Woensdag, 25 januari, 2017

Geschreven door: Kaldellis, Anthony
Artikel door: Overbeek, Bert

The Byzantine Republic

De macht van de Byzantijnse keizer

Op de beroemde mozaïeken in de basiliek van San Vitale in Ravenna uit de jaren 540 staan ze pontificaal: de byzantijnse keizer Justinianus I en zijn vrouw Theodora, omringd door hovelingen, geestelijken en soldaten. De gouden aureolen om het hoofd van de keizer en keizerin maken duidelijk: dit zijn de oppermachtige vertegenwoordigers van God op aarde. Weerspiegelde dit hun werkelijke macht? Bert Overbeek verkent nieuwe boeken over de macht van de keizers van het Oost-Romeinse Rijk.

[Recensie] De keizer was een autocraat die zowel de staat als de kerk met een beroep op zijn goddelijke  missie op absolutistische wijze regeerde. Dit is de gangbare visie op de politiek van het Oost-Romeinse Rijk; er hoorde bij dat die werd bedisseld in de achterkamertjes van het paleis, met een belangrijke rol voor eunuchen en vrouwen (de moeders, zusters en echtgenotes van de keizer). Zo liet keizerin Irene in 797 haar zoon Constantijn VI blind maken om vervolgens zelf te regeren. Het meest tot de verbeelding spreekt ongetwijfeld Theodora, de echtgenote van Justinianus. De geschiedschrijver Procopius tekende haar leven in zijn Anekdota op als schandaalkroniek. Toch wordt ze in de oosters- orthodoxe kerk nog altijd als heilige vereerd. David Potter geeft in zijn recente biografie Theodora. Actress, Empress, Saint een zorgvuldig afgewogen portret van deze omstreden keizerin. Hein van Dolen brengt een aantal al te summiere portretjes van keizerinnen samen in zijn boekje met de kenmerkende hoofd- titel Passie, intriges en politiek, Spraakmakende keizerinnen in Byzantium. Met zijn nadruk op het paleis en het keizerlijke ceremonieel bevestigt hij het traditionele beeld dat de Oost-Romeinse keizer ongelimiteerde macht bezat. Anthony Kaldellis stelt deze opvatting fundamenteel ter discussie in The Byzantine Republic, People and Power in New Rome. Met ‘republiek’ doelt Kaldellis op de Romeinse ‘res publica’, een begrip dat niet zozeer republiek in de moderne zin betekent, maar de ‘gemeenschappelijke zaak’ van de Romeinse burgerij. De magistraten die Rome bestuurden sinds de heerschappij van Augustus dienden deze zaak. Aan hun hoofd stond de keizer, die zijn bevoegdheden formeel kreeg van senaat en burgerij. Hij was weliswaar niet aan de wet gebonden, maar werd wel geacht het belang van de burgerij te dienen. Wie dat niet deed, verloor zijn populariteit en liep het risico door een revolutie ten val te worden gebracht. Het volk was soeverein.

Eisen stellen op de renbaan

De abstracte opvatting van de ‘res publica’ kreeg concreet gestalte in het petitierecht van de burgers bij de keizer. In Rome kon dit de vorm aannemen van door grote menigten gescandeerde eisen, vooral tijdens de paardenrennen in de Circus Maximus. Mede doordat de keizers bij tijd en wijle gehoor gaven aan de wensen die hier klonken, verzekerden ze zich van de volksgunst. Kaldellis laat overtuigend zien dat dit niet tot Rome beperkt bleef. Ook de politieke cultuur in Constantinopel koesterde de oude Romeinse opvatting van de ‘res publica’. En ook hier was de paardenrenbaan de belangrijkste plaats van de dialoog tussen keizer en volk. Nadat keizer Zeno in 491 was overleden, kwamen zijn weduwe Ariadne, de magistraten, de senaat en de patriarch samen in het paleis om te overleggen over de opvolging. Voordat een beslissing genomen werd, verscheen de keizerin in de hip-podroom, waar volk en soldaten zich verzameld hadden. Zij lieten haar weten  dat de nieuwe keizer orthodox diende te zijn en een Romein; bovendien werd het ontslag van de onpopulaire stadsprefect geëist, een eis die meteen werd ingewilligd. Vervolgens koos Ariadne de al wat oudere Anastasius tot nieuwe keizer (en haar nieuwe echtgenoot). Hij werd enkele dagen later door de burgerij in de hippodroom als keizer gehuldigd en beloofde toen de publieke zaak te zullen dienen.

Boekenkrant

Volkssoevereiniteit in actie?

Hoe valt deze politieke cultuur waarin burgers macht hebben, te rijmen met de claim van keizers als Justinianus dat zij regeerden als plaatsvervangers van God op aarde? Deze theocratische ideologie is opgekomen in de tweede helft van de derde eeuw, toen Romeinse keizers elkaar in een hoog tempo afwisselden, steeds door (een deel van) het leger aan de macht gebracht. Keizers waren helemaal niet zo onaantastbaar. Om hun heerschappij te bestendigen probeerden zij het ambt en zijn bekleder van een ‘goddelijk aureool’ te voorzien. Vanaf Constantijn (4de eeuw) was het de christelijke god die de rol van beschermgod kreeg toebedeeld. Met zo’n goddelijk aureool zouden de bevolking van de hoofdstad en het leger de keizer accepteren en kwam er stabiliteit. En juist hierin ziet Kaldellis de praktische werking van het principe van de volkssoevereiniteit.

Kaldellis negeert evenwel het feit dat de keizer vanaf de late 4de eeuw min of meer permanent in Constantinopel verbleef. Dit maakte de bevolking van deze stad (die in de 5de eeuw naar schatting zo’n 300.000 à 400.000 inwoners had) een niet te onderschatten machtsfactor. In hoeverre haar concrete politieke eisen zoals een regimewisseling gemanipuleerd werden, is vaak moeilijk vast te stellen. Neem de Nika-opstand die Justinianus in 532 bijna zijn troon kostte. Die begon als een conflict tussen de stedelijke overheid en twee supportersgroepen op de renbaan. Justinianus weigerde de eis in te willigen dat enkele ter dood veroordeelde leden van beide groepen amnestie kregen. Er kwam oproer van, en dat liep uit de hand. De opstandelingen riepen Hypatius, een neefje van de vroegere keizer Anastasius, uit tot keizer. Kaldellis ziet hierin de volkssoevereiniteit in actie, maar David Potter maakt in een zorgvuldige reconstructie van de gebeurtenissen aannemelijk dat de pretendent het keizerschap niet passief aangeboden kreeg, maar actief betrokken moet zijn geweest bij de voorbereiding.

Publieke opinie telt

Dit betekent niet dat Kaldellis’ interpretatie niet klopt. Zijn verdienste is dat hij een wezenlijk element van de Byzantijnse politieke cultuur weer nadrukkelijk onder de aandacht heeft gebracht. Het politieke bestel was veel minder stabiel dan het traditionele beeld van een star theocratisch keizerschap suggereert. En de burgerij van Constantinopel speelde dikwijls een belangrijke rol bij machtswisselingen. Keizer en hof waren echter wezenlijke factoren in het politieke besluitvormingsproces van de Oost-Romeinse staat ook inzake de troonopvolging. Dit gold ook in het geval van Anastasius. Maar zij dienden daarbij rekening te houden met de publieke opinie. De politieke dynamiek van het Byzantijnse rijk kwam voor een belangrijk deel voort uit dit spanningsveld tussen paleis en volk.

Bert Overbeek is historicus gespecialiseerd in de Oudheid

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine