Zondag, 20 juni, 2021

Geschreven door: Meganck, Erik
Artikel door: Veen, Evert van der

Religieus atheïsme

Twaalf ‘filosofische apostelen’

[Recensie] De titel lijkt een onmogelijke tegenstelling: wie gelooft of in elk geval iets met religie heeft, kan en wil zich niet in de atheïstische houding herkennen. Het beeld dat wij meestal van atheïsten hebben, is dat zij ‘God loochenen’ en niets van het christendom moeten hebben.

Hoe is Erik Meganck in staat om deze tegengestelde positie die volgens velen onoverbrugbaar is met elkaar te verbinden zoals de titel Religieus atheïsme suggereert? Hij is ervan overtuigd dat de kloof tussen theologie en filosofie minder groot is dan het vaak lijkt en door menigeen wordt gesuggereerd. Onder religieus verstaat hij dan “het ontvankelijke denken dat zich herijkt weet door hoop, vertrouwen en openheid – en van die drie is dat laatste belangrijkst (voor wie het wil horen: 1 Kor 13: 13),” (p. 10).

In dit boek worden twaalf ‘filosofische apostelen’ gepresenteerd en uit het verhaal van Erik Meganck en de accenten die hij legt, komt naar voren dat zij niet tégen religie zijn en de betekenis van goede religie = bevrijdend voor en dienstbaar aan mens bepaald niet ontkennen. Het is vaak de confrontatie met de gevestigde westerse christelijke religie zoals die met name door de kerk wordt belichaamd waar zij zich soms fel tegen keren.

Bij Ludwig Feuerbach, die God ziet als een projectie van mensen, is God juist de “onmisbare antropologische conditie om de mens te leren kennen”. Dat al ons denken over God volgens Feuerbach gebaseerd is op ons menselijk verlangen is een heilzame relativering van het traditionele, dogmatisch getinte denken over God waarin God vaak op gespannen voet met mensen staat.

Dans Magazine

Uit Religieus atheïsme blijkt dat ook andere filosofen ten diepste niet tegen religie zijn omdat zij inzien dat deze kan bijdragen aan het menselijk welzijn en een mooiere menswaardige wereld. Zij verzetten zich wél tegen religie die de mens in bestaande structuren gevangen houdt en zij moeten niets hebben van de kerk die dit legitimeert of passief toestaat: godsdienst als opium van het volk zoals Marx dat uitdrukte. Deze religie geeft hoogstens een schijnverlossing maar draagt niet bij aan de ware vrije mens in deze wereld.

Ook Nietzsche is in zijn ‘dolle mens’ hartstochtelijk op zoek naar de ware God en vanuit het verlies aan betekenis van deze God spreekt hij over ‘de dood van God’, veelbesproken en vaak onbegrepen woorden in onze geschiedenis. Hij bedoelt hiermee de verkeerde omgang met God waarbij God, christendom en kerk worden gebruikt als geestelijk idee om de huidige wereld in stand te houden.

Zo zoeken alle filosofen hartstochtelijk naar de god die mensen optilt in hun bestaan, hun stimuleert om zelfbewust goede keuzen te maken en als mondige mensen verantwoordelijkheid te dragen in deze wereld. Daarom keert Freud zich tegen religie als dwangneurose en neemt Russell het op voor de menselijke ratio die zijn weg zoekt in wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen in de 20e eeuw. Wittgenstein wil geloof, evenals moraal en kunst, bevrijden van metafysica en een plaats ín onze wereld geven.

Het traditionele godsbeeld krijgt het in deze bundel zwaar te verduren en dat kan degene die deze filosofen kent ook niet verwonderen. In de uitleiding tilt Erik Meganck de kennismaking met de twaalf ‘filosofische apostelen’ op een hoger plan en legt hij verbindingen met de bijbel. Hij pleit voor een ‘bezonnen atheïsme’ waarin God niet het hoogste Zijnde is waaraan de mens onderworpen is maar een God van ontmoeting en verbinding met mensen.

Erik Meganck was gastdocent aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven en is nu docent vergelijkende godsdienstwetenschappen en humanistiek aan het International Institute Canon in Triëst. Hij schrijft toegankelijk maar enige filosofische basiskennis is toch wel gewenst om dit boek met vrucht te kunnen lezen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles