Vrijdag, 17 augustus, 2012

Geschreven door: Dis, Adriaan van
Artikel door: Steendam, Tom

Stadsliefde

Eenling te midden van vreemden

Het is een stad waar iedereen weleens geweest is: Parijs, de stad van de liefde, met haar bekende toeristische trekpleisters als de Eiffeltoren, het Louvre en de Notre-Dame. Adriaan van Dis (1946) geeft in zijn laatste boek Stadsliefde. Scènes in Parijs een ander en daarmee completer beeld van de stad waarin hij zeven jaar lang woonde en werkte. Parijs, ‘de grootste Afrikaanse stad buiten Afrika’, grossiert in tegenstellingen tussen kleur, afkomst en welvaart. Van Dis wandelt er als buitenstaander doorheen, en wordt er en passant herinnerd aan zijn moeizame jeugd tussen zijn Indische familieleden. ‘Ik ben hier vreemdeling tussen vreemdelingen. Aangenaam verloren en dus thuis.’

[Zie ook de voorpublicatie op Athenaeum.nl.]

Parijs wordt in 51 schetsen van alle kanten onderzocht en ontdekt. Van Dis tekent haar in alle seizoenen en op alle tijdstippen. Metro, tram en bus brengen hem in onbekende parken en wijken, waar hij zijn ontdekkingsreis te voet vervolgt – in de roman De wandelaar (2007) over een man die in de voetsporen van een zwerfhond het Parijs van de illegalen en zwervers te zien krijgt, kwam het thema al eens terug. In Parijs kan Van Dis redelijk ongezien rondlopen, hij is er figurant ‘maar wel met de dubbelrol van luistervink en voyeur.’ Hij heeft oog voor iedereen, voor le blanc et le noir, voor zowel de ville vanille – het overwegend witte stadscentrum van Parijs – als les banlieues chocolat au lait – de zwarte buitenwijken.

Wanneer hij op Gare du Nord Afrikaanse vrouwen ziet, voelt hij een zekere verwantschap: ‘ook zij komen bepakt en bezakt uit een ander land.’ En met de buurtzwerver, monsieur Dubois, heeft Van Dis meer raakvlakken dan hij op het eerste oog zou denken: ook hij zwerft namelijk rond door Parijs, drinkt veel wijn, is soms eenzaam – al heeft de auteur natuurlijk wel een goedgevulde portemonnee en een fatsoenlijk dak boven zijn hoofd. De plek aan de zijlijn is een positie die hem goed bevalt:

Scènes

‘Misschien houd ik nog het meest van Parijs omdat ik er nooit bij zal horen, hoe ik me ook aanpas. Maar ik kom hier niet om opgenomen te worden (al doe ik net alsof), ik zoek juist het isolement: een eenling te midden van vreemden, een toestand die draaglijk is omdat kijken naar mensen me nooit verveelt.’

Dit betekent echter niet dat Van Dis zich niet meer opwindt: zo is hij woedend op de politici en architecten die de troosteloze betonnen flats in de banlieus bedachten – ‘Wat een minachting om mensen zo te laten wonen’. Hij is geëngageerd, maar gelukkig nergens belerend. Deze houding is een strategische zet: ‘hoe minder ik vind, hoe meer ik ontdek.’

Van Dis lijkt vrede te hebben gesloten met het vreemdelingzijn, een thema dat eerder in zijn oeuvre vooral voor schrijnende situaties zorgde: in de ‘Indische’ boeken – Nathan Sid (1983), Indische duinen (1994), Op oorlogspad in Japan (2000) en Familieziek (2002) – wordt pijnlijk duidelijk hoe hij zich als enige in Nederland geboren jongetje met zijn blanke huid niet thuis voelde tussen zijn tirannieke Indische vader en halfzussen.

In Stadsliefde komt Van Dis’ jeugd op meerdere momenten dichtbij. Hij herinnert zich zijn eerste bezoek aan Parijs toen zijn halfzussen hem Alleen op de wereld (!) van Hector Malot voorlazen en de geur van moeders parfum van het merk Worth Paris dat hem in gedachten meevoerde naar een Parijs vol ‘feest, mooie kleren en een stout gleufje.’ Tijdens een bezoek aan Père-Lachaise, de grootste begraafplaats van Parijs, komt in een prachtige passage de hersenschim van zijn gehate vader op: ‘De zon schijnt in het opdwarrelend stof. Een kwaad gezicht tekent zich erin af, een oude bekende – een man die allang dood en geruimd is. Wat komt hij hier spoken?’

Om zijn eigen heden en dat van Parijs te begrijpen, spit Van Dis dieper in het verleden. Hij loopt het liefst in de voetsporen van schrijvers zoals Charles Baudelaire, Ernest Hemingway en Louis Couperus – ‘Nederlands grootste dooie schrijver (inclusief de levenden).’ Hun boeken bieden herkenning en troost: ‘Dankzij boeken ben ik in Parijs nooit echt alleen.’ Het lezen van Inferno, het bizarre autobiografische verhaal vol alchemie en zwarte magie dat de Zweedse auteur August Strindberg in zijn Parijse jaren schreef, brengt bij Van Dis echter een diep gevoel van zwaarmoedigheid teweeg:

‘Hoe harder ik werk, hoe beter ik het gewoonlijk met mezelf kan vinden, maar door Inferno krijg ik opeens reuze met mezelf te doen. Waarom ben ik eigenlijk uit Amsterdam weggegaan? Wat zoek ik in een stad waar ik niemand meer ken? Met de halve vrienden die ik hier had, heb ik het contact verloren en de hele zijn weg of dood.’

Een pijnlijk eerlijke ontboezeming, al schept Van Dis’ opmerking dat hij het boek ‘vorig jaar in een vakantiehuis gelezen [heeft]’ verwarring. In zijn Boekenweekessay Onder het zink: un abécédaire de Paris uit 2004 staat namelijk precies dezelfde zin – Van Dis las Inferno dus ‘vorig jaar’ in 2004. Meer scènes blijken letterlijk overgenomen uit eerdere publicaties, want Stadsliefde bestaat niet volledig uit nieuw materiaal. Naast het Boekenweekessay verschenen enkele schetsen al eerder in literaire tijdschriften. Dat deze ‘flink herschreven’ zijn zoals de Verantwoording achterin Stadsliefde vermeldt klopt dus niet.

Het is een kleine smet op een verder schitterend boek. Van Dis’ kenmerkende compacte maar daarmee niet minder poëtische zinnen verleiden om opnieuw een bezoek aan Parijs te brengen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *