Zaterdag, 31 augustus, 2019

Geschreven door: Hertmans, Stefan
Artikel door: Heumakers, Arnold

Steden: Verhalen onderweg

Het eigene en particuliere van Europese steden

[Recensie] Over de verschillen tussen Vlamingen en Nederlanders is al heel wat afgeschreven. Vooral door Vlamingen, voor wie het contrast tussen Noord en Zuid nu eenmaal belangrijker is omdat zij de minderheid vormen. Ook de Vlaamse dichter en schrijver Stefan Hertmans ontkomt er niet aan in zijn boek Steden: Verhalen onderweg, zij het schoorvoetend. Eigenlijk kunnen ze hem nauwelijks schelen, al die “eindeloos overgekauwde tegenstellingen”, en de gedachte dat hij nergens helemaal bij hoort, bevalt hem wel.

Toch maakt hij in een relaas over Amsterdam en Brussel een onderscheid tussen de Nederlandstaligen die behoren tot de “Germaanse leefsfeer” en zij die tot de “Latijnse leefsfeer” behoren. Het is geen origineel of opzienbarend onderscheid, maar het verheldert iets over zijn boek, waarin de Latijnse of liever Franse invloed zich onmiskenbaar doet gevoelen.

Bijvoorbeeld in de tirade tegen RĂ©gis Debray’s Contre Venise (1995), een boek dat in Nederland voor zover ik weet onopgemerkt is gepasseerd. Door zijn ergernis bewijst Hertmans hoezeer het hem heeft geraakt. Debray’s afkeer van VenetiĂ« en zijn pleidooi voor Napels (waar nog de ‘natuurlijke’ echtheid te vinden zou zijn, die het tot museum verworden VenetiĂ« ontbeert) is in Hertmans’ ogen “het nieuwste snobisme van de mens die beweert VenetiĂ« door en door te kennen.” Een snobisme dat zich als anti-snobisme heeft vermomd.

Daarnaast stoort het Hertmans dat Debray probeert de ene Europese stad tegen de andere uit te spelen. “De Europese cultuur ligt verstrooid in de steden, die elk op zich tegen de eenduidige definitie van het woord cultuur pleiten. De hedendaagse cultuur wordt gevormd door de negatie van een vaste cultuur,” schrijft Hertmans. In zijn eigen boek legt hij meer gevoel voor de pluriformiteit van Europa aan de dag.

Boekenkrant

Steden bestaat uit een verzameling verhalende essays of essayistische reisverhalen, waarin telkens het eigene en particuliere van diverse Europese steden wordt belicht. Met als enige niet-Europese uitzondering: Sydney, dat Hertmans tijdens een bezoek aan Wenen zelfs even tot een paradijselijke droom weet te verleiden. In de andere essays zit het “paradijs” hooguit in de aandachtige stilte van de bibliotheken, die hij her en der waarneemt, en – vooral – in het eigen hoofd met zijn vele herinneringen en associaties.

In die persoonlijke benadering schuilt de rommelige charme van deze “verhalen onderweg,” al speelt het anti-snobistische snobisme à la Debray ook Hertmans wel eens parten. Dat kan ook moeilijk anders, gezien het vele dat er al over de bezochte steden is geschreven. Wie de aandacht wil vangen, zal met iets nieuws moeten komen, en voor je het weet ontstaat er een al te opzichtig contrast met de rest. Wanneer Hertmans over Marseille schrijft, kan hij het niet laten zich af te zetten tegen de doorsnee-toeristen die de Franse havenstad liever mijden of angstig doorkruisen, terwijl hij zich juist identificeert met de Marseillanen die de “roodgekookte toeristische kreeften” lachend negeren.

Hertmans realiseert zich heel goed dat hij hier in dezelfde val dreigt te trappen als RĂ©gis Debray, maar er helemaal aan ontkomen lukt hem niet. Ook in andere opzichten doet hij soms denken aan een typisch Franse intellectueel, die zijn hand niet zou omdraaien voor een karakteristiek van Marseille als “bij uitstek een plaats van de Logos, van het vertellen en van het Woord, en al evenzeer van de inflatie van het woord, het nooit komende Laatste Woord van de onkenbare Waarheid, die elke dag weer als een zwaard van Damocles boven de wijken hangt.” Voor de meeste lezers uit de ‘Germaanse leefsfeer’ zijn dit ongetwijfeld frasen die onuitstaanbaar koket en quasi-diepzinnig aandoen.

Debray’s onnadrukkelijke tegenpool in dit boek is Peter Handke, die – hoewel afkomstig uit dezelfde “Germaanse leefsfeer” – in Amsterdam evenmin op veel instemming hoeft te rekenen, zeker niet na zijn unzeitgemĂ€sse boek over ServiĂ«Ìˆ. Hertmans gunt hem, met de nodige politiek-correcte reserve weliswaar, het ‘voordeel van de twijfel’. Wat hij bewondert, is de dichterlijke onbevangenheid en de ‘hogere dwaasheid’ waarmee Handke de “smartboys van de media” en hun conventionele vanzelfsprekendheden heeft getrotseerd, zonder in Debray’s omgekeerd snobisme te vervallen.

Handke’s moed tot Alleingang lijkt hem met name in de verhalen over TriĂ«st en Wenen te hebben geĂŻnspireerd, waar hij – letterlijk – een tijdlang in zijn eentje doorbrengt, zonder “lief.” De eenzaamheid wordt er echter wat minder nijpend dankzij alle literaire herinneringen die hem door het hoofd spoken. Daardoor wekt Hertmans soms de indruk van een omgevallen boekenkast die op reis is gegaan, met niet altijd even verrassende gevolgen. Zo zijn in TriĂ«st uiteraard de schimmen van Joyce, Rilke en Svevo prominent aanwezig, in TĂŒbingen die van Hölderlin, in Dresden die van Mulisch en van de schilderende neef van Canaletto.

Wat moet dat niet in Wenen worden, vraag je je af, waar de literaire voorraad vrijwel onuitputtelijk is. Maar het valt mee. In Wenen luidt Hertmans’ parool: loslassen. Gedurende de maand die hij er verblijft, geeft hij zich over aan wat de stad te bieden heeft, en de verwijzing naar Rilke blijft beperkt tot een in de tekst verzinkend citaat uit Malte Laurids Brigge. Wenen daagt Hertmans uit. Van het thuisfront krijgt hij meewarige reacties, men beklaagt hem dat hij zo lang in “zo’n vreselijke stad” moet zitten. Maar, schrijft Hertmans, “inmiddels heb ik een stad leren kennen die bij ons niet bekend is – ver voorbij het centrum, in een tijdloze vrije openheid, waar de opwinding van Oost-Europa begint.”

Helaas is in de rest van het stuk niet veel terug te vinden van die beloofde “opwinding,” al valt vooral het verslagje van een bezoek aan het Friedhof der Namenlosen (met op een kruis de intrigerende tekst: “Unvergesslich”) niet tegen. Oost-Europa is bovendien al eerder aan de beurt geweest, in een verhaal over Bratislava. Daar blijkt de “opwinding” nogal paradoxaal uit te vallen. In de Slovaakse hoofdstad is, precies zoals voorspeld, niets “te zien,” maar juist dat wekt Hertmans’ fascinatie. In kleine anekdotes en zorgvuldige observaties schetst hij een mooi beeld van een post-communistische wereld die verkeert in wat Hertmans noemt “de tijd van het anachronisme,” een historisch vacuĂŒm tussen het “niet meer” en het “nog niet.”

Die tussenpositie bevalt hem, in Bratislava evengoed als in de “anti-stad” Marseille of in het “hoerige” Brussel; zij biedt hem alle gelegenheid om onbevooroordeeld om zich heen te kijken en te registreren. Zijn vermogen tot verwondering komt er volledig tot zijn recht, meer dan in afgekloven bestemmingen als TriĂ«st, TĂŒbingen of Dresden. En ook meer dan in zijn eigen woonplaats Gent, waaraan twee teksten in het boek zijn gewijd. “Thuis zetten we onze opmerkingsgave in de nulstand,” schrijft Hertmans lucide, zonder dat dit hem verhindert enige boutades ten beste te geven over het karakter van de Gentenaar, dat gekenmerkt zou zijn door “een moeilijk vatbare ernst en relativering” en door “een hang naar heimelijkheid, die scherp contrasteert met zijn grootsprakige hartelijkheid op het eerste gezicht.”

Inderdaad, om iets te kunnen zien dat de moeite waard is, moet je kennelijk op reis gaan. In Gent lukt dat alleen langs de omweg van het verleden, dat zich aandient in de vorm van een tentoonstelling van oude stadsfoto’s. Alleen op die manier krijgt de eigen vertrouwde omgeving alsnog iets vreemds en raadselachtigs, dat ook de alertheid van de lezer prikkelt. Voor het gefoeter tegen de fantasieloze stadsplanners ten stadhuize (waaraan Hertmans zich eveneens overgeeft) geldt dat aanzienlijk minder. Zo groot is het verschil tussen de beide “leefsferen” nu ook weer niet.

In de beste stukken van zijn boek doet Hertmans dat verschil teniet met zijn eigenzinnige, nieuwsgierige blik, aldus bewijzend dat het nog altijd mogelijk is in Europa rond te reizen zonder overal op clichĂ©s te stuiten. Maar tegelijkertijd laat hij zien – via het kritische wantrouwen waaraan hij, met wisselend resultaat, die blik onderwerpt – dat zoiets minder makkelijk is dan het lijkt.

Eerder verschenen in De Volkskrant  en op Arnold Heumakers