij telkens als zelfportret hetzelfde maar stilistisch anders invult. De opgelegde beperking biedt hem oneindig veel vrijheden. Akkerman zet telkens expressieve tronies op: ook een bewijs van technisch kunnen. Dan lijkt hij een fauvist, felle kleuren als bij Matisse, dan weer een duivelse mix tussen de Duitse expressionist Otto Dix en de 16de eeuwse Matthias GrĂĽnewald: een oranjebruine fronsgezicht als leren zak voor een citroengele achtergrond. Of hij meet zich vlassige bakkebaardjes aan, zoals de wat slomige Caspar-David Friedrich, Duits-Romantisch landschapsschilder die ook placht te dragen.

Dat Akkerman vaak ‘iets lelijks’ produceert stemt hem tevreden, noteert hij. Elders lezen we dat hij zich in een periode zĂł goed oefende in het schilderen in Ă©Ă©n kleur (uiteraard in verschillende gradaties) dat het hem daarna moeite kost meer kleuren op zijn palet te gebruiken.

Implosief

In het hoofd van Akkerman is het vaak een chaos aan tegenstrijdige gedachten. Geen probleem. Die bedwingt hij door een eenduidig schilderij te maken. En dat verklaart ook dit dagboek. Akkerman schaart zich daarmee bij uiteenlopende grootheden als Albrecht Dürer, Eugène Delacroix of Keith Haring die ook lezenswaardige dagboeken over werk en/of dagelijks leven bijhielden.

Veel meer privé dan concerten en films die Akkerman bezoekt en boeken die hij leest staat er echter niet in de dagboeken. Hij blijkt een liefhebber van Gerard Reve en zo van de filosoof Arthur Schopenhauer. Veelzeggend is Akkermans ongemak als kunstcritici hem ondervragen. Blijkt hij door het avantgarde kunstblad Metropolis M (waarin iedereen wil staan) net verkeerd te zijn geciteerd!

Of een strenge kunstcritica confronteert hem in een krantenrecensie met een onverwacht oordeel over zijn werk. Achteraf deelt Akkerman zijn twijfel met vrienden die zo’n kritiek notabene wél raak vinden.

Van Akkerman bestaan al de nodige platenboeken met zijn zelfportretten die het sterkst werken als je er meer bij elkaar ziet. Dit boek beperkt zich tot een bravig, schools zelfportret uit het begin tot recente deconstructivistische verbeelding waarin Akkermanns norsigheid geĂŻmplodeerd lijkt.

Dit dagboek is dus een heus leesboek met een klein gezette tekst vol witregels en de onvermijdelijke authentieke kunstenaarsfoutjes in persoonsnamen. Helaas geen register. Dat maakt het naslaan voor later citeren een tijdrovend klusje. Bij het lezen dus maar meteen kleurige plakkertjes erin stoppen. Met dit kunstenaarsdagboek op het nachtkastje ontwaak je geheid als ander mens zoals de transformaties die Akkerman zichzelf telkens weer oplegt.

Eerder in kortere vorm gepubliceerd in Museumtijdschrift