Donderdag, 29 oktober, 2020

Geschreven door: Cremer, Jan
Artikel door: Stoel, Jan

Storm

Kunst maken in alle vrijheid

[Recensie] Jan Cremer werd op 24 april 2020 tachtig jaar. Hij is al tachtig jaar begeesterd, energiek, schrijft en schildert, neemt geen blad voor de mond, confronteert, is overtuigd van zichzelf, laat zich niets opdringen, zoekt altijd de grenzen op, verkent nieuwe verten, is altijd zichzelf. Rondom zijn persoon steekt altijd wel een stormpje op. In 1964 brak hij als schrijver door met Ik Jan Cremer. W.F. Hermans noemde het een ‘schelmenroman.’ Het boek las als een trein, doorbrak taboes en stond voor waar de wilde zestiger jaren voor stonden.

In Storm gaat het over de periode voor de verschijning van dit boek en wordt een blik gegund op de eerste vierentwintig jaar van zijn leven. Op de cover staat een rake houtskooltekening van Cremer, in 1960 gemaakt door Paul Citroen, docent van hem aan de Vrije Academie in Den Haag. Het boek is een heerlijk kijkboek, met korte, scherpe en heldere teksten waardoor we Cremer beter leren begrijpen. Foto’s uit zijn privĂ©-archief, publicaties uit kranten, briefjes, citaten uit zijn literaire werk, afbeeldingen van schilderijen en allerlei andere parafernalia geven extra sjeu. Storm is het verhaal van een man die in soberheid leefde met een enorm geloof in zichzelf en Ă©Ă©n passie: kunst maken in alle vrijheid.

Ontroerend is de eerste tekening van Cremer, daterend van november 1942, kort na de begrafenis van zijn vader gemaakt. “De deksel van de kist heeft zes raampjes. Venstertjes met gordijntjes ervoor. Ik herinnerde me bij het zien ervan, zestig jaar later, dat mijn moeder me had verteld dat mijn vader me zo altijd vanuit de hemel kon zien.” Het was armoe troef bij de familie Cremer in Enschede.  Hun woning werd hen na de oorlog ontnomen, de buren hadden zich de kleding en het interieur toegeĂ«igend. “Tijdens de kerstdagen van 1947 stonden we op straat.” De straat werd zijn wereld. Hij zwierf op straat, sloot zich aan bij bendes, roofde en werd beroofd. Er volgde een leven in pleeggezinnen, wees- en kindertehuizen, koloniehuizen. “Ik was moeilijk opvoedbaar en werd Rijkspupil en bleef dat tot hij meerderjarig was”. Toen hij in 2000 zijn dossier begon op te vragen werd in 2004 bekend dat een hoge ambtenaar van het ministerie van Justitie het onmiddellijk na zijn verzoek vernietigd had. Cremer vraagt zich terecht af waarom?

“Ik heb nooit in het gareel gelopen. Ik wilde kunstenaar worden. Mijn moeder, een Hongaarse balletdanseres, stimuleerde dat.”

Ons Amsterdam

Die drang om te scheppen zat er al vroeg in. Op zijn veertiende maakte hij zijn eerste schilderij Oerwoud (nu in het bezit van het Stedelijk Museum Amsterdam). Je ziet de inspiratie van Cobra. Rood en zwart, belangrijke kleuren in zijn werk, overheersen en je wordt als kijker als het ware in het werk gezogen. Hij doet alles om te scheppen, geld te verdienen, gaat allerlei uitdagingen aan. Als een storm raast hij door. Hij solliciteerde als 14/15-jarige bij de marechaussee, werkt als pottenbakker, wilde leerling-journalist worden, monsterde aan bij de marine, smokkelde, was figurant bij toneelgroep Theater, trekt naar Rusland, heeft veel vriendinnen. Bij de marine deed Cremer het zo goed dat men hem voordroeg voor een officiersopleiding. “Maar ik had voor de marine gekozen om ooit ver weg op een tropisch eiland te dromen.”

“Ik ben al jarenlang op zoek naar mezelf. Ik moet vrijheid hebben,” is het adagium. Hij reist naar ItaliĂ« belandt in 1958 in Parijs in de Rue Santeuil waar onder meer Bram Bogart en Lotti van der Gaag een studio hebben. Terug in Den Haag gaat hij naar de Vrije Academie. Hij leeft als een zwerver van de hand in de tand, totaal berooid, maar slaagt er wel in om in 1959 in het Gemeentemuseum in Den Haag te exposeren. Hij schildert in felle expressionistische, harde kleuren. “Ik was op geen enkele academie te handhaven, omdat ik zelf wel uitmaakte wat ik deed. Hij vertrekt weer naar Parijs waar hij een beurs krijgt, maakt het geld meteen op, koopt een Harley Davidson, werkt in de Hallen in Parijs en woont bij allerlei meiden. Daarna vertrekt hij naar Ibiza waar hij aan Ik Jan Cremer begint.

De chronologie van vertellen is vaak wat springerig door de tijd. Vooral het onvoorwaardelijke geloof in zichzelf is het grote thema in het boek, dwars tegen alles in. Je krijgt steeds meer waardering voor Cremers onverzettelijkheid. De vele anekdotes in Storm zijn kenmerkend: uitgesproken, confronterend. Een artikel uit de Volkskrant van september 1959 beschrijft de ervaringen van een verslaggever die een uitnodiging voor een tentoonstelling van Cremer heeft gekregen en een manifest over ‘peinture barbarisme’ (woest beschilderde doeken met dikke lagen verf, gemengd met zang, jute en andere materialen). Op de vernissage slaat Cremer alles kort en klein. Willem Sandberg loopt weg mompelend dat hij het zeer interessant vond, maar dat hij wel eens terug zou komen als het schorriemorrie weg was. Of de feesten op een zolderkamertje in 1959 in Den Haag. Er is geen toilet en de dames konden plassen in lege verfpotten. En het verhaal van het monumentale vijfluik La guerre Japonaise, het iconische vijfluik uit 1960 dat in Museum de Fundatie te zien is, is genoegzaam bekend. Hij bood het te koop aan voor Ă©Ă©n miljoen gulden. Het verhaal gaat dat iemand dat ervoor wilde geven, onder voorwaarde dat Cremer tien jaar niet meer zou schilderen. Cremer weigerde: gelukkig! Laat de Cremerstorm nog maar even doorrazen.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles