Dinsdag, 2 maart, 2021

Geschreven door: Schasz M.D., J.A.
Artikel door: Heijster, Karl van

Reize door het Aapenland

De mens een aap, de aap een mens

[Recensie] “Hoe het bijkwam, weet ik volstrekt niet, maar wiskundig zeker is het, dat mijn Wijf, mijn Dienstmaagd, mijn Paard en mijn Hond, bijna op één en hetzelfde oogenblik, teffens in het water vielen.” De openingszins van J.A. Schasz’ (pseudoniem van Gerrit Paape) Reize door het Aapenland is op zichzelf al heerlijk absurdistisch. Maar wat erop volgt is nóg grappiger. Bladzijdenlang vraagt de naamloze hoofdpersoon zich af wie hij moet redden. Zijn vrouw? Het is immers zijn vrouw. Zijn dienstmaagd? Die zou immers zomaar zwanger van hem kunnen z… En hoe kon hij toch zijn paard vergeten! Dat is toch een behoorlijk dure aankoop geweest!

Enfin, de hoofdpersoon wikt en weegt. Maar eer hij tot zijn keuze is gekomen, zijn alle vier natuurlijk verdronken. Hij slaat op de vlucht. Terecht, blijkt al gauw, want in een naburig dorp is er al een menigte op zoek naar “een vervloekte Booswigt […], die al de Paarden […] den hals [heeft] afgesneeden, en al de honden vergif heeft ingegeeven, – en die daarenboven, – o gruwel! als ware dit niet genoeg, al de Meisjes en getrouwde Vrouwen van het Dorp, geweldaadig [heeft] verkracht; de buiken opengesneeden, en aldus in zee geworpen heeft.” 

Hoe men aan die wetenschap gekomen is? “Onze Dominé zegt het.” “o!” roept de hoofdpersoon ironisch uit. “Dan is het zeker waar.”

Reize door het Aapenland is op dat moment pas acht pagina’s onderweg. Schasz’ heeft in zo’n korte tijd al een hilarisch portret geschilderd van de achttiende eeuwse Nederlandse maatschappij. En hij spaart daarbij geen enkele kant van het spectrum bovendien. Van de koele, berekenende utilitaristen zoals de hoofdpersoon enerzijds, tot het goedgelovige en naar bloed en verontwaardiging hongerende klootjesvolk anderzijds: allemaal hebben ze eraan moeten geloven. Sterker nog, de opening van het boek is zo bijtend grappig, dat het  gros van het verhaal – de reis door het Aapenland uit de titel – dat niveau jammer genoeg niet meer weet te halen.

Ons Amsterdam

Niet dat er niet genoeg te lachen valt, absoluut niet. De apenmaatschappij waar de hoofdpersoon uiteindelijk in terecht komt, kijkt met bewondering naar het mensdom. Hoe kunnen zij zich verheffen tot de waardigheid van de kroon der schepping? vragen de politici zich aldaar in eindeloze vergaderingen zich af. Misschien door een moeizaam proces van innerlijke vorming, waarbij de rede gecultiveerd wordt, zoals aap nummer 1 voorstelt? Nee, besluit de volksvertegenwoordiging uiteindelijk: die staart, die is het probleem! En dus worden er onder aanvoering van de zogenaamde nummervijfianen plannen gemaakt om elke aap in het Aapenland van zijn of haar staart te ontdoen. 

Wordt dat niet erg bloederig? werpen de nummereenianen  tegen. Nee joh, pleistertje erop en klaar is kees! In hun hilarische onvermogen de rede te laten winnen van dierlijker impulsen, blijken de apen in het Aapenland juist opvallend menselijk. Want wat is nu precies het verschil tussen de bloeddorstige menigte uit de opening van het verhaal, en de tot zelfvernietiging opgezweepte troep apen waar de hoofdpersoon zich uiteindelijk tussen vindt? 

Het komt niet vaak voor dat een satire ruim 200 jaar na dato nog iets te zeggen heeft voor de hedendaagse lezer. De kwesties van destijds zijn immers lang vervlogen, en tijd heeft alle spottende verwijzingen in mist gehuld. (Wie is aap nummer 5? Willem V misschien?) Toch vindt de hedendaagse lezer nog een schat aan herkenbaars in Reize door het Aapenland: vergaderculturen, makkelijke populistische oplossingen voor complexe problemen, en volksvertegenwoordigers die gelijkheid voor allen prediken maar niet voor zichzelf, om er maar een paar te noemen. Zelfs nepnieuws – dat door beide kanten overigens gewillig uitgebuit wordt – maakt in de korte roman zijn opwachting! 

Gerrit Komrij omschrijft het in zijn inleiding eigenlijk perfect: “De Reize is een nauwgezette waarneming van wat er gebeurt op elke plek waar meer dan twee politici samenkomen.” En al draagt een politicus een gouden ring…

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles