Vrijdag, 12 februari, 2021

Geschreven door: Glück, Louise
Artikel door: Kristensen, Brede

Poems 1962-2012

Louise Glück: winnares Nobelprijs literatuur 2020

[Recensie] Ieder jaar zijn er tientallen schrijvers en dichters te vinden die in aanmerking komen voor de Nobelprijs voor literatuur. De lijst van voordrachten uit diverse landen is lang, maar het is een jury van de Zweedse Academie die daaruit een keus maakt. Die keus kent een lange traditie van verrassingen en vooral de laatste jaren deden die de wenkbrauwen van het literaire en lezende publiek vaak fronsen. De kritiek was niet van de lucht en de Zweedse Academie maakt twee jaar geleden schoon schip. Dit jaar viel de keus op de relatief onbekende Amerikaanse dichter Louise Glück. Alhoewel niet verwacht, is wereldwijd met grote instemming gereageerd. In mijn ogen terecht.

Barack Obama

Glück werd in 1943 in New York als dochter van Joods-Hongaarse immigranten geboren. Naar het schijnt onderhield zij een lastige relatie met haar moeder van wie ze zich maar moeilijk kon losmaken. Haar oudere zus overleed voordat zij werd geboren. Als tweede dochter werd Louise beschermd opgevoed. Haar ouders, die nooit in de gelegenheid waren een academische studie te volgen, maakten Louise al jong bekend met Griekse mythen en literatuur in het algemeen. Haar studie verliep moeizaam vanwege lange perioden van psychotherapie die ze ontving. Bovendien, zo verklaarde ze “my emotional condition, my extreme rigidity of behavior and frantic dependence on ritual made other forms of education impossible.” Al op jonge leeftijd begon ze te dichten. Vanaf 1968 publiceerde ze met regelmaat, ontving tal van prijzen maar werd nooit populair. Dat begon eigenlijk pas toen president Barack Obama haar enkele jaren geleden huldigde als belangrijke Amerikaanse dichter.

Glück is geen dichter van intieme gevoelens, maatschappelijk protest of metafysische gedachten. Ze is een dichter die aanvankelijk verhalende poëzie schreef en zich geleidelijk aan ontwikkelde als dichter die hardop denkt en overdenkt. Naar aanleiding van een gebeurtenis. Met vaak een Griekse mythe als oriëntatiepunt. Bijvoorbeeld in een tweetal bekende gedichten, getiteld Persephone, 1e versie en 2e versie.

Geschiedenis Magazine

Macaber verlangen

Persephone was de Griekse godin van de vruchtbaarheid en dochter van Demeter, godin van de oogst. Op een kwade dag werd Persephone ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld, destructie en dood. Moeder Demeter was radeloos maar moest zich erbij neerleggen dat haar bloedschone dochter de ‘koningin van de onderwereld’ werd en misbruikt door Hades. In versie 1 vraagt Glück zich af hoe het zat met Persephone. Werd ze met geweld en tegen haar zin door Hades meegesleurd? Of was er bij haar dochter ook sprake van een geheimzinnig macaber verlangen één te worden met die overweldigende god van de hel. Hoe tegenstrijdig is ons leven. Ook vraagt ze: waar is haar ‘thuis’? Daar in de onderwereld, in het bed van Hades? Of op aarde, als tijdens die korte en vreugdevolle lentetijd Persephone door toedoen van oppergod Zeus mag terugkeren om de lente in te luiden, waarin uiteraard het sterven al besloten ligt. ‘ Thuisgevoel’  is een vreemd en verraderlijk gevoel en verre van duurzaam. Wat wilde ze eigenlijk? Had ze wel een ‘eigen’ of ‘eigenlijke’ wil? Deze voor Glück kenmerkende zin zet ons daarover aan het denken: “there is no point in knowing what you want / when the forces contending over you / could kill you.”

In versie 2 is de moeder aan de beurt. Hoe zit het met moeder Demeter? Waarom kon ze niet loslaten? Is geboorte voor een moeder niet een loslaten? Heeft dat te maken met het idee dat de ander, het kind uit haarzelf voortkomt, dat er dus eigenlijk helemaal geen ‘ander’ is? Eerder zoiets als een verlengstuk? Glück biedt ons hier een hele dieptepsychologie van het moederschap en de moeder-dochter relatie. De moeder denkt: “I remember when you didn’t exist… The child is puzzled; later, the child’s opinion is she has always existed…” Inderdaad, ieder mens heeft ‘ergens’  een vreemd gevoel dat we er altijd al waren, dat ons bestaan nooit een begin had. Misschien omdat we ons eenvoudigweg geen voorstelling kunnen maken van ons niet-bestaan.  Terwijl we geen moeite hebben met het niet-bestaan van mensen die er nog niet zijn. Hen kennen we niet.

Een andere, aan het denken zettende zin luidt: “Eenmaal zien we de wereld, in onze kindertijd… de rest is herinnering.” Als kind hoorden we iets en werden ons in een flits bewust hoe de wereld en hoe mijn bestaan in elkaar steekt. Glück heeft iets stugs en onverzettelijks. Ze houdt aan dit inzicht vast. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, want ze kan niet nalaten over 1001 andere dingen na te denken, zodat de wereld er toch een beetje anders lijkt dan tijdens die kinderflits.

Poeshkin

Het is hier niet de plaats om te onderzoeken in hoeverre Glück door de grote Russische dichter Alexander Poeshkin wordt beïnvloed. Ik ben van mening dat die invloed allengs is toegenomen. Onbewust wellicht maar in dit gedicht was ze zich ervan bewust, getuige de expliciete vermelding ‘after Pushkin’.

Omen

“I rode to meet you: dreams
Like living beings swarmed around me
And the moon on my right side
Followed me, burning

I rode back: everything changed
My soul in love was sad
and the moon on my left side
Trailed me without hope

To such endless impressions
We poets give ourselves absolutely,
Making, in silence, omen of mere event,
Until the world reflects the deepest needs of the soul.”

Ik ben op zoek gegaan bij Poeshkin. En kwam het gedicht: tekenen van bijgeloof tegen. Onmiskenbaar het gedicht waarop ze zich baseerde. In Engelse vertaling:

I drove to you: my dreams were bright
And winding behind me like playing;
The crescent, set on my right side,
Was gaily following my traveling.

I drove back: my dreams were blind,
My loving soul was in sadness;
The crescent, set on my left side,
Was accompanying me – the hapless.

Thus, in a silence, every bard
Falls in his dreams’ eternal vision; 
Thus tokens of superstition,
Well-coincide with moods of heart.”

Dat Glück zich met Poeshkin verwant voelt lijkt me boven twijfel verheven. Maar niet zonder belangrijke verschillen. Poeshkin laat wat er gebeurt over zich heen komen, als voorteken. Zijn dromen, teleurstellingen en verwachtingen verwoordt hij lichtvoetig, in schitterende taal. Zijn charme wint het van zijn passie, terwijl een zachte mineurstemming uiteindelijk het laatste woord heeft. Gelijk de muziek van Mozart. Glück daarentegen spant zich in om in het gebeuren, emotioneel verhevigd, tekens te ontdekken. De maan brandt en geeft aan op de terugweg zonder hoop te zijn. Het gebeuren verheft ze bewust tot een dreigend voorteken. Terwijl Poeshkin bijkans nuchter eindigt met de constatering dat er tekenen zijn die overeenkomen met onze gestemdheid. Wat dat laatste betreft, daar tonen beide dichters iets van de kern van hun dichterschap. Poeshkin ‘weet’  als het ware dat ons leven van begin tot einde verbonden is met anderen, met de omgeving, met alles wat gebeurt, het universum en dat het daarvan tevens de uitdrukking is. Glück is naarstig op zoek naar aanwijzingen om daarvan een bevestiging te krijgen. Mij dunkt een rode draad die door haar werk heenloopt. Voor haar staat dichten gelijk met zoeken, ontdekken, hopend op ontwaken.

Rode draad

“Haar poëzie stuurt ons de wereld in en maakt ons klaar wakker”, schreef de New York Times. Poëzie wekt bewustzijn. Verdiept bewustzijn bovendien. En daarmee begint ook gelijk de ellende. In haar woorden: “het is lastig overleven als bewustzijn… begraven in donkere aarde.”  Ze wil zien, maar ze merkt: “ik ben als een kind dat haar hoofd in het kussen verbergt, om niet te hoeven zien….als een kind dat tegen zichzelf zegt : licht stemt droevig.”  In het licht worden we gewaar dat ieder gebeuren vol betekenis is en ons iets onthult over verleden en toekomst. Dus ook voorteken.

Daarmee raken we een andere rode draad in haar poëzie. Volwassenwording betekent meestal geboeid worden door de zucht naar roem, rijkdom en overleving. Onze reflectieve blik richt zich naar binnen, naar ons wereldje van vanzelfsprekendheden: donkere aarde, ommuurde wereld, waarbinnen ons geklets aanstekelijk werkt en niet van ophouden weet. ’s Zomers warmen de muren op. Ongemerkt koelen ze ’s winters af. Ze worden koud en doods. “Kijkend naar de muren, denken we niet aan een gevangenis”, merkt ze op in haar prachtige gedicht over olijfbomen. Eerder aan al die dingen die ons angst inboezemen en waarvoor we zijn weggelopen of waarmee we geen raad weten, zoals de schoonheid van de olijfboom. Zo raken we verstrikt in de benauwde wereld van onze individuele en collectieve levensleugens. Dat zich buiten de muren de schitterende zilverkleurige olijfbomen met hun mysterieuze verhalen bevinden, ontsnapt aan onze aandacht. Daarover geen reflectie. We luisteren niet en begrijpen niet “en aanstonds zullen we helemaal niets meer begrijpen”.  Onze ziel wordt stil, behalve wanneer ze tot ons spreekt in dromen. En wat is poëzie anders dan het verwoorden van die dromen? Van de dingen die we niet ‘zien’. Aldus Glück.

Richting

Haar poëzie heeft overigens niets ‘dromerigs’. We worden niet getrakteerd op vrome, motiverende spreuken gedachten en clichés. Integendeel, we worden geconfronteerd met de duistere beperktheden en kortzichtigheden van ons bestaan. Het scherm waarachter een schemerend licht schijnt.  “From within the earth’s / bitter disgrace, coldness and barrennes / my friend the moon rises / she is beautiful tonight”. Probeer het te zien. Elders vergelijkt ze  poëzie met een vuurtoren die de weg wijst, ‘echter’ , waarschuwt ze, “naarmate we zwemmend de vuurtoren naderen, merken we dat hij wijkt.” We arriveren niet, we blijven zwemmen, de golven trotserend. Komen we weer boven dan zien we het licht van de vuurtoren die ons de juiste richting wijst.

In de hectiek van alledag, die we de harde werkelijkheid noemen, is geen tijd voor poëzie. Maar we hebben poëzie nodig om over de muren van onze werkelijkheid heen te kijken. Om onder ogen te zien dat verlies, twijfel, eenzaamheid en duisternis evenzeer onderdeel van ons leven zijn als helderheid en vreugde. En om, zoals kinderen, te zien dat de wereld niet alleen maar werkelijkheid is, maar bovenal ‘mogelijkheid’. Om te voorkomen dat ons bestaan begint samen te vallen met onze werkelijkheid, de spanning verdwijnt en het leven wegebt. In haar werk worden we een duizelingwekkende myriade van grote en kleine gebeurtenissen gewaar, die ons het zicht dreigen te ontnemen op de wereld van betekenis. Hoe onthullend schittert dan Glück’s poëzie.

Eerder verschenen op Amigoe