Woensdag, 22 augustus, 2018

Geschreven door: Hankey, Donald
Artikel door: Verplancke, Marnix

Student onder de wapenen

Vrijwillig lijden in de loopgraven

[Rcensie] “Zalig is hij van wie men zegt dat hij zo graag gaf dat hij zelfs zijn leven heeft gegeven.” In zijn oorlogsessays, geschreven tot net voor zijn dood in de herfst van 1916, benadrukte Donald Hankey de strikte band tussen oorlog en religie. Een band die ook vandaag nog uiterst relevant is.

In overzichten van WO I-literatuur neemt Donald Hankey een kleine plek in. Hij schreef korte essays, of lange columns, het hangt er maar van af hoe je het bekijkt, over het leven in de loopgraven. De grote politiek interesseerde hem niet, maar wel de kleine man, zijn angst en zijn hoop, en het idealisme waarmee hij naar de oorlog was vertrokken en dat ondanks alles niet verzwakte. Hij schreef voor de Westminster Gazette en later voor The Spectator, het belangrijkste conservatieve opinieweekblad van het land, en focuste daarbij vaak op de rol van religie aan het front, als steunbeer in tijden van twijfel, en als baken van beschaving in een wereld vol barbaars geweld. En met succes. Toen hij op 12 oktober 1916 sneuvelde bij de Slag aan de Somme ging heel Groot-Brittannië in rouw. Iedere parochiepriester haalde hem tijdens de preek aan als lichtend voorbeeld voor de natie en van zijn tweedelige A Student in Arms, een verzameling van zijn essays, gingen in geen tijd 200.000 exemplaren over de toonbank. Veel dichter bij een heiligverklaring dan Donald Hankey kwam geen enkele WO I-schrijver.

Hankey kreeg zijn vooral om ethiek draaiende geloof van zijn ouders, en dan vooral van zijn moeder. Hij werd in 1884 in Brighton geboren, als achterkomertje in een gezin met zeven kinderen. Vader had zijn fortuin gemaakt in de Australische schapenindustrie en bracht zijn dagen door als een in filosofie en theologie geïnteresseerde kluizenaar. Moeder was huisvrouw. Op zondag ging het gezin naar de kerk en alle leden kozen zelf naar welke. Voor praktisch iedereen was dit een kerk die bij hun stand paste, uitgezonderd voor moeder en Donald, die naar All Souls gingen, een armenkerk, waar geen bankenpacht betaald werd en je niet op kussens zat. Zij waren zowat de enige rijken die er kwamen. Middelbare school liep Hankey op Rugby en vanaf zijn zestiende ging hij naar de Militaire Academie van Woolwich, waar hij de twee afschuwelijkste jaren beleefde uit zijn hele leven, zoals hij later schreef. Hij was onhandig en traag, in niet echt goed, behalve in militaire geschiedenis.

Mijn hart is nooit geheel en al in deze wereld geweest,” schrijft Hankey in Student onder de wapenen. In feite wou hij helemaal geen militair worden, maar priester, en dus volgde hij na de militaire school een studie theologie, ging hij armen bijstaan in de slums van Londen en reisde hij zelfs naar Australië om er tegen kost en inwoning keuterboertjes uit de nood te helpen. Een roeping had hij niet, merkte hij al gauw, maar toen in 1914 de oorlog uitbrak herinnerde hij zich de woorden van zijn vader: vijf jaar militaire dienst is een perfecte geestelijke opleiding, en dus diende hij zich aan als vrijwilliger.

Archeologie Magazine

Maar dat was natuurlijk niet de enige reden waarom hij stond te popelen om naar de loopgraven te vertrekken. Net zoals het grootste deel van zijn tijdgenoten voelde hij ook een ethische plicht om dit te doen. “Elke man die ten strijde trekt moet, als hij gelukkig wil zijn, als een levend offer zijn lichaam aan God en vaderland geven,” schrijft hij. Toen hij nog op Rugby zat, sneuvelde zijn broer Hugh in Zuid-Afrika. Onmiddellijk werd de vlag halfstok gehangen en keken alle jongens met enige afgunst naar de jonge Donald. Hij had een held in de familie. Voor Donald zou Hugh nooit echt sterven. Hij leefde in hem verder. Na de dood van moeder en vader bleven alleen hij en zijn zus Hilda achter in het grote huis in Brighton. “Voor zover mogelijk neemt zij nu ma’s plaats in mijn leven in,” schrijft Hankey, “en ik die van Hugh in haar leven. Wij zijn plaatsvervangers.”

In Student onder de wapenen heeft Hankey het over de wijze waarop het leven in een loopgraaf mannen verandert. Onderscheiden vervagen en hechte vriendschappen ontstaan, en wie het overleeft is een ander mens geworden, een groter mens ook, die heeft getoond dat hij tot een onverwachte hoogte kan stijgen in grootmoedigheid en zelfopoffering. Angst is een louter lichamelijk fenomeen, meent hij, en daardoor inferieur aan onze mentale wil om ons er boven te plaatsen. Wie echt meester is van zichzelf, beschikt over de wil om geen angst te voelen.

Voor de wereld is de dood altijd een tragedie,” schrijft Hankey, “voor de christen is hij dat nooit.” En ook de oorlog zelf kon positief zijn. “Als wij zouden vechten uit bloeddorstigheid of haat, zou de strijd smerig zijn. Maar als wij vechten zoals alleen een christen kan, zodat vriendschap en vrede met onze vijanden tot de mogelijkheden zouden kunnen gaan behoren, dan is de strijd onze plicht.” Beweren dat Donald Hankey een religieus fanaticus was, gaat misschien wat ver, maar er zijn toch duidelijke overeenkomsten te zien tussen zijn beweegredenen en die van heel wat religieuze fanatici vandaag.

Hankeys religie maakte hem echter niet tot een zachtgekookt eitje. Hij was een groot voorstander van orde en militaire discipline. Er zijn twee manieren om leiding te geven, zegt hij, de adellijke, persoonlijke en de militaire, onpersoonlijke. Bij de eerste ontstaat er een emotionele band tussen leiding en ondergeschikten. Er wordt al eens iets door de vingers gezien, waarna er vriendschappelijk over gelachen wordt. Wanneer zo’n leider verdwijnt, is ook iedere orde weg. De militaire aanpak is onpersoonlijk en strikt. De leider doet er in feite niet toe. Hij is louter een uitvoerder van de regels en daardoor volstrekt inwisselbaar. Wanneer hij verdwijnt, blijft de orde bestaan. De ondergeschikten zullen net zo makkelijk de orders van zijn vervanger opvolgen. Welke aanpak in een loopgraaf nodig was, ligt natuurlijk voor de hand.

Student onder de wapenen is een bijzonder fascinerend boek, omdat het militaire en het religieuze erin feilloos aan elkaar gekoppeld worden, iets wat ons vreemd is geworden. Alleen IS-strijders zijn nog zo achterlijk, denken we dan wel eens, maar Hankey toont dat dit ook tot onze eigen culturele erfenis behoort. Strijden voor God en vaderland was voor Hankey’s generatie het opperste goed. “Ik denk dat we snel weer naar de loopgraven moeten,” schrijft hij een week voor zijn dood aan zijn zus, “En persoonlijk ben ik daar blij om.”

Eerder verschenen in De Morgen