Vrijdag, 15 mei, 2020

Geschreven door: Tack, Valerie
Artikel door: Stoel, Jan

Rauw & alsof

“Ik hou van mensen ‘met een hoek af’”

[Interview] Poef, dit boek komt wel even binnen, zeg. Om meerdere redenen is het een fantastische debuutroman. Allereerst is er de structuur. In de eerste scène vindt de moord plaats en vervolgens ontwikkelt het verhaal zich in omgekeerde chronologie. In de tweede verhaallijn die organisch met de eerste vervlochten is, volgen we de protagonist, Vogel, vanaf haar jeugd en lezen we hoe haar persoonlijkheid zich ontwikkelt. In deze roman gaat het niet om wie de moord heeft gepleegd, maar gaat het om het waarom. De auteur daalt daartoe af in de diepste psyche van het hoofdpersonage. Waarom is Vogel zo? En dan is er ook nog die verzameling koffiekopjes. Na iedere, meestal opvallend korte relatie neemt de hoofdpersoon een kopje mee naar huis.

Valerie Tack snijdt een aantal grote thema’s aan: de invloed van je jeugd op je verdere leven, het vrouw-zijn, eenzaamheid, omgaan met verdriet, de worsteling met het verleden, het zoeken naar houvast. Het boek zit razend knap in elkaar: spanning, het wisselen van perspectief (alwetend én ik-perspectief), het wisselen van tijd en ruimte, het spelen met de chronologie. Je wordt tot in het diepste ‘zwart’ meegetrokken, in het proces van loutering dat Vogel doormaakt. Wie is Valerie Tack en waarom die aandacht voor dat duistere? We vroegen het haar.

Over de schrijver: Valerie Tack (1981) is opgegroeid op het West-Vlaamse platteland en studeerde Nederlands en Engels in Gent. Ze woont in Kortrijk met Joost Devriesere, die ook schrijver is. Valerie geeft les op een middelbare school. Ze vertelde haar leerlingen lange tijd niets over Rauw & alsof, tot een van hen de aankondiging van het boek ontdekte op het internet.

“‘Niet lezen,’ zei ze, ‘ik wil niet dat jullie anders over mij gaan denken.’
‘Is het zo erg?’ vroegen ze.
‘Nee, ja, misschien, ik weet het niet.’”

Bazarow

Onlangs werd ook een kortverhaal van Valerie, De Japanner, gepubliceerd in #Viralen, een digitaal literair magazine in tijden van quarantaine. #Viralen wordt uitgegeven door Kubla Khan en is een project van schrijver Roderik Six en literair agent Michaël Roumen.

Over het boek: Het zat eraan te komen. Een mes blikkert in het straatlicht en komt in zacht vlees terecht. Terwijl de man bloedend achterblijft, gaat de vrouw die hij Vogel noemt naar huis om de sporen van hun prille romance uit te wissen. Er is niet alleen de moord. Er zijn ook een kleine broer, een grillige vader en een moeder die zwijgt. En liefdes. Veel liefdes.

Rauw & alsof is wel een boek dat bij je binnenkomt en je lang bijblijft. Hoe ben je in de letteren verzeild geraakt?

“Begin jaren 90 las ik het aangrijpende jeugdboek Wachten op Elise van Annelies Tock en dacht ik: ‘Tock, Tack, dat is maar een letter verschil. Ik wil ook schrijfster worden!’ Als jong meisje zag ik er vooral de romantiek van in. Ik had het beeld van een schrijfster die aan de rand van een bos woont, met een hond en ook wat kippen misschien. Elke ochtend staat ze erg vroeg op om te gaan wandelen, met haar hond natuurlijk, en zo komt ze op de meest geniale ideeën. Een hond wil ik nog steeds, maar voorlopig redden we het hier thuis wel met drie katten. Mijn beste ideeën krijg ik trouwens niet tijdens lange wandelingen in het bos. Mijn modus operandi is om te gaan liggen en mijn ogen te sluiten. Op de sofa, in bad of in bed. Het liefste met een koptelefoon op waar harde muziek door schalt of white noise. Alsof ik alleen zo genoeg ruimte in mijn hoofd krijg om met mijn verhalen bezig te zijn. Wanneer ik ’s avonds in bed begin te denken, worden de nachten soms wel eens erg lang. Dan komt er zo veel adrenaline in mijn hoofd vrij door al dat wilde denken en associëren dat ik de halve nacht wakker blijf. Erg nadelig als je ’s morgens vroeg op moet.

Ik heb eigenlijk altijd al geschreven, maar ik vond het lange tijd allesbehalve evident om ’s avonds en in het weekend aan mijn bureau te gaan zitten. Schrijven is je afsluiten van de buitenwereld en die buitenwereld had ik hard nodig, zeker in die tien jaar dat ik alleen woonde. Ik ging in die periode veel liever op stap met vrienden. De laatste jaren heb ik ontdekt dat het schrijven, wat mij betreft, geen eenzame bezigheid is. Integendeel, ik schep er vaak een duivels plezier in, zeker wanneer de personages er met mij vandoor gaan en het verhaal, zonder dat ik er erg in heb, heel donker wordt. Bovendien kan ik er mijn dromen, verlangens, frustraties en ergernissen in kwijt. Die ik dan vanzelfsprekend sterk uitvergroot.

Enkele jaren geleden had ik me kandidaat gesteld voor de Schrijversacademie in Antwerpen. Ik wou weten of mijn schrijfsels een zekere waarde hadden en die hadden ze blijkbaar wel degelijk. De academie was ook een manier om regelmaat te brengen in mijn schrijven. Ik had een zekere ‘dwang’ nodig van buitenaf om door te gaan. Dat manuscript van toen is het nu niet geworden, hoewel ik er een aantal fragmenten uit gerecycleerd heb.”

Je hebt voor een bijzonder originele vorm gekozen: chronologisch ‘terug vertellen’. Op de eerste pagina wordt de geliefde van het hoofdpersonage vermoord, met voorbedachten rade. Dan ga je teruglezen tot het begin van hun ontmoeting. Je volgt dus de ontwikkeling van hun relatie in omgekeerde volgorde. Tegelijkertijd volg je de ontwikkeling van het hoofdpersonage van jong meisje tot volwassen vrouw. Die twee verhaallijnen zijn dooreen geweven. Hoe ben je op dit idee gekomen en waarom heb je het verhaal zo geschreven?

“Iemand laten vermoorden op de laatste pagina’s van het boek, dat wou ik absoluut niet, omdat dat me te makkelijk leek. Ik zag maar één andere mogelijkheid: beginnen met de moord en vandaar uit terugschrijven, het verleden in. Die verhaallijn had ik relatief snel op papier. De andere verhaallijn, waarin de jeugd van het hoofdpersonage geschetst wordt, heeft me meer moeite gekost. Daar zijn twee redenen voor.

Ten eerste wou ik een genuanceerd beeld schetsen van die jeugd. Zo wou ik bijvoorbeeld de vader niet neerzetten als een nietsontziende tiran, want dat is hij allesbehalve. Er is iets gebeurd bij die boomhut, toen hij zelf jong was en dat heeft hem getekend voor het leven. Alleen is er werkelijk niemand die weet wat hem daar overkomen is. Ik heb natuurlijk wel een vermoeden, maar ik laat het liever aan de lezer om zelf iets te bedenken. Dat jeugdtrauma is datgene wat hem ertoe aanzet om telkens weer aan het drinken te gaan én datgene wat zijn ambivalente houding verklaart tegenover zijn dochter. Ik verplichtte mezelf er dus toe om, telkens de vader aan bod kwam, goed na te denken over hoe ik hem wou weergeven. Nooit door en door slecht.

Ten tweede wou ik dat de hoofdstukken uit de eerste verhaallijn organisch overgingen in de hoofdstukken van de tweede verhaallijn. Ik wou een verhaal dat vloeide, ondanks de sprongen tussen heden en verleden. Dat vergde ineens heel wat meer denkwerk. Daarenboven vond ik dat er een zeker evenwicht moest zijn tussen de herinneringen aan de boerderij en de herinneringen aan Vogels volwassen leven vóór de ontmoeting met de schilder.”

Je daalt af in het diepste wezen van de mens, en dan met name in de psyche van de hoofdpersoon. Je hebt veel aandacht voor ‘de duistere kant’ van de mens. Waarom vind je dat zo interessant? Ben je door andere schrijvers daarover geïnspireerd geraakt?

“Ik kan het niet helpen, maar het duistere in de mens trekt me nu eenmaal enorm aan. Noem het een aangeboren, soms gezonde en soms ongezonde afwijking. Verhalen met ‘brave’ personages boeien me niet. Ik hou niet alleen in boeken, maar ook in het echte leven van mensen ‘met een hoek af’. Van mensen die worstelen, met zichzelf en met de wereld, maar die tegelijk ook koortsachtig proberen om die wereld naar hun hand te zetten. En dat niet per se op de juiste manier.

We zijn dieren en we willen uiteindelijk maar een iets: onszelf zo lang en zo goed mogelijk in stand houden. Daarom ondernemen we voortdurend actie. Helaas laten onze acties soms te wensen over. Vogel houdt zichzelf in stand door niet alleen anderen, maar ook zichzelf telkens weer te koeioneren. Die (zelf)destructie is voor haar de enige manier om in leven te blijven.”

Het hoofdpersonage heeft geen naam. Haar moeder noemt haar ‘zondagskind,’ haar vader ‘duivelskind’ en de geliefde noemt haar ‘Vogel.’ Waarom heb je haar geen naam gegeven?

“Ik kon het niet, haar een naam geven. Het zou haar te concreet, te gewoontjes, te menselijk maken. Haar ouders, haar broer en de schilder hebben trouwens ook geen naam. Een naam duwt een personage, zo ervaar ik het toch wanneer ik lees, in een bepaald keurslijf en dat wilde ik niet. Om die reden ook heb ik voor de nevenpersonages meestal vrij ongewone namen gekozen heb: Misja, Georg, Fischer …

Vogels moeder noemt haar op een bepaald moment een ‘zondagskind’ en dat is ze ook, zelfs al weet haar moeder nauwelijks iets af van wat Vogel allemaal uitvreet. Ze komt vaak in hachelijke situaties terecht, maar weet er zich elke keer weer schijnbaar moeiteloos uit te redden. Dat haar vader haar een ‘duivelskind’ noemt, is al even terecht. Je kunt het beschouwen als een voorafspiegeling van wat er nog te gebeuren staat. Vogel zal veel schade toe brengen. Ze trekt mensen en in het bijzonder mannen aan om ze dan, zonder scrupules, weer weg te duwen. Dat heeft ze, dat is geen geheim, van haar vader geleerd.

In de bijnaam ‘Vogel’ schuilt dan weer een zekere ironie. Ze wil zo graag vrij zijn, maar ze zit vast aan dat nest dat verleden heet. De schilder ziet het meteen, dat er iets wringt bij haar. Misschien is net dat het wat hem aantrekt. Hij heeft zelf een moeilijke band met zijn familie.”

Een thema in Rauw en alsof is de invloed die je jeugd heeft op je verdere leven en hoe je daarmee omgaat. Is dat ingekleurd door eigen ervaringen? Of heb je research gedaan?

“Eigen ervaringen, ja. Research, nee. Voor ik verder ga, wil ik er wel even op wijzen dat ik een zorgeloze jeugd gehad heb en dat ik opgegroeid ben in een liefdevol en beschermend gezin. Mijn ouders hebben me boven alles geleerd om het goede te doen voor anderen. Misschien dat ze soms wat té streng waren, naar mijn gevoel. Maar als ik dat nu bij hen aankaart, dan vinden ze dat ik overdrijf of zeggen ze dat het maar best was dat ze indertijd zo streng met mij waren.

Ik ga ervan uit dat ouders, de meeste toch, er alles aan doen om hun kinderen in optimale omstandigheden te laten opgroeien. Maar af en toe loopt het serieus fout, zoals in Rauw & alsof. Philip Larkin heeft het erover in This Be The Verse. Ik had dit gedicht in mijn notitieboekje gekleefd, waar het fungeerde als een soort van houvast, een reddingsboei.

Het gedicht van Larkin gaat zo:

They fuck you up, your mum and dad.  
They may not mean to, but they do.  
They fill you with the faults they had
And add some extra, just for you.

But they were fucked up in their turn
By fools in old-style hats and coats,  
Who half the time were soppy-stern
And half at one another’s throats.

Man hands on misery to man.
It deepens like a coastal shelf.
Get out as early as you can,
And don’t have any kids yourself.

Over die laatste strofe zal ik me niet uitspreken.

Naast die opvoeding probeerde ik ook aandacht te hebben voor de aanleg die Vogel heeft om zich al dan niet te laten meeslepen door de dingen die om haar heen gebeuren. Nature, nurture, weet je wel. Vogel vermoordt dan wel iemand, maar het is duidelijk dat ze een heel gevoelige vrouw is die in een eindeloos gevecht verwikkeld zit. Met zichzelf en met iedereen rondom haar. Haar broer daarentegen, met wie ze erg close was als kind, heeft het verleden naast zich neergelegd en denkt er (liever) niet meer aan terug. Op een bepaald moment vraagt haar moeder het haar ook, terwijl ze koffie aan het drinken zijn: ‘Waarom blijf je toch altijd alles oprakelen? Waarom ben je niet zoals je broer? Die heeft het allemaal achter zich gelaten.’”

Een briljant beeld vond ik de verzameling koffiekopjes van Vogel. Als een soort trofee van iedere korte relatie neemt ze een kopje mee. Wat heb je met koffie? Koffiedrinken staat toch ook een beetje voor ‘gezelligheid’, ongedwongenheid, een moment voor jezelf (ik denk aan een reclameslogan)?

“Dat klopt: koffiedrinken kan inderdaad erg gezellig zijn. Maar Vogel heeft weinig of niets met gezelligheid. Bovendien staat koffiedrinken in Rauw & alsof ook nooit symbool voor ‘een moment voor jezelf’. Wanneer Vogel ’s ochtends wakker wordt naast haar minnaar van het moment, wil ze vooral heel snel verdwijnen. Maar dan proberen die mannen haar bij zich te houden door haar koffie in te schenken. Met die koffie zeggen ze: ‘Blijf, ik wil je beter leren kennen.’ En dat is het laatste wat zij wil. Ze heeft geen zin in nabeschouwingen, en zeker ook niet in een vervolgverhaal. Behalve dan bij Georg en de schilder. Bij Georg voelt ze zich veilig en met de schilder heeft ze welomlijnde plannen. Maar bij al die andere geliefden? Daar staat ze dan met dat kopje in haar handen. Ze kan niet anders dan het meenemen.

Ook wanneer ze bij haar moeder of bij Misja op bezoek gaat, wordt er koffiegedronken. Daar is koffiedrinken vooral een bindmiddel, een manier om stiltes op te vangen.”

Als ik kijk naar de cover en de achterflap dan hebben Nele Vanthomme en Bart Knockaert je roman raak getroffen: een gebroken en gelijmde kop en schotel, gemorste koffie en als een soort cappuccinofiguren de woorden rauw en alsof. Hoe is die cover tot stand gekomen?

“Het kopje kocht ik in de Kringloopwinkel hier in Kortrijk en het was een vriend die me op een middag in de tuin (tijdens het koffiedrinken, jawel) het idee bijbracht om het kapot te maken. Dat deed mij dan weer denken aan Kintsugi, een eeuwenoude Japanse techniek om keramiek te herstellen. Bij Kintsugi lijm je de scherven van een keramieken voorwerp weer aan elkaar en accentueer je de naden met goud. In plaats van de schade dus te verbergen, wordt die net benadrukt en wordt het voorwerp bijgevolg nog mooier dan het al was. Blijkbaar wordt Kintsugi de dag van vandaag ook ingezet als een vorm van therapie, maar zo ver zou ik het niet drijven. Dat is me veel te zweverig.

Nele Vanthomme is een goede vriendin van me en bovendien een fantastische kunstenares. Ik heb haar gevraagd om het kopje en het schoteltje te breken en weer aan elkaar te lijmen. Bart Knockaert, die ook de vormgeving van Pest, het boek van Joost, verzorgde, is dan met het kopje aan de slag gegaan. We zaten heel snel op dezelfde lijn. Ik ben ook niet zo moeilijk daarin, denk ik. Hoewel: zowat een week lang heb ik zitten twijfelen over die ampersand, de &. Of er niet gewoon ‘en’ moest staan. Die twijfel was uiteindelijk overbodig. De ampersand zorgt ervoor dat de titel opvalt én dat ‘rauw’ en ‘alsof’ visueel heel duidelijk tegenover elkaar komen te staan. Vogel wil graag rauw zijn. Ze doet graag rauw en ze houdt ook van rauw. Maar ze is het totaal niet.”

Naast de mooie beeldende taal (bijvoorbeeld over de vader: “de hand waarmee hij moeder slaat en mij nu leert fietsen”) valt mij een ‘Valerie Tack’-stijlkenmerk op: het opbouwen van gedachten door herhaling. Het geeft een mooi ritme aan je roman en komt op meerdere plekken terug. “Ik wil niet dat hij naar me kijkt. Dat hij echt naar me kijkt. Dat hij me ziet. Doorziet.” “Ik was mezelf niet. Ik ben mezelf niet. Ik ben al dagenlang mezelf niet. Kun je dat wel: jezelf niet zijn? Want wie ben je dan?”

“Herhaling, ja, daar heb ik iets mee. Met herhaling vertraag je en krijgt de gedachte meer betekenis. Bij de redactie van het boek werden wel een aantal herhalingen geschrapt. Blijkbaar kunnen die de lezer dus ook storen.

Ja, ik hou van herhaling. Ik denk trouwens dat ik binnenkort dat hele schrijfproces herhaal. Een tweede boek. De eerste zinnen zijn er al…”

Eerder verschenen op Hebban

Lees ook de recensies van Jan Stoel en van Marnix Verplancke van Rauw & alsof