Vrijdag, 10 mei, 2019

Geschreven door: Riley, James
Artikel door: Liebregts, Peter

The 1960s: A Decade of Modern British Fiction

‘So Happy Together in the Summer of Love?’

[Recensie] Het kan niemand zijn ontgaan dat de afgelopen tijd in allerlei media flink is stilgestaan bij het feit dat de roemrijke en roemruchte jaren zestig alweer vijftig jaar achter ons liggen, waarbij alle clichĂ©s en de weerleggingen daarvan de revue zijn gepasseerd. In 2017 hadden we volop aandacht voor de heruitgave van wat Kevin J. Dettma in The Oxford Encyclopedia of British Literature (2006) “the most important and influential rock and roll album ever recorded” noemde: Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van de Beatles, dat onlosmakelijk verbonden is met de Summer of Love van 1967. Dit jaar maken we ons op voor de herdenking van Neil Armstrongs eerste stap op de maan op 21 juli 1969. In 2018 verschenen er twee lijvige Nederlandstalige studies die een weidse blik bieden op die periode. In 1968: ‘You Say You Want a Revolution’ (Uitgeverij Balans) laat Roel Janssen goed zien dat 1968 een sleuteljaar is waarin het idealisme en het optimisme, de hoopvolle revolte tegen de gevestigde orde (in onder andere Parijs, Praag, Amsterdam en de Verenigde Staten) en de emancipatie van vrouwen en minderheden, botste met en ten dele verzandde in de realiteit van de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, de slachting in My Lai, de Sovjetinval in Tsjecho-Slowakije en de conservatieve overwinningen van Charles de Gaulle en Richard Nixon. Maar ondanks de zelfoverschatting van de jonge generatie is er in deze jaren ook veel definitief veranderd, zoals Geert Buelens stelt in De jaren zestig: een cultuurgeschiedenis (Ambo|Anthos). Hij toont onder andere aan dat tijdens de jaren zestig de populaire cultuur definitief de hegemonie vestigt over de highbrow cultuur.

Welke effecten deze sociale, culturele en politieke omwentelingen hadden op de Britse fictie van de jaren zestig is te vinden in The 1960s: A Decade of Modern British Fiction. Dit boek is onderdeel van Bloomsbury’s ‘The Decades Series’, waarin in elke uitgave een algemeen overzicht wordt geboden van een periode van tien jaar in de Britse literatuurgeschiedenis. Hoewel de redacteuren van de serie zich, zoals blijkt uit het voorwoord, bewust zijn van alle mogelijke bezwaren tegen deze ‘decaditis’, zien ze er toch vooral de voordelen van in. Men kan telkens een tijdvak analyseren op basis van de meest toonaangevende figuren en de sociaalhistorische contexten, waardoor zowel een schets van de Zeitgeist kan worden gegeven als een diepere analyse van brede ontwikkelingen, sleutelteksten en sleutelauteurs. (ix) Het hier besproken deel, gewijd aan de jaren zestig, biedt een goed en noodzakelijk tegenwicht aan algemene overzichten van de Britse literatuurgeschiedenis die verschenen tegen het einde van de twintigste eeuw, waarin de Engelstalige fictie van de jaren zestig vaak relatief karig wordt behandeld. Zo besteedt Andrew Sanders in zijn meer dan 650 pagina’s tellende The Short Oxford History of English Literature (1994) er slechts zes bladzijden aan en legt hij nogal eenzijdig de nadruk op de weerslag van veranderende zienswijzen op seksualiteit en gender in de literatuur als het meest in het oog springende element.

Uiterst leesbaar en relatief vrij van esoterisch literatuurtheoretisch jargon en daardoor bruikbaar voor gevorderde academici en geĂŻnteresseerde studenten, biedt The 1960s in de opbouw zowel een algemeen alsook een gedetailleerd overzicht, waarbij sommige hoofdstukken geslaagder zijn dan andere. Zo tornt Melanie Seddon in het algemene hoofdstuk Our Troubled Youth: A Literary History of the 1960s met succes aan hardnekkige clichĂ©beelden van de jaren zestig als een lange Summer of Love, gedomineerd door gelukkige, anti-autoritaire tieners die de oude generatie ten grave dragen en zorgeloos door het leven gaan. En wanneer sommige hoofdstukken inzoomen op meer specifieke thema’s, zoals gender, ras en migratie, dan is het een grote verdienste van dit boek dat er naast de gevestigde namen die men in verband met dit thema zou mogen verwachten ook ruim aandacht wordt besteed aan schrijvers die sinds de jaren zestig uit het zicht zijn verdwenen of zelfs nooit echt in beeld zijn geweest, om wat voor reden dan ook. Vooral Graham K. Riachs ‘Ways of Staying, Ways of Saying: From Black Writing in Britain to Black British Writing’ springt in het oog. Natuurlijk noemt Riach de Caribische auteurs Sam Selvon, George Lamming en V.S. Naipaul, maar hij verrast ook door kort in te gaan op het werk van de Pakistaanse schrijver Zulfikar Ghose en de voor mij onbekende Egyptische Koptische auteur Waguih Ghali, wiens roman Beer in the Snooker Club (1964) hij typeert als “one of the best under-read novels of the decade” (146), en dan zo beschrijft dat je er nieuwsgierig naar wordt. In kort tijdsbestek schetst Riach genuanceerd de historische context van migratie naar Groot-BrittanniĂ« na de Tweede Wereldoorlog. Hij heeft oog voor de problematische kanten van labels als ‘Commonwealth’, ‘exilic’ en ‘Black British’ en benadrukt dat het belangrijk is “to remember that literary texts are not empiricist accounts.” Met andere woorden, hij beschouwt literaire teksten niet als “a subsidiary form of discourse to history”, maar als uitingen die ook om hun vorm moeten worden gewaardeerd. (143) Dit leidt tot de prachtige en elegant verwoorde observatie dat “these authors are as concerned with ways of saying, the aesthetic strategies they adopt in their texts, as with ways of staying, whether temporarily or permanently, and on what terms.” (144)

Helaas vallen andere hoofdstukken wat tegen. Zo wordt in het hoofdstuk over John Fowles terecht vermeld door Michelle Phillips Buchberger dat Fowles’ romans zoals The Magus (1965) en The French Lieutenant’s Woman (1969) mede de weg hebben gebaand voor het postmodernisme, maar daar had toch iets meer mee gedaan kunnen worden. Waarom wel verwijzen naar Linda Hutcheon, maar niets zeggen over het begrip ‘historiographic metafiction’? Waarom wel A.S. Byatts Possession (1990) noemen, maar verder zwijgen over het feit dat Fowles’ The French Lieutenant’s Woman aan de wieg staat van het genre van de neo-Victoriaanse roman dat tegenwoordig nog steeds hoogtij viert, zelfs in die mate dat er aparte academische tijdschriften voor zijn opgericht? Zo wordt de aanpak van de literatuurgeschiedenis door de strakke indeling in decennia juist weer heel beperkt en in zichzelf besloten. En hoewel Buchberger uitlegt waarom ze focust op de relatie van Fowles met het Franse existentialisme, getuigt haar verklaring dat de auteur begrippen van Sartre heeft omarmd om het traditionele ‘mimetic realism’ te kunnen ondermijnen van blikvernauwing: waar is Fowles’ schatplichtigheid aan het modernisme of zelfs aan de Franse nouveau roman? En tot slot: hoewel Buchberger tweemaal rept van “four possible endings” (170, 186) van The French Lieutenant’s Woman, noemt ze er uiteindelijk maar drie (en ik kom bij lezing van de roman ook tot drie, en ben daarom gefrustreerd dat mij het mysterie van einde #4 niet wordt geopenbaard).

Archeologie Magazine

Zoals het hoofdstuk over Fowles duidelijk maakt, is het misschien een nadeel dat over de traditioneel canonieke auteurs al te veel gezegd is, waardoor de omissies juist voor het voetlicht komen. Zo wordt er in de analyse van Anthony Burgess’ A Clockwork Orange (1962) op gewezen dat deze roman verbanden legt tussen “neologism, subcultural violence, statism, postmodernity, lapsed classicism, and the saturated quality of its narrative” en wordt deze “retro-futurist novel” (237) gezien als een voorbode van cyberpunk, maar wordt er ondertussen geen gewag gemaakt van wat juist essentiĂ«le elementen van de tekst zijn, zoals de notie van de vrije wil en het religieuze (Augustiniaanse) aspect. Daar staat dan wel weer tegenover (zoals elk nadeel zijn voordeel heeft) dat Burgess’ roman wordt besproken in een hoofdstuk dat geheel gewijd is aan science fiction en speculatieve fictie, met schrijvers als J.G. Ballard, Arthur C. Clarke en Michael Moorcock, die vroeger nooit een plaats zouden hebben gekregen in de gewijde tempels van de literaire canon. Ook is het mooi dat dit hoofdstuk dan meteen iets kan zeggen over een van de ultieme jaren zestig-films, Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey (1968). En hoewel men kan grommen over de te beperkte visie op gevestigde auteurs zoals Fowles en Burgess, is er toch ook het hoofdstuk ‘Experimental British Fiction of the Sixties: Five Meta-modern Novelists’ van Philip Tew, dat verrassenderwijs Muriel Spark plaatst in het gezelschap van experimentele auteurs zoals Rayner Heppenstall, B.S. Johnson en Ann Quinn, en zo gezichtspunten opent op Sparks werk die je inderdaad heel anders naar haar werk laten kijken. Spark als avant-gardist: toch maar weer eens The Prime of Miss Jean Brodie (1961) lezen om te kijken wat ik heb gemist!

Op het einde biedt het boek nog handige lijsten als naslagwerk in de vorm van ‘Timeline of Works’, ‘Timeline of National Events’, ‘Timeline of International Events’ en ‘Biographies of Writers’. Het eindresultaat (met slechts een paar mitsen en maren) is een gedegen en aan te raden studie van een decennium aan Britse fictie waar terecht meer aandacht voor wordt gevraagd en die een stevige basis biedt voor verder onderzoek.

Eerder verschenen in Vooys