Dinsdag, 14 september, 2021

Geschreven door: Roeygens, Truus
Artikel door: Dool, Anne van den

Rijpe velden van vrolijkheid

Zelfonderzoek naar aard van vrolijkheid

[Recensie] De bundel Rijpe velden van vrolijkheid van Truus Roeygens (1964) opent met een tekst afkomstig uit een speech van Walt Disney, die hij uitsprak op 17 juli 1955 bij de inhuldiging van het eerste Disney-themapark ter wereld in CaliforniĆ«. “Here,” declameert de geestesvader, “age relives fond memories of the past. And here youth may savor the challenge and promise of the future. Disneyland is dedicated to the ideals, the dreams and the hard facts that have created America. With the hope that it will be a source of joy and inspiration to all the World.”

Het is een passende introductie van een bundel die in het teken staat van een “(zelf)onderzoek naar de aard van vrolijkheid”, zoals de dichter die in het openingsgedicht expliciet benoemt ā€“ “Niet op basis van religie of filosofie wel op basis/ van herinnering/ van taal”. Dat onderzoek voert langs enkele van de voorwaarden voor blijdschap die ook de beroemde filmproducent in zijn toespraak noemt, met een jeugdige insteek van de geest als belangrijkste vereiste.Ā 

Bij die zorgeloze kindertijd begint Roeygens haar zoektocht, die 42 gedichten lang voortduurt en in vier delen is geknipt, steeds onderbroken door een kort intermezzo. Na dit eerste deel van haar leven volgt ze chronologisch de veranderende band met haar ouders, waarbij met name de zorgen om haar ernstig zieke vader de toegang tot blije gevoelens in de weg staan. Het is deze man aan wie ze de bundel opdroeg; hij overleed kort nadat zeĀ Rijpe velden van vrolijkheidĀ voltooide.Ā 

Roeygens giet haar zelfonderzoek in een bijpassende feitelijke taal, die contrasteert met de zorgeloosheid die men op basis van het gekozen thema zou verwachten. Niet voor niets zijn de velden van vrolijkheid volgens de titel van de bundel inmiddels rijp: terugkijkend op het tot nu toe geleefde leven kan de dichter alleen maar concluderen dat “vrolijkheid angstig is, enigszins (zichzelf) verbiedend”.Ā 

Het is een van de vele expliciete zinnen in de bundel, die te lijden heeft onder een overdaad aan interpunctie en een gebrek aan verleiding. De conclusie wordt al aan het begin gepresenteerd; tegen het einde weten we van neerslachtigheid meer af. “Straks hoort vrolijkheid niet bij mij,” weifelt de dichter in het slotgedicht. Die conclusie zag de lezer al van mijlenver aankomen.

Eerder verschenen op Poƫzieclub

Boekenkrant