Zondag, 13 juni, 2021

Geschreven door: Rovere, Maxime
Artikel door: Hulspas, Marcel

Spinozaland

Een genot om te lezen

[Recensie] De regen kwam met bakken uit de hemel. Maar de schipper stelt de reiziger gerust. “Springt u maar op de wal. En dan links, rechts en nog een keer rechts, daar is het huis van de chirurgijn.” En korte tijd later vond hij inderdaad het gezochte huisje. De meid deed open en de bezoeker stelt zich in het latijn voor: “Oldenburg, nobili saxo. Ik wens de heer Spinoza te spreken…”

Was het écht slecht weer, die dag? De meid verstond de bezoeker niet, vertelt Maxime Rovere – verstond de schipper hem wél? Of voelde de schipper aan dat zulk hoog bezoek maar één doel kon hebben: Bento de Spinoza? Het is het eeuwige probleem bij ‘geromantiseerde’ non-fictie: de werkelijkheid is altijd verwarrend en chaotisch, en een roman moet nu eenmaal vaart maken.

Vaart, dat maakte Henri Oldenburg in elk geval, in die zomer van 1666. De wetenschapper/diplomaat reisde al geruime tijd door Europa, op zoek naar de belangrijkste vertegenwoordigers van de ‘Nieuwe filosofie’. Zo kwam hij ook in Amsterdam, waar hem werd verteld dat hij ook langs Rijnsburg moest gaan, het ballingsoord van Spinoza. Spinoza begreep onmiddellijk dat hij een voorname gast over de vloer had. De heren zetten zich op een bankje (p. 262/263):

“Ze beginnen te praten over de erfenis van Descartes, van Bacon, over het bestaan van God, over het verschil tussen lichaam en geest… Zo begint er tussen deze beide mannen, ‘die de waahyt opregtelijk beminnen,’ een ongebruikelijke relatie (…) de aanvang van een soort van verstandhouding die zo zeldzaam en bijzonder is, dat ze vandaag de dag bijna ondenkbaar is. (…) Zonder er zich echt van bewust te zijn, brengt hun gedeelde interesse hen ertoe, beurt voor beurt, dingen onder woorden te brengen die ze nooit eerder tegen iemand hebben gezegd. Naarmate hun durf en vertrouwdheid groeit, is het alsof hun woorden steeds beter kloppen, alsof de lucht zuiverder wordt, alsof de dingen in het Universum veranderen in een groots golvenspel dat hen zachtjes wiegt.”

TijdvoorTijdschriften

Ook dát is geromantiseerde non-fictie. Waar non-fictie kan volstaan met de mededeling dat Oldenburg en Spinoza het goed met elkaar konden vinden, begint in Spinozaland het Universum te golven.

Draagt al die dichterlijkheid iets bij? Draagt het überhaupt iets bij om Spinoza’s leven te ‘romaniseren’? Wiep van Bunge, onze ‘nationale’ spinozakenner, meent van wel. In de inleiding bij Maxime Rovere’s Spinozaland schrijft hij dat Rovere op deze manier de gaten in onze biografische kennis “naar believen” kan inkleuren maar daarnaast laat zien dat Spinoza “de aanjager en uiteindelijk de belangrijkste woordvoerder [was] van een hele generatie van Amsterdamse vrijdenkers” en dat zijn werk ontstond uit “een permanente interactie met zijn onmiddellijke omgeving”.

Dat laatste is zeker waar, en vormde ook heel lang een onderbelicht aspect van ’s mans leven. Sinds de Spinozaverering opkwam, nu zo’n anderhalve eeuw geleden, wordt Spinoza vaak afgeschilderd als een verheven, onbegrepen ziel, vastgezogen in de Hollandse klei, omringt door nitwits. Maar dat beeld werd vanaf 1945 vaak en stevig gecorrigeerd – en Rovere maakt uiteraard goed gebruik van alles wat sindsdien allemaal boven water is gehaald. Maar ‘aanjager’ en ‘woordvoerder’? Andere Hollandse vrijdenkers liepen veel meer in het oog, en timmerden veel meer aan de weg.

Daarbij komt dat die collega-vrijdenkers er in Spinozaland toch wat bekaaid van afkomen. Rovere schetst geen tijdperk of cultureel klimaat; het blijft een (geromantiseerde) biografie van Spinoza. Anderen vervullen bijrollen. Met twee uitzonderingen. Rovere besteedt (en dat is origineel) uitgebreid aandacht aan de ondergang van de vrijdenker Franciscus van den Enden, die naar Parijs was verhuist en betrokken raakte bij een samenzwering tegen Lodewijk XIV. Hij schreef een grondwet voor een vrije Bretonse republiek, een werkstuk dat hem op het schavot bracht.

En we vernemen het tragische levensverhaal van Niels Stensen, alias Nicolas Steno, de Deense arts die in heel Europa geroemd werd om zijn geniale anatomische dissecties, en die tevens de grondlegger is van de moderne geologie – maar op het hoogtepunt van zijn carrière koos voor het katholicisme. Dat ‘verraad’ werd hem door alle filosofen uiteraard niet in dank afgenomen. Voor hen stond de Kerk gelijk aan onderdrukking en bijgeloof. Maar ook Steno zélf raakte uiteindelijk in een (tweede) geestelijke crisis, en stierf onder erbarmelijke omstandigheden.

Spinoza, stilletjes werkend in Rijsburg en daarna in Voorburg en Den Haag, werd door de Hollandse vrijdenkers zeer gerespecteerd, maar hij was te veel een denker, en ook te ‘duister’, en zijn productie was te bescheiden om echt ‘woordvoerder’ van de beweging te zijn. Hij was anders dan andere, dát was wel duidelijk. En vooral dankzij Oldenburg, die veel langer in Rijnsburg bleef dan hij van plan was en diep onder de indruk raakte, maakte heel intellectueel Europa kennis met Spinoza’s inzichten.

Systematisch, logisch, maar ook vermoeiend abstract, bouwde Spinoza aan het fundament voor een nieuwe wereldbeeld. Velen begrepen er niets van, anderen briesten van verontwaardiging, weer anderen (waaronder Oldenburg) keken vol verwachting uit naar wat Spinoza nog meer zou brengen. Misschien wel de enige ‘nieuwe filosoof’ die niet onder de indruk was, sterker: die niets van Spinoza moest hebben, was Christiaan Huygens. De overambitieuze Huygens weigerde te accepteren dat een landgenoot slimmer en beroemder was dan hij. Een eerste ontmoeting werd een mislukking, en Spinoza bleef voor Huygens ‘die jood’, zoals hij hem snerend aanduidde.

Regen of niet, Spinozaland is een genot om te lezen. Afgezien van de passages waarin het Universum golft, of waarin Rovere dapper probeert om Spinoza’s toch vaak duistere filosofie op bloemrijke wijze uit te leggen, leest het boek als een trein. Rovere schetst een levendig beeld van de kibbelende joodse gemeenschap in Amsterdam, van de strijd tussen voor-  en tegenstanders van het nieuwe denken en van de politieke verwikkelingen in die jaren. Met name de moord op de gebroeders de Witt greep Spinoza erg aan. Leibniz, een andere grootheid die bij Spinoza langskwam en diep onder de indruk raakte, vertelde hierover later:

“Hij zei me dat op de dag dat de gebroeders De Witt gelyncht werden, hij de straat wilde oprennen om een plakkaat op te hangen op de plaats van de moordpartij met de woorden Ultimi barbarorum – de ergsten onder de barbaren. Maar zijn huisbaas sloot hem op om hem te belemmeren naar buiten te gaan en zo de kans te lopen zelf in stukken gescheurd te worden.”

Rovere komt na dit citaat met zijn eigen versie van het gebeuren:

“‘Hendrik doe open! brult Spinoza terwijl hij op de deur van zijn kamer bonkt. Hendrik! Hendrik! Hendrik!’
‘Ik… Ik kan het niet Benedictus. Het spijt me maar… ik kan het niet!'”

Et cetera.

Spinoza was altijd al ziekelijk, en stierf in 1677. Op dat moment verrichtten zijn vrienden hun grootste daad: ze zetten alles op alles om alle nagelaten geschriften te verzamelen, en zo snel mogelijk uit te geven, voordat Spinoza’s tegenstanders zijn nalatenschap in handen kregen. (De lezer is dan omstreeks pagina 520 van de 560, dus waarom de uitgever het boek de ondertitel De ontdekking van de vrijheid – Amsterdam, 1677 heeft meegegeven is deze recensent een raadsel. Net als waarom voor de omslag een schilderij is gebruikt van de Amsterdamse beurs.) Het zijn deze Opera Posthuma geweest, die de faam van Spinoza voorgoed hebben gevestigd. Eindelijk, eindelijk, kreeg Leibniz nu de Ethica onder ogen, dat boek waarover al zoveel jaren werd gesproken. Hij ploeterde zich een weg door Spinoza’s stellingen, piekerde zich suf, hoorde de stem van een groot denker – en verwierp de inhoud radicaal. De Ethica zou het einde betekenen van elk godsgeloof, elke moraliteit. En Leibniz stond hierin niet alleen. Er volgde een ware maalstroom van anti-Spinoza geschriften. Een nieuw tijdperk was aangebroken.

Eerder verschenen op Sargasso