Zondag, 13 augustus, 2017

Geschreven door: Mason, Paul
Artikel door: Jaeger, Anton

Postkapitalisme

Paul Masons Postkapitalisme. Pamflet of profetie?

Een teken des tijds: lijvige studies waarin het kapitalisme wordt ontleed, uitgekleed of ontmanteld prijken in de bestsellerslijstjes. Na Piketty en Varoufakis mogen we nu ook Paul Masons Postkapitalisme toevoegen aan die merkwaardige categorie van goedverkopende aanklachten tegen het kapitalisme. Mason gaat nog een stap verder. Hij klaagt het kapitalisme niet aan, hij verklaart het voorbij. Of toch bijna: het magische voorvoegsel ‘post-’ roept in elk geval de mogelijkheid van het einde van een tijdperk in het leven. Maar wat gloort er dan precies aan de einder?

[Recensie] Paul Mason is alomtegenwoordig. Een zomer lang volgde hij als journalist de Griekse schuldencrisis, superviseerde hij de vorming van het nieuwe Labour-kabinet onder Jeremy Corbyn, bracht hij een film uit en, waarom niet, een bestseller. Zijn boek Postkapitalisme kreeg als wervende ondertitel Een gids voor de toekomst. Omdat we meer dan ooit de toekomst somber inzien en permanent om zelfverklaarde gidsen verlegen zitten, is de Engelsman met het flegmatieke arbeidersaccent intussen een van de meest gegeerde talkshowgasten. Na de Angelsaksische heeft nu ook de Vlaamse pers hem in het vizier gekregen. De Standaard riep Paul Mason prompt uit tot ‘de intellectuele erfgenaam’ van Karl Marx, een man die ‘linkser dan Piketty’ zou zijn.

Marx zonder werk

In Mason lijkt het marxisme inderdaad een van zijn vurigste verdedigers teruggevonden te hebben. Het einde van het kapitalisme, al vaker vergeefs aangekondigd, zou nu Ă©cht aangebroken zijn. In de opkomst van de zogenaamde deeleconomie, de historische lage winstvoeten van de westerse staten, de wanhopige pogingen van de Europese Centrale Bank om het bankenstelsel van liquiditeit te voorzien – door Mason samengevat als de ‘transitiesamenleving’ – herkent hij een unieke kans voor een nieuw links. “Een wereld zonder werk staat voor de deur”, concludeert Mason in Postkapitalisme.

Archeologie Magazine

Mason giet zijn verhaal in de mal van het marxistische vooruitgangsdenken. Ons economische leven, aldus Mason, was lange tijd georganiseerd volgens het algemene schaarsteprincipe. Alleen omdat er van bepaalde basisproducten slechts een beperkt aantal beschikbaar was, kon het huidige kapitalistische systeem zijn vraag- en aanbodmodel draaiende houden. Dat globale kapitalisme treedt, volgens Mason, nu echter een fase in waarin die balans tussen vraag en aanbod volledig ontwricht wordt. Steeds meer sectoren kennen nu een ‘oneindig’ aanbod, bij uitstek belichaamd door de netwerk- en downloadcultuur, waarin films en muziek nu steevast gratis bij consumenten terechtkomen. De reproductie ervan vergt geen concrete investeringen meer, en gebeurt – zoals in het geval van Masons favoriete Linux-besturingsprogramma – nagenoeg kosteloos. Het einde van die kapitalistische schaarste houdt in dat nagenoeg iedereen in de huidige samenleving toegang zal krijgen tot die productiemiddelen die voorheen nog in de handen waren van een selecte club bovenbazen. De laatste aflevering van Game of Thrones werd na haar lancering maar liefst 10 miljoen keer gratis – illegaal – gedownload. Ook andere producten zou nu eenzelfde toekomst wachten, aldus Mason, waarna die universele beschikbaarheid van nieuwe productiemiddelen de voornaamste sociale tegenstelling van het kapitalisme ‘onvermijdelijk’ zal opheffen: die tussen werkgever en werknemer. Zo ontstaat de samenleving die Mason ‘postkapitalistisch’ noemt. Een samenleving waarin het massale aanbod aan producten uiteindelijk ook de nood om te werken opheft. De roboteconomie zou die klus, arbeid dus, verder klaren zonder ons.

Liet het kapitalisme zich nog kenmerken door industriĂ«le revoluties, dan mag je er, volgens Mason, zeker van zijn dat de derde en meest recente industriĂ«le wende – onze huidige diensteneconomie en informatiemaatschappij, samen met de ingrijpende ‘platformrevolutie’ van Facebook en Twitter – wel degelijk de laatste zal zijn. Daarna vertakt de toekomst zich in een heldere tweesprong: ofwel volgt een autoritaire dictatuur, ofwel treden we een postkapitalistische utopie binnen. De crisis van 2008 was enkel een teken aan de wand: het kapitalisme kan zijn aloude winstzucht niet meer verzadigen en is dus ten dode opgeschreven.

De glitches voor de utopie

In vele kringen was de respons op Masons voorspellingen eerder achterdochtig. “Een recyclage van de jaren negentig”, toeterden enkele klassieke marxisten, die in Masons theorieĂ«n de profetieĂ«n uit de eerste jaren van het internettijdperk teruglazen. “Economisch onwaarschijnlijk”, gaven conservatieve critici te kennen. Masons viering van de zogenaamde ‘deeleconomie’ zou volgens hen misplaatst zijn in het licht van de doorgedreven commercialisering van diezelfde deeleconomie in recente maanden. De markt waarop ‘nul kosten’-bedrijven zoals Airbnb, Spotify en Uber kapitaliseren, zou eerder een verderzetting van dan een breuk zijn met vroege kapitalistische gewoontes.

Recente cijfers lijken hen gelijk te geven. Het monopolie dat grote spelers zoals Google en Airbnb bezitten, heeft in sommige Amerikaanse steden volledige buurten in toeristische megaresorts veranderd. San Francisco heeft te lijden onder ‘verlaten wijken’: leegstaande huizen staan er enkel nog ter verhuur open voor curieuze deel-toeristen. Gevolg: exit gemeenschapsgevoel. Zoals De Groene Amsterdammer het samenvatte: “De implicaties van Airbnb blijken groter te zijn dan een paar jaar geleden kon worden voorzien. Het platform creĂ«ert een tweedeling tussen mensen met een eigen huis dat verhuurd kan worden en mensen zonder eigen huis, die niet op deze manier kunnen bijverdienen.”

Al te vaak wuift Mason die “uitwassen van de transitie” echter weg als een tijdelijke ‘glitch’ op het pad naar een werkloze, stralende toekomst. Maar: misschien moet het erger worden voor het beter wordt, zoals vroege marxisten het samenvatten.

Caviaarcommunisme

Zo’n transitiesamenleving heeft volgens Mason vele voordelen, als ze de juiste kant op kantelt natuurlijk, de kant van de utopie dus. Niet alleen dankzij de sterk antihiĂ«rarchische inslag van de nieuwe deeleconomie. Belangrijker nog voor Mason is dat ze een wereld zonder werk mogelijk maakt. Andere linkse ‘techno-optimisten’ zoals Nick Srnicek en Alex Williams treden Mason bij. Er wacht ons volgens hen een toekomst waarin de mens eindelijk van zijn vervaarlijke productieplicht wordt verlost. Aangezien de arbeidersklasse zijn rol als ‘historische agent’ heeft verloren, zal een nieuwe klasse van technoliberalen en smartphoneactivisten de revolutionaire rol op zich moeten nemen.

Ten langen leste bestaat volgens de linkse techno-optimisten dan ook de kans dat een wereld zonder jobs eindelijk realiteit wordt. Een universeel basisinkomen zal voorkomen dat David Graebers bullshit jobs – jobs, vaker goed dan slecht betaald, zonder enige reĂ«le maatschappelijke meerwaarde – de universele standaard worden: het stigma dat aan ‘niet-werken’ vasthangt zal verdwijnen, zodat mensen zich uiteindelijk kunnen wenden tot het ontwikkelen van volwaardige persoonlijkheden. Masons nieuwe mens is inderdaad een amalgaam van verschillende types: een scheut snuggere techneut, een snufje lethargische steuntrekker, een stevige brok anarchistische superondernemer. Tezamen vormt dat ‘nieuwe proletariaat’ een sociale overgangsklasse. In haar liggen de “kiemen van de zelfdestructie van het kapitalisme” (vrij naar Marx), dat het volledig “geautomatiseerde luxecommunisme” eindelijk mogelijk maakt.

Het verdrijven van de tijd

De vraag is of zo’n wereld in wezen wel wenselijk is. De grootste problemen in Masons theorie lijken meer filosofisch dan economisch. In een wereld waar een ‘slaveneconomie’ van robotten al onze producten voorziet, is de noodzaak tot werken inderdaad opgeheven. De mens kan dan, in Marx’ befaamde woorden, “jagen in de ochtend, vissen in de namiddag, vee hoeden in de avond, en discussiĂ«ren over het diner”. In tegenstelling tot Marx’ voorspellingen denkt Mason zelf dat de basale vormen van arbeid volledig opgeheven worden door wat hij het ‘cognitieve kapitalisme’ noemt: de nood aan werk in de enge zin wordt opgeheven, zodat de mens zich kan onledig houden met pure contemplatie en consumptie. Een dergelijk mensdom, zoals Mason stelt, zal bestaan uit een universele intellectuele elite, waarin iedereen een potentiĂ«le wetenschapper of kunstenaar is. In Masons eigen voorspelling zou het werk in zijn samenleving steeds meer op een ‘spel’ gaan lijken: “Doelloos, kwalitatief, erotiserend” – de postkapitalistische mens fladdert in het nieuw geschapen paradijs van het ene frivole, zelfgekozen taakje naar het andere. “In de toekomst is al onze tijd vrije tijd.”

Maar hoe vrij is die vrije tijd echt? Even terug naar het kapitalisme zonder voorvoegsel. In 1960 schreef Adorno al dat het grote probleem met de vrije tijd in het kapitalisme niet was dat het kapitalisme de mens het recht op vrije tijd ontnam, maar eerder dat het concept van vrije tijd volledig op kapitalistische leest werd geschoeid. De vrije tijd, zoals de Duitse filosoof aangaf, wordt in het kapitalisme gedefinieerd aan de hand van wat zij niet is: werk. Het concept ‘vrije tijd’ verraadt de existentiĂ«le noodzaak om datgene te ontkennen wat de mens bij uitstek kenmerkt, arbeid dus. Het kapitalisme reduceerde de arbeider door arbeidsverdeling en verregaande rationalisering van het productieproces tot een vervangbaar radertje in de machine. Het is die vervangbaarheid, die mechanisering van de arbeidsrelaties die ontmenselijkend en geestelijk ondermijnend werkt, doordat het de mens in zijn unieke waardigheid aantast. Het heilige belang van ‘vrije tijd’ binnen zo’n ‘mensontwaardend’ systeem legt dus vooral de onmogelijkheid bloot van zinvol, menselijk werk, en betekent tegelijk de ontkenning van dat ondraaglijke inzicht. De mens die consumerend deelnam aan de ‘vrijetijdsindustrie’ bij uitstek, de cultuurindustrie dus, verwerd volgens Adorno tot “niets meer dan een aanhangsel van het productieproces, een schim van zijn oude zelf”.

Kapitalistische vrije tijd, aldus Adorno, is nu niets meer dan gecorrumpeerde vrije tijd. Het woord ‘tijdverdrijf’ vatte het voor hem dan ook helemaal samen: een taak die zonder enige intellectuele focus of existentiĂ«le toewijding wordt opgenomen, die, onvermijdelijk, ter ‘verdrijving’ dient. ‘Muziek componeren, naar muziek luisteren, met verhoogde concentratie lezen, maken allemaal integraal deel uit van mijn bestaan’, schrijft de Duitse filosoof. Het woord ‘tijdverdrijf’ maakt volgens hem niets dan een karikatuur van die roepingen. In een steeds verder afvlakkende maatschappij gebaseerd op repetitieve arbeid, kan enkel eenzelfde repetitieve vrije tijd haar vervangen.

Waardig werk

Adorno’s waarschuwingen lijken des te omineuzer voor de vrijetijdssamenleving die door Mason en andere postkapitalisten wordt aangekondigd. Terwijl ze terecht de toenemende kwaliteitsloosheid van het postindustriĂ«le werk aankaarten, wordt de vraag naar mogelijke invullingen van arbeid die vandaag de dag nog wel zinnig zouden kunnen zijn, onbeantwoord gelaten door hen. Sterker nog, de vraag of de arbeid misschien wel een van de diepste menselijke driften zou zijn, wordt door hen met een zeker dedain afgewimpeld. Eerder dan op zoek te gaan naar zinvolle invullingen van arbeid en ambacht voorbij het kapitalisme, kijken ze naar een wereld die zelf al volledig gekoloniseerd is door dat kapitalisme. Neem de reisindustrie. Bij de idee van de ‘eeuwige vakantie’ die door Mason wordt aangekondigd, wrijft die zich vermoedelijk nu al verlustigend in de handen. Dra mogen zij de volledig werkloze mensheid tot hun cliĂ«nteel rekenen. Met een boutade: een week Club Med mag misschien een verdiende vlucht zijn van de verschrikkingen van het werk, maar is een levenslange verlenging van zo’n verblijf wat we verstaan onder een waardig leven? De homo faber of ‘zelfscheppende’ mens van de oude arbeidersbeweging maakte plaats voor een frivole homo ludens, zij het zonder de symbolische sĂ©rieux die Johan Huizinga eraan toeschreef.

Paradoxaal genoeg vinden we de laatste vormen van waardig werk – werk dat het volkomen tegendeel is van het geestdodende fabriekswerk, maar evengoed van de bullshit jobs in de financiĂ«le sector – nog het vaakst in de sfeer van het ‘vrijwilligerswerk’. Denk aan de arbeiders en arbeidsters die vandaag de dag nog aan zelfcreatie doen door middel van werk binnen de vakbond, arbeiderscollectieven, of in het immense en immens diverse veld van het vrijwilligerswerk.

De vraag is echter of het specifieke karakter van vrijwilligerswerk zal overleven in een situatie waarin het tegendeel – betaalde arbeid – niet meer zal bestaan. Vrijwilligerswerk maakt een mens deelachtig aan de waarde van de onbaatzuchtigheid: ze verrichten immers werk zonder daarvoor verloning te verwachten en dat in een context waar betaalde arbeid de regel is. Nog los van de vraag of we een dergelijke vorm van onbaatzuchtigheid nog kunnen denken als dit specifieke offer – het zichzelf ontzeggen van verloning – niet meer gebracht hoeft te worden, valt het te betwijfelen dat dergelijke vormen van altruïsme binnen ieders bereik liggen. De vraag naar een invulling van een waardevol leven voorbij arbeid of via andere vormen van arbeid blijft daarmee open.

In een interview gaf Mason zelf aan dat hij rouwt om de wereld van zijn arbeidersvader, wiens keynesiaanse arbeidersuniversum met zijn ‘grote collectiviteiten’ stilletjes aan het verdwijnen is. Hoewel diens wereldbeeld gestoeld was op en opgebouwd was rond ‘waardig werk’, stelt Mason dat de historische rol van de arbeidersklasse nu toch onvermijdelijk is uitgespeeld. “Het verdwijnen van de oude working class is een belangrijke zaak,” stelt hij, “ingrijpender dan velen denken.” Het einde van de arbeidersklasse valt voor Mason echter samen met het moment waarop de fabrieksmachines worden uitgeschakeld, en het versufte mensdom eindelijk zijn ‘lange vakantie’ krijgt. Het einde van arbeid, iets wat Mason toejuicht, is echter ook het einde van de zinvolle, zingevende arbeid van zijn vader. Als gids voor de toekomst komt Mason ons dan ook vaak als een onzekere profeet over. Al is de onzekere profeet wellicht te verkiezen boven de stellige. Niettemin blijft het merkwaardig dat een boek dat de afschaffing van werk in het vooruitzicht plaatst, de vraag naar het zingevend karakter van werk gewoonweg achterwege laat. Iets voor die oude vakbonden en activisten, die, in zijn woorden, toch een onderdeel zijn van “een stervende wereld.”

Anton JĂ€ger is student politiek denken in Cambridge, werkt momenteel een proefschrift af over de geschiedenis van het Europese populisme, en schrijft onder meer voor De Groene Amsterdammer, DeWereldMorgen.be en Apache.

Eerder verschenen op  https://www.rektoverso.be/