Zaterdag, 15 september, 2007

Geschreven door: Koppe, Iris
Artikel door: Stoffelsen, Daan

Rosiri

Pinkelotje redt zichzelf wel

Hoe nieuw is een nieuw boek? Het is een relevante vraag als het bijvoorbeeld gaat om bundels verhalen waarvan enkele al elders verschenen zijn. Of om omgewerkte columnreeksen of feuilletons: de lezers van NRC Handelsblad hadden bijvoorbeeld al kennis kunnen nemen van de (grotendeels autobiografische) belevenissen van Elin en Sophie voordat De co-assistent en Meisje met negen pruiken in boekvorm verschenen.
Rosiri is een iets ander verhaal.

De belevenissen van dit pubermeisje van gescheiden ouders werden van 1 oktober 2005 tot 1 oktober 2006 door Iris Koppe opgetekend in het Handelsblad. Daarvoor was ze columniste bij Spunk, en daarvoor (2004) won ze de BNG Jonge Schrijversprijs Nederland. Ik heb die stukken niet gelezen (ik ben maar onregelmatig NRC-lezer), dus voor mij zijn die eerste zinnen vers:

‘“Zachte band,” riep de fietser aan de overkant van de straat en hij tikte met zijn rechterhand de bagagedrager aan. Glimlachend sloeg hij linksaf een straat in. Rosiri liep met twee plastic zakken aan beide handen, terwijl een grote sleutelbos uit de zak van haar jasje bungelde. Met een vermoeid gezicht stak ze over en ging aan de andere kant van het pad staan. Het was opmerkelijk dat er zo weinig fietsers waren in IJburg. In de buurt van de Lutmastraat, waar de moeder van Rosiri woonde, had ze veel meer kans om te slagen. Daar fietsten altijd mannen die, hoewel verbaasd door de ongewone vraag, langzamer begonnen te rijden, welwillend “ja” knikten en zeiden: “Je mag best springen.”’

Het is een goed begin, er zit veel in. Het meisje is zwaarbelast, haar moeder woont elders (dus haar vader woont hier?), ze moet het zonder fiets doen (kunnen haar ouders geen nieuwe voor haar kopen?), maar dat weerhoudt haar niet van onconventionele oplossingen: fietsliften. Het is zo’n originele, onbedachte mogelijkheid die tegelijkertijd een beetje eng is, want wat als je met zo’n man een verkeersongeluk krijgt, of ongemerkt een donker bosje inrijdt?

Archeologie Magazine

Ongelukken en donkere bosjes komen later in Rosiri nog terug, en veel meer ellende. Rosiri’s ouders zijn druk met zichzelf bezig en Rosiri besluit dat zelf ook maar te doen. Nog steeds niet ontmaagd? Dan maar ingaan op de avances van de oppasvader. Geen profielwerkstuk de avond voor de deadline? Dan maar iets schrijven over Mohammed Atta in Almere.

‘Nu, bijna vijf jaar later, is de ijverige pabo-student nog niet vergeten. Door het gehele islamitisch terroristisch netwerk klinkt met respect de naam van de pabo. Er kan een aspirant-terrorist geen grotere eer worden gedaan dan met de vraag: “Zat jij ook daar in Almere?”
Mohammed Atta is een voorbeeld geweest voor velen.’

Rosiri is een kind van deze tijd, dat kort na elkaar de keuzes maakt waar anderen jaren over doen, dat uit veel situaties alsnog haar voordeel weet te halen, dat gelooft in liefde ondanks slechte voorbeelden. Rosiri is een boek dat al die keuzes en tegenstellingen in 140 pagina’s weet te vatten, en daardoor snel in het beschrijvende vervalt. In de feuilletons maakte Koppe gebruik van een derde persoonsperspectief: Rosiri dit, Rosiri dat. Het schept een prettige afstand, maar in de roman word je de herhaling na een tijdje wel zat. Bij de zevende maal ‘Rosiri’ op een pagina met niet al te kleine letters begrijp je opeens hoe vreselijk je ouders het voorlezen van Pinkeltje vonden, hoe spannend diens avonturen ook waren. ‘Pinkeltje dit, Pinkelotje dat.’ Het derde persoonsperspectief mengt zich ook af en toe met een alwetende verteller, dialogen en gedachten worden samengevat, gevoelens worden weergegeven. De frisse naïviteit en het lekker gemakzuchtige cynisme sneeuwen onder in de haast tot de ontknoping te komen.
In die haast blijven personages vaak in karikaturen hangen, situaties in clichés: Rosiri’s vader, vijftiger, draagt t-shirts met stoere teksten en heeft ‘Forever young’ als lijfsong; Rosiri loopt een blaasontsteking op bij de buitenseks (tevens ontmaagding) met de vader van haar oppaskinderen. Op deze manier is er weinig te beleven, weinig te raden over. Het is hapklaar, lekker, maar zo goed als dat in de krant past, zo snel wordt het in een roman vlak en overdreven.

Koppe onderscheidt zich van andere NRC-‘romanciers’ Hermans en Van der Stap door een afstandelijke, scherp-humoristische blik op haar onderwerp en door een geslaagdere poging tot een plot, maar kan op andere vlakken niet boven hen uitstijgen. Het achter elkaar plakken van feuilletondelen maakt nog geen roman en gebrek aan subtiliteit maakt nog geen satire. Door deze gebreken lijkt de roman wel degelijk nieuws te zijn. Maar ik gun Iris Koppe van harte een nieuwe start met een échte nieuwe roman.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *