Woensdag, 5 februari, 2014

Geschreven door: Brusselmans, Herman
Artikel door: Bergman, Henk

Poppy en Eddie en Manon

Manon is een bij voorbaat verloren zaak

Ik moet iets bekennen wat me zwaar valt: ik ben niet langer een onvoorwaardelijke Herman Brusselmans-fan. De afgelopen jaren twijfelde ik al geregeld, maar dat wilde ik mezelf niet toegeven. Nu kan ik er niet meer omheen. Ik heb de ruim 500 pagina’s van Poppy en Eddie en Manon uitgelezen omdat ik niet wilde opgeven. Maar het kostte moeite. Brusselmans-geouwehoer was altijd geouwehoer van sublieme kwaliteit. Dit is geouwehoer op zesjesniveau.

Herman Brusselmans. Ik heb hem in kringen van (vermeende) literatuurkenners vaak verdedigd als een van de beste Nederlandstalige auteurs van de afgelopen dertig jaar. Die man met dat lange haar, dat pokdalige gezicht en die grote mond: ja, ik vond hem goed. Soms zelfs erg goed. Maar waarom schrijft hij geen boeken meer als Het einde van mensen in 1967, Nog drie keer slapen en ik word wakker en De terugkeer van Bonanza? Ligt het aan zijn gigantische productie: 62 boeken in 33 jaar? Daar mogen natuurlijk minder geslaagde pogingen bij zitten. Maar de teruggang in kwaliteit is – zeker voor de doorgewinterde HB-liefhebber – nu te groot en duurt te lang.

Aan elkaar knopen

Ik genoot altijd zo van Brusselmans omdat hij ten minste één groot talent heeft: een onbegrensd vermogen om zaken met elkaar te verbinden. Losse, schijnbaar op zich staande gebeurtenissen en overpeinzingen knoopt hij moeiteloos aan elkaar op het moment dat je je als lezer afvraagt waar het verhaal in vredesnaam naar toe moet. Wat aanvankelijk oeverloos geouwehoer lijkt, krijgt later alsnog een logische ordening. De ik-figuur is een soort satanische regisseur, die de levens en liefdes van de hem omringende mensen verbindt en er wat seks en geweld in aanbrengt om de sleur te doorbreken. Dat is nodig, want anders wordt het bestaan wel erg overheerst door angst, verveling en wanhoop. Zin heeft het leven niet, hoegenaamd niet, maar soms kan het wel aangenaam zijn. Bijvoorbeeld als je op je balkon zit, op nieuwe stoelen, en kunt verzuchten ‘dat het allemaal erger had gekund’.

In Poppy en Eddie en Manon is daar weinig meer van terug te vinden. De gebeurtenissen voltrekken zich traag en voorspelbaar. De hoofdpersoon is door zijn vrouw (Poppy) verlaten; ze heeft ook hun hondje (Eddie) meegenomen. Contact tussen de exen is er nog steeds; veelvuldig zelfs. Van ruzie of oorlog is hoegenaamd geen sprake; alles verloopt in een sfeer van opperste vriendelijkheid. Dat verandert niet als Manon ten tonele verschijnt: de 25-jarige vrouw met wie de 56-jarige schrijver/verteller een verhouding begint. Honderden pagina’s zijn gewijd aan de mooie momenten die hij met Manon heeft, maar toch vooral aan de twijfel die hem vanaf het begin van de relatie in zijn greep heeft.

Boekenkrant

Zal ik Manon verliezen? Op dit moment, het tussendoorse moment genaamd zestien minuten voor drie in de nacht van 4 op 5 januari 2014, ziet het ernaar uit. Manon in geen twee dagen gehoord, niet gezien. Alleen een aantal te mijden sms’en heen en weer. Sms’en die m’n nachtelijke bloed doen koken, die me doen kruipen naar de ochtend, in de hoop dat deze reeds op voorhand verloren ochtend soelaas zal bieden. Soelaas, dat is het kernbegrip. Soelaas, helaas, Walhalla’s. Noem maar op. En bij Poppy troost zoeken is moeilijk, zij zit op Ibiza.’

Zie daar de majeure vraag in dit boek: kan dat wel, een verhouding met een 31 jaar jongere vrouw? Welke gevaren liggen er op de loer? De verbale uitbarstingen daarover gaan – zeker door de vele herhalingen – na een tijdje behoorlijk vervelen. Waaraan ik me haast toe te voegen dat je wel Herman Brusselmans leest; het zesjesniveau kent gelukkig regelmatig uitschieters. Maar Manon is natuurlijk een bij voorbaat verloren zaak.

Stijl

Er viel me nog iets op. Brusselmans gebruikt regelmatig een nieuw soort stijlfiguur. Twee voorbeelden: ‘Horst was een ss-man, die door z’n positie binnen de nazihiërarchie veronderstelde dat hij kon papbrokkelen’ (pag. 169) en ‘Wat een leidakje had kunnen zijn, lijkt wel oplossingsloos’ (pag. 263). Op mij kwam het geforceerd en on-Brusselmans over. Ik kreeg daarbij de welkome steun van Manon: ‘Ze kijkt over m’n schouder en zegt: schrap dat leidakje, schrap oplossingsloos’ (pag. 263).

Nog één kort citaat (pag. 241): ‘Ik houd niet op met het te zeggen: literatuur moet in de eerste plaats amuseren.’ Laat ik het daar nu helemaal mee eens zijn.

P.S. Ik blijf Herman Brusselmans in kringen van (vermeende) literatuurkenners verdedigen als een van de beste Nederlandstalige auteurs van de afgelopen dertig jaar.


Eerder verschenen op Recensieweb

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *