Zondag, 15 december, 2019

Geschreven door: Frissen, Paul
Artikel door: Snijders, Jochem

Staat en taboe: Politiek van de goede dood

“Ik wil gewoon, huppakee, weg”

[Recensie/bespreking] Wie het euthanasiedebat in Nederland de afgelopen jaren heeft gevolgd zal zich deze uitspraak van Hannie Goudriaan misschien nog kunnen herinneren. Goudriaan was een van de drie mensen die gevolgd werden in de documentaire Levenseindekliniek (2016) van Marcel Ouddeken en Hans Kema. Goudriaan wordt in deze documentaire anderhalf jaar lang gevolgd op haar pad naar een zelfgekozen levenseinde. Ze had semantische dementie, waardoor ze steeds minder woorden tot haar beschikking had om zichzelf uit te drukken. “Ik wil graag klaar” is een andere zin die ze gebruikt om haar doodswens te verwoorden.

Anderhalf jaar verder, wanneer de dementie al ver gevorderd was, was het moment van euthanasie daar. Van de vrouw die stellig haar eigen dood agendeerde, leek op dat moment weinig over. In de ogen van veel kijkers waren het haar echtgenoot, naaste familie en de arts die haar er op dat moment van proberen te overtuigen dat het spuitje toch écht beter voor haar was. “Het is verschrikkelijk” fluisterde ze terwijl de arts haar de injectie toediende, “verschrikkelijk.” “Even dapper wezen” antwoordde haar echtgenoot, zijn arm om haar heengeslagen, “je bent al zo’n tijd dapper.”

Het recht om te doden

De uitzending van Levenseindekliniek deed veel stof opwaaien. Niet alleen de beslissing om het stervensmoment zelf in beeld te brengen bleek controversieel, de omstandigheden waaronder de euthanasie werd toegediend konden eveneens op geschokte reacties rekenen: “Moord met anderhalf miljoen getuigen” tweette hoogleraar cognitieve neurowetenschap, Victor Lamme, bijvoorbeeld.  “Levensgevaarlijk” vond SGP-leider Kees van der Staaij. Volgens anderen deed de manier waarop de documentaire was gemonteerd echter geen recht aan de daadwerkelijke omstandigheden. Zo publiceerde de Volkskrant een achtergrondartikel waarin het verhaal achter de beelden wordt genuanceerd.

Sociologie Magazine

Hoe we de beelden in de documentaire ook moeten opvatten, ze roepen in ieder geval een aantal prangende vragen op. Is het ethisch geoorloofd iemands verzoek op levensbeëindiging in te willigen wanneer die zijn of haar doodswens niet langer kan uitdrukken? En hoe zit dat bij patiënten met een psychische aandoening of een ‘stapeling van ouderdomsklachten’, zoals de andere twee deelnemers aan de documentaire? In hoeverre moet de huidige regelgeving rondom euthanasie verruimd worden?

Opvallend is dat de argumenten voor of tegen het verruimen van de euthanasiewet doorgaans op dezelfde leest geschoeid zijn, namelijk de ethische. De voornaamste inzet lijkt de keuzevrijheid van het individu te zijn: iets waar de politiek zich niet mee moet bemoeien. Het debat lijkt zich vooral te richten op kwesties waarbij die keuzevrijheid in het geding komt. In Staat en taboe stelt Paul Frissen dat hierdoor echter een fundamentelere vraag dreigt te worden vergeten: mag de staat het recht om te doden, besloten in het geweldsmonopolie, delen? Of, zoals Frissen het anders formuleert: “Mag de staat … burgers – in dit geval dokters – toestaan andere burgers te doden?” 

Wetgeving aanscherpen

Frissen tracht deze vraag politiek-filosofisch te beantwoorden, “niet ethisch, moreel of religieus”, en doet dit op uiterst nauwkeurige wijze. Elk hoofdstuk in het boek belicht een bepaald aspect van de problematiek rondom de ‘politiek van de goede dood’. In het eerste hoofdstuk belicht Frissen de huidige Nederlandse praktijk van “levensbeëindigend handelen”, en geeft hij een schets van het beleid, de wetgeving en het huidige debat rondom euthanasie. In de drie daarop volgende hoofdstukken schetst hij drie “fenomenen” die dienen als theoretisch kader om zijn vraag te beantwoorden: de grens, het verbod en het taboe. 

In zijn onderzoek naar het fenomeen van de grens gaat Frissen vooral in op de vraag of de staat grenzen moet stellen aan de autonomie en zelfbeschikking van de burger, en zo ja, welke. De zelfbeschikking van het individu bestaat volgens Frissen alleen binnen de context van de gemeenschap, en kan alleen worden gelegitimeerd met een politieke beslissing. Het stellen van grenzen “in velerlei zin” is volgens Frissen de normatieve kerntaak van het politieke: “Levensbeëindiging door geweld – ook op verzoek – gaat over ultieme begrenzing.” De dood is immers ook het definitieve vertrek uit de gemeenschap.

Dit brengt hem bij het fenomeen van het verbod. Allereerst het verbod op doden: “Omdat de staat het geweldsmonopolie bezit, is het doden van burgers door burgers verboden.” De staat heeft geweld nodig om staatsmacht uit te kunnen oefenen, en staatsmacht is nodig om het recht te handhaven. Geweld gaat als eerste grond vooraf aan het recht, maar is ook een laatste grond: de staat houdt op staat te zijn als deze niet meer over het geweldsmonopolie beschikt. Naast het verbod op doden behandelt Frissen de verboden die voortkomen uit de biopolitiek: de staat is zich steeds intensiever gaan bemoeien met leven en dood, en ontwikkelingen rondom levensverlenging, levensverbetering en levensbeëindiging roepen nieuwe vragen op rondom begrenzing en verbod. Frissen besteedt hier speciale aandacht aan de positie van de medicus: “Hij mag gelegitimeerd ingrijpen in het leven, en uiteindelijk mag hij doden. Wordt daarmee het ultieme verbod opgeheven voor de dokter? Deelt de staat met hem zijn geweldsmonopolie? Of wordt de dokter voor deze taak de dienaar van de staat?”

Hier belandt Frissen bij het derde fenomeen, dat van het taboe: “De staat heeft grenzen en verboden nodig, en deze worden gemarkeerd door taboes.” Deze taboes zijn essentieel voor het in stand houden van de orde. Nederland, zo stelt Frissen, ziet zich als “taboedoorbrekende natie ‘par excellence’.” Het doorbreken van een taboe is echter ook altijd een aantasting van de machtsverhoudingen. Bovendien, zo vraagt Frissen: “Het doden van een mens kan toch onmogelijk zonder taboes worden begrepen?”

In het vijfde hoofdstuk brengt Frissen deze drie fenomenen ten slotte bij elkaar om te concluderen dat de staat er goed aan doet de bestaande wetgeving aan te scherpen in plaats van haar nog verder te verruimen: “De zelfbeschikking die zelfdoding is, moet scherp worden onderscheiden van het doden door de staat dat de vrijheid moet dienen. De goede dood die van staatswege mogelijk wordt gemaakt moet onderwerp van taboes blijven.” Voor Frissen is de dreiging van een hellend vlak reëel: naarmate meer mensen toegang krijgen tot het recht op levensbeëindiging zullen ook meer en meer burgers – in dit geval artsen – deel krijgen aan het geweldsmonopolie, waarbij het onduidelijk is in hoeverre deze artsen de staat dienen of de burger die meent recht te hebben op zelfbeschikking.

Interessante invalshoek

In deze theoretische uiteenzetting passeren begrippen als ‘Faustisch verlangen’, ‘het taboe van de niet-dood’ en ‘sacrale secularisering’ de revue, en wordt er ruimte gemaakt voor filosofische kwinkslagen als het onderscheid tussen ‘grenzeloos’ en ‘grenzenloos’. Frissens uiteenzetting van zijn theoretische concepten is bijzonder fijnmazig. Tegelijkertijd verliest hij zichzelf soms te veel in wat voor een minder ingewijde lezer aanvoelt als detailwerk. Hierdoor zijn bepaalde passages op zichzelf interessant, maar verdwijnt de argumentatieve rode draad uit het oog. Met name het hoofdstuk over grenzen lijdt hieraan. Frissen neemt uitgebreid de ruimte om het fenomeen van de grens en haar verschillende aspecten te bespreken: het onderscheid tussen binnen en buiten dat de grens inhoudt; de invloed van de grens op zelfbeschikking; het symbool van de grens; territoriale grenzen; conceptuele grenzen; grenzen die door het politieke worden gesteld; de grens tussen leven en dood; grenzen en identiteit; de scheppende kracht van de grens; grenzen stellen aan grenzen stellen – Frissen besteedt veel aandacht aan het leggen van een stevig theoretisch fundament voor zijn ideeën. In passages als deze veroorzaakt die drang naar volledigheid bij de lezer echter vooral een gevoel van semantische verzadiging.

In een onderdeel van het eerste hoofdstuk speelt het tegenovergestelde probleem: in ‘Voltooid leven’ en euthanasie – een kleine antropologie wordt een breed scala aan figuren die op een manier met het euthanasiedebat te maken hebben aan het woord gelaten. Doel van Frissen is hier om een overzicht te geven van de meningen die zoal verkondigd worden door mensen die direct met het onderwerp te maken hebben. Deze meningen worden met weinig commentaar of kritische toetsing weergegeven, hoewel sommige uitspraken nogal bizar zijn. Zo stelt een tegenstander van de strafbaarstelling van euthanasie: “Uiteindelijk is het curieus dat Napoleon heeft bepaald dat het strafbaar is, een man die er allang niet meer is. Als ik, naar mijn levensovertuiging, principieel meen iets te mogen, dan is het onaanvaardbaar dat ik dan het stempel ‘crimineel’ krijg van de wet.” Een uitspraak die een politieagent ook had kunnen optekenen uit de mond van een katsbezopen lid van een literair dispuut. Het is prijzenswaardig dat Frissen de tijd heeft genomen te praten met mensen uit het vakgebied waar hij als filosoof over schrijft – naar mijn mening een vereiste voor iedere intellectueel die zich mengt in het publieke debat. Des te meer zonde dat Frissen hun woorden verbatim presenteert, en er ook in latere hoofdstukken niet echt meer op terugkomt. Dit zorgt ervoor dat zijn verdere theoretische verhandeling soms toch niet volledig in dialoog met het vakgebied voelt.

Hoewel Staat en taboe soms hoge eisen stelt aan het geduld van de lezer biedt het een interessante – en inderdaad ogenschijnlijk vaak vergeten – invalshoek op het euthanasiedebat. Een invalshoek die wellicht nieuw leven kan blazen in een vastgelopen discussie. Daarnaast zijn de individuele uiteenzettingen over de grens, het verbod, en met name het taboe ook op zichzelf interessant om te lezen. Hoewel Staat en taboe op het moment van lezen af en toe wat stoffig aan doet, biedt het achteraf vooral stof tot nadenken.

Eerder verschenen in Splijtstof

Zie eveneens de recensie van de hand van Nico Voskamp: Baas over eigen euthanasie?