Dinsdag, 10 maart, 2015

Geschreven door: Derrida, Jacques
Artikel door: Slob, Marjan

Sjibbolet

Wachtwoord tot een dichter

Zeg eens ‘Scheveningen’! Het is een klassieke vraag als je wilt lachen om buitenlanders die hun tong over jouw moedertaal breken. ‘Scheveningen’ is daarmee een sjibbolet, een soort wachtwoord dat aangeeft of je al dan niet ‘bij ons’ hoort.

Sjibbolet is ook de naam van een voordracht die de grote Franse filosoof Jacques Derrida in 1984 hield. De tekst is nu voor het eerst (door Ger Groot) in het Nederlands vertaald. In dit diepserieuze boekje filosofeert Derrida door op enkele frases uit het werk van de dichter Paul Celan. Over diens poëzie gaat het maar zijdelings; het is eigenlijk een verhandeling over de grenzen van de taal.

Als taalfilosoof kun je de nadruk leggen op het wonder dat wij via woorden deuren naar het andere kunnen openen. Zonder taal zit je maar mooi ingemetseld in je eigen universumpje. In die zin is taal bevrijdend. Taal maakt je geest mobiel.

Je kunt echter ook wijzen op het inherente falen van taal, op het feit dat taal nooit helemaal perfect uitdrukt wat het wil uitdrukken. Je geeft ̩̩n woord aan dingen die eigenlijk, als je heel goed en aandachtig kijkt, niet hetzelfde zijn; de ene kat is nu eenmaal de andere niet. Sterker nog, de dingen vallen niet eens met zichzelf samen, omdat in werkelijkheid alles altijd verandert Рhoe miniem ook. Juist als je iets h̩̩l precies probeert te zeggen, lukt het niet meer. Dan verdwijnt de taal in het unieke. Dan word je sprakeloos.

Boekenkrant

Derrida heeft dit licht tussen de woorden en de dingen tot het hoofdthema van zijn denken gemaakt. Dus er gebeurt wel wat als hij zich over het werk van de Duitstalige dichter Paul Celan buigt. Celan probeert unieke frases te vinden, en stuit op het hopeloze van zijn onderneming. Werkelijk unieke woorden zouden onleesbaar, onbegrijpelijk zijn. Een gedicht, de ‘gestalte geworden spraak van een enkeling’, betaalt daarom onvermijdelijk ‘de verschrikkelijke tol’ van het verlies van zijn enkelvoudigheid, aldus Celan. Maar een gedicht is ook een hoopvolle klop op een deur. Elk gedicht hoopt een sjibbolet te zijn. ‘Ik spreek een woord in de taal van mijn lichaam. Krijg ik daarmee toegang tot jou?’

De poëzie van Celan resoneert duidelijk in Derrida; hij opent de deur, en doet dankzij Celan intense ervaringen op. Maar die deur waar Derrida doorheen kan, is hier wel heel sterk aan Derrida zelf gebonden. Soms kan ik als lezer meepiepen, en dan treft wat Derrida te zeggen heeft mij in het hart. Soms ook volg ik hem niet, en dan komt wat hij zegt ronduit gekunsteld en gezocht op me over.

Derrida maakt bijvoorbeeld veel werk van besnijdenis; een woord dat bij Celan nauwelijks voorkomt. Voor Derrida is besnijdenis een soort sjibbolet, een teken dat je bij de groep behoort, en hij verbindt het met thema’s als omcirkelen, jaarringen, de cyclische terugkeer van gedenkdagen, et cetera. Dat werkt misschien nog wel in het Frans – (om)cirkelen klinkt mee in het woord circonsicion – maar in het Nederlands (en in het Duits van Celan!) veel minder. De indruk blijft hangen dat Derrida er in zijn eigen taal met zijn eigen thema’s vandoor gaat. De band met Celan is hier dunnetjes, en ik hoor er als vrouw en niet-joodse al even helemaal niet bij.

Ik vind dat geen moreel probleem. Uitsluiting is de prijs van elke werkelijke belichaming van een bepaalde taal. Het maakt alleen wel dat ik wat lauw op dit traktaat van Derrida reageer. Waarschijnlijk heeft Derrida’s tekst veel waarde als je het wachtwoord spreekt. Zo niet, dan blijf je grotendeels buitenstaander.

Verscheen in de Volkskrant