Dinsdag, 25 november, 2008

Geschreven door: Hooijer, D
Artikel door: Hopman, Bob

Sleur is een roofdier

Archeologiegedichten, gokproza en een loserschrijver

[Interview] Niets is zo moeilijk als het doorgronden van een mens. Zeker niet als die mens kunstenaar is: schrijver van zowel gedichten als proza. Die moeilijkheid blijkt weer al ik professioneel voorbereid, ingelezen en met een stapel vragen op zak aankom bij een klein huis in Hilversum, waar D. Hooijer (Pseudoniem van Kitty Ruys, 1939) woont. Alle voorbereidingen blijken zinloos, want het interview verzandt onder invloed van enorme koppen koffie en toast met brie al snel in een huiselijk gesprek. En gesprek waarin overigens, als je goed oplet, zeer zinnige opmerkingen vallen.

Misschien was het beter geweest minder literatuur te lezen, maar meer informatie te verzamelen over archeologie ter voorbereiding van het interview. Op dat onderwerp komt D. Hooijer voortdurend terug. En niet alleen omdat zij een gepassioneerd amateurarcheologe is, maar ook vanwege de invloed die de archeologie op haar werk heeft gehad.

De dichter, de ouderdom
D. Hooijer begon haar schrijverscarrière als dichter. Vanaf haar zestiende schreef ze gedichtjes, maar pas in de jaren tachtig kwamen de eerste publicaties. Enkele bundels verschenen bij de toenmalige uitgeverij De Beuk, later ook in Revisor, onder pseudoniem Milly Wiers. Dat is inmiddels vijfentwintig jaar terug, en toch zijn de thema’s niet zo wezenlijk anders dan in de boeken die ze onlangs heeft geschreven. Heide, eenzaamheid, en ouderdom. ‘Ja, de thema’s zijn vrijwel hetzelfde gebleven, behalve de archeologie dan, die in Sleur is een roofdier niet zo uitgesproken voorkomt.’ Maar waarom dat verval, die ouderdom, als voor een schrijver die goedbeschouwd toch pas net veertig was? ‘Ja, ik was pas veertig, nu ben ik negenenzestig, maar in feite voelde ik me toen ouder dan nu. Ik ben snel moe, heb een zwak lichaam, dat is niks ernstigs, daar ben ik mee naar de dokter geweest. Ze vonden niks. Ik ben gewoon een conglomeraat van zesminnen, hart, longen, lever. Allemaal krap voldoende. Maar goed, ik wandelde toen ook veel op de hei, zocht naar stenen, en ik wandelde altijd met dezelfde vriend. Hij had een theorie volledig uitgedacht, wilde per se een bepaald gesteente vinden, en die theorie was gedoemd te mislukken. Ik moest daar toen afstand van nemen, ik moest van al die dingen afstand nemen: vriendschap, archeologische theorie, en dat uitte zich in die zwaarmoedigheid.’

Na de eerste publicaties werden veel gedichten afgekeurd. Voortdurend naar de uitgever gestuurd, en teruggekregen. ‘We vinden het mooi, en het heeft potentie, maar het past momenteel qua thema niet tussen onze uitgaven, zulke brieven werden teruggestuurd. Een dichter moet ook een beetje mazzel hebben’, zegt ze. Zoals Kees Ouwens, die door niemand werd begrepen, vervolgens werd uitgelegd door Bloem, en ineens succesvol werd. ‘Als archeologiedichter had ik misschien ook wel zo’n mecenas nodig gehad. Immers, van archeologie weet niemand wat.’

Wordt Vervolgd

Archeologiepoëzie, het is een onbekend genre, maar D. Hooijer gebruikt het woord alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. En ze heeft wel een punt, want de enige manier om de gedichten goed te begrijpen is door middel van voorkennis over de prehistorie, en hoe deze onderzocht wordt. Wel bekent ze: ‘Als ik die gedichten nu zou hebben geschreven, had ik het heel anders gedaan. Dan had ik het thema er subtieler, voorzichtiger in verwerkt. Maar ik ben met mijn gedichten dan ook nooit klaar.’

De eerste verhalenbundels
Pas in 2001 verschijnt bij uitgeverij Van Oorschot onder pseudoniem D. Hooijer de eerste verhalenbundel, Kruik en kling. ‘De uitgever was enthousiast over de verhalen, maar wilde wel weten of de verhalen een eenmalige uitspatting waren, of dat er een propje los was gekomen. Ze kijken namelijk altijd of iemand van plan is meer te gaan schrijven. Dus ik zeg: het is een propje.’ De bundel Kruik en kling wordt door haar weer als archeologieliteratuur getypeerd.
Na Kruik en kling verschijnt in 2004 de bundel Zuidwester meningen. ‘De meest zwaarmoedige van de drie verhalenbundels. Ik schrijf niet over gekken zoals vaak gezegd wordt; ik schrijf over losers. Ik ben een zogenaamde loserschrijver.’ Dit genre van de loserschrijver presenteert ze op dezelfde vanzelfsprekende manier als de ‘archeologieliteratuur’, of de ‘gokverhalen’, waarmee Zuidwester meningen vol staat. Hooijer zelf heeft ook een tijd achter de gokkast doorgebracht. ‘Ik verveelde me verschrikkelijk in die tijd. Een barvrouw wist mij gelukkig met mathematische precisie de werking van een kast uit te leggen die daar stond. En dan zat ik elke dag tot precies zes uur daar te spelen. Zes uur naar huis, want anders ging mijn man in zijn eentje een boterham met gestampte muisjes eten, en dat wilde ik dan ook weer niet. Ik voelde mijzelf wel verslaafd, maar volgens de anderen in het café was ik dat niet: een echte verslaafde gaat niet naar huis om zes uur. Uiteindelijk zag ik een echte verslaafde aan de gokkast zitten. Toen wist ik pas wat een loser dat was, en dat ik stoppen moest voor het zover kwam.’

De pessimistische sfeer in Zuidwester meningen is een direct gevolg van de gokperiode, van gebeurtenissen in het eigen leven. Voor de archeologieliteratuur geldt het zelfde. Toch vindt Hooijer zichzelf geen autobiografisch schrijver. ‘De verhalen en gedichten bevatten autobiografische elementen, maar zijn meer zelfreflectief dan autobiografisch. Ik ben een auditief ingesteld mens. Dingen die tegen mij gezegd worden onthoud ik letterlijk, en die komen dan wel eens zo in mijn verhalen terecht. Maar het leukste blijft om karakters vanaf de basis op te bouwen.’

Literaire prijs
En toen kwam de bundel Sleur is een roofdier, dat de Libris Literatuurprijs 2008 won. Wat doet een loserschrijver met een literaire prijs? ‘Tja, ik snap het nog steeds niet helemaal, ik had ook nooit verwacht dat ik ging winnen. En nu word ik nog wel eens wakker met de gedachte van “wat is er ook al weer voor leuks gebeurd”. Oh ja, de prijs.’ D. Hooijer erkent dat het aanvoelt als bekroning van enkele decennia werk. Toch levert het ook vijandigheid, jaloezie op. Niet bij collegaschrijvers, maar bij mensen dichterbij.
De positieve gevoelens echter overheersen. ‘Het is heerlijk als iemand tegen je zegt: schrijf eens iets. Een verhaal van Gerard Reve, die refereerde aan het klagen van de schilder Pannekoek: “Als schrijver hoef je gelukkig nooit in opdracht te werken, nooit vraagt iemand: schilder eens een doek met een brommer erop, en een vleugel, en een loopvogel op de voorgrond.” Maar het lijkt mij heerlijk als iemand een verhaal met een brommer en een loopvogel aan mij zou vragen. Ik zou direct aan het werk gaan.’ En het prettige is, nu zo’n prijs, en de erkenning en beroemdheid eenmaal binnen zijn komt dat soort opdrachten ook, zoals laatst van de Koninklijke Bibliotheek. ‘Schrijf eens wat voor ons.’ D. Hooijer echter voelt zich geen gerespecteerd schrijver, eerder een parvenu in de literaire wereld. Maar de gevolgen van een grote prijs zijn fijn. En dan ineens, tussen neus en lippen door: ‘Ik zou nu zo kunnen stoppen’. Als een topsporter die na zoveel jaren werk eindelijk zijn Olympisch goud binnen heeft.

De echte roman
In enkele interviews, waaronder in het NRC handelsblad van 2 mei 2008, zegt D. Hooijer nu eindelijk eens een Roman te willen schrijven. Een vrijwel voltooide roman heeft ze inmiddels klaarliggen, zo bekent ze. Toch kost het heel wat moeite exact uit te leggen wat voor haar het verschil maakt tussen een ‘verhaal’ en een ‘roman’. ‘Een echte roman, dat vind ik in de oude werken van bijvoorbeeld Maarten ’t Hart. Daar vindt men dat waarlijk “romantische”. Een schrijver moet zich tot in het uiterste inleven in zijn verhalen. ‘Het grote probleem van een roman, is dat het een droom bevat, en die droom daar moet een einde aan komen. De droom gaat ofwel dood, of wordt doodgeschreven.’ De tweede categorie, zo beaamt Hooijer, is die van de mislukte romans. ‘Aan een boek waarin de droom kapot gaat moet een eind worden gemaakt. Dat is ofwel een slecht einde, ofwel een gesuggereerd slecht einde.’ Droevige verhalen van schrijvers die hun dromen hebben moeten ‘vermoorden’ komen voorbij. Flaubert, Vestdijk. ‘Ik weet niet of ik in staat ben een dergelijk offer te maken.’

Ja, en natuurlijk is er nog een derde categorie, en zijn er ook boeken die goed eindigen. Sprookjes. ‘En ze leefden nog lang en gelukkig. Lang en gelukkig leven, daar heeft helemaal niemand wat aan, behalve misschien enkele godsdienstige fundamentalisten. Zo kende ik iemand en die wilde lang en gelukkig leven, alleen maar om God te zien. Ik geloof niet in dat goede einde, ik ben daar veel te cynisch voor.’

Hoe heeft zij dit ‘romantische’ dan voor zichzelf weten te verantwoorden? Een kleine glinstering in de ogen. ‘Ik heb er zowel een einde aan gemaakt, als niet een einde aan gemaakt.’ En dan: ‘Maar weet je, eigenlijk zouden niet te veel mensen mijn roman moeten kopen. Want heel veel mensen denken dan: oh, wat leuk, het nieuwe boek van, en dan snappen ze er vervolgens niks van. Dan wordt het wel veel gekocht, maar niet gelezen.’

Voor het eerst verschenen op Recensieweb