Dinsdag, 6 september, 2016

Geschreven door: Gielen, Pascal
Artikel door: Reinewald, Chris

Repressief liberalisme

Hoe Halbe Zijlstra de cultuursector repressief liberaliseerde

Cultuurstromen buiten de cultuursector

[Recensie] Een van de weinige denkers over de Nederlandse cultuurpolitiek is een Vlaming: Pascal Gielen. In zijn te weinig opgemerkte essaybundel Repressief liberalisme, Opstellen over creatieve arbeid, politiek en kunst ontvouwt Gielen belangrijke, actuele visies op ons cultuurbeleid.

Tot enige jaren geleden keek de politiek over het algemeen welwillend tegen cultuur aan: als het maar niet teveel kostte. Toen werd duidelijk dat cultuur zelfs economische waarde kan hebben. Zo stelde de Amerikaan Richard Florida in The Rise of the Creative Class (2002) dat steden of achterstandsbuurten weer tot leven komen dankzij een creatieve klasse – kunstenaars, jonge mediapioniers en theatermakers – die met weinig genoegen neemt. Ateliers in afbraakpanden trekken restaurants en avantgarde theatertjes aan. Alternatieve expositieruimtes worden commerciële galeries. Verzamelaars en musea komen kijken. Uiteindelijk krijgen projectontwikkelaars en cultuurliefhebbers weer interesse in deze voormalige rafelranden van de stad. En trekt de creatieve klasse – noodgedwongen – weer naar een nieuw betaalbaar domein.

In 2010 temperde de Italiaanse toneel-en romanschrijver Alessandro Baricco in zijn essaybundel De Barbaren de euforie. Hij signaleerde hoe onder invloed van het populisme de (sub)cultuur vercommercialiseerde, ja zelfs ontaardde in een vorm van barbarisme. Cultuur – inclusief tv-programma’s en de ‘beleving van voetbal en wijn’ – was beland in een (overgangs?)periode met snelle impulsen, oppervlakkigheid en formats als nieuwe waarden en kwaliteiten.

Scènes

Pascal Gielen trekt de discussie naar de Nederlandse situatie. Hij schetst hoe Halbe Zijlstra (VVD), tijdens zijn relatief korte periode als staatssecretaris cultuur, oktober 2010 tot november 2012, met meer dan € 200 miljoen besparingen ook de mentaliteit binnen onze cultuursector radicaal veranderde: “Daarmee lijkt Nederland [wel] het land van extremen. De klepel hangt er nooit in het midden maar slingert van het ene uiterste naar het andere. Terwijl het land eerst nog jaloerse blikken uit het buitenland kreeg omwille van zijn rijkelijk toebedeeld cultuurbestel, heerst vandaag veelal medeleven met wie zich nog aan een loopbaan in de artistieke of culturele sector durft te wagen.”

Zijlstra liet zich als staatssecretaris voorstaan op zijn persoonlijke a-cultureliteit, vergeleken met zijn meestal PvdA en D66 voorgangers. Eén daarvan, Hedy d’Ancona, ging zelfs de straat op om tegen Zijlstra’s botte bezuinigingsdrift te protesteren.

Door zijn ‘neutrale’ ongebonden positie kon Zijlstra zijn handen vrij houden voor de gigantische operaties, nodig om de ‘wildgroei in de cultuursector’ te kappen. Er heerste immers een economische crisis. Volgens Gielen verlegde Zijlstra daarmee “cultuurstromen naar buiten de sector”. Gevolg is dat “musea en andere kunstorganisaties zich als corporate organisaties gedragen. Daarmee krijgt de inhoud minder ruimte dan het vermarkten ervan.” In deze ‘platte netwerksamenleving’ worden steeds meer tijdelijk creatieve ondernemers ingehuurd die men eufemistisch ondernemers noemt. Een stijgend aantal kleinere musea (Leerdam, Hilversum) heeft al bijvoorbeeld een directeur die op basis van uurtje-factuurtje maximaal een dag per week zijn gezicht laat zien. In Deventer werd het stadsmuseum opgeofferd aan een extern aangestuurde ‘multimediale cultuurcluster’ die inmiddels ook zijn langste tijd heeft gehad. Gielen: “Doordat de overheid taken en bezuinigingen afstoot naar lokale overheden en zo een markt ontstaat, groeit [ook] het aantal toezichthouders die de vrijheid van die markt moeten bewaken.”

Door stringentere regelgeving lijken subsidieverstrekkende instellingen nu vooral te kijken hoe ze iets of iemand níet hoeven te subsidiëren. Gielen typeert deze situatie treffend met de paradoxale term ‘repressief liberalisme’. Hij ziet een merkwaardige overeenkomst tussen kunstenaars en liberalen. “De kunstenaar weet dat de beste ideeën naar boven komen wanneer hij in alle vrijheid kan werken. De zuivere liberaal dacht dat zijn samenleving er wel bij vaart wanneer zowel individu als markt zo vrij mogelijk wordt gelaten. Maar hoe is het inmiddels met dit vrijheidsideaal gesteld? De kunstenaar onderwierp zich de laatste jaren gewillig aan economische en sociale eisen, terwijl zowel overheden als het bedrijfsleven juist de creatieve vrijheid leken te omarmen. In de roes van de creatieve industrie stimuleerden ze flexibele en laagbetaalde arbeid en werden sociale zekerheden stelselmatig uitgehold. Wordt de creatief ondernemer daarmee vrijer of juist vogelvrij verklaard?”

Ook met Zijlstra’s opvolger, een PvdA-minister voor cultuur, Jet Bussemaker is het ingezette repressief liberalisme merkbaar, stelt Gielen. “Enerzijds verkondigt men [culturele] vrijheid, anderzijds legt men deze steeds geraffineerder aan banden. […] Vermarketing en de ingevoerde ‘vrije’ concurrentie maakt bovendien de zaken niet goedkoper, soms zelfs duurder. […] Er wordt een retoriek van deregulering opgevoerd en bij de limitering van de staat(scontrole) gezworen. Tegelijkertijd kunnen we echter empirisch vaststellen dat in tegenstelling tot het opgevoerde discours de regelgeving toeneemt, auditcontroles zegevieren en een – weliswaar geprivatiseerd of ‘uitbesteed’ – gedecentraliseerd bureaucratisch apparaat woekert. […] Met creatief ondernemerschap bedoelen Nederlandse beleidsmakers dus in feite creatief management. Kern van de zaak is dat het management of distrust zowel binnen als buiten instituties met de wet van de meetbaarheid in de hand intellectuelen en kunstenaars met bijzonder veel werk opzadelt […] dat steeds minder hun feitelijke werk (en vaardigheid en kennisdomein) is.”

De nogal hermetische toonzetting van Gielens stellingen maakt dat zijn waardevolle boodschap maar beperkt zal aanslaan. Jammer is dat wel, omdat Repressief Liberalisme juist uitdaagt tot nieuwe politieke stellingnames over cultuurbeleid.

Eerder gepubliceerd in Museumvisie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *