Woensdag, 18 april, 2018

Geschreven door: Wilson, Peter H.
Artikel door: Hartman, Rob

The Holy Roman Empire

Heimwee naar de Habsburgers

[Recensie]De Habsburgse keizers hebben lange tijd een slechte pers gehad. Het Habsburgse rijk stond bekend een bekrompen politiestaat of zelfs een failed state. Historici denken daar nu anders over, laat Rob Hartmans zien. Is er sprake van een zekere nostalgie naar de goeie ouwe tijd?

Nadat de Habsburgse keizer Frans II in 1806 door Napoleon gedwongen werd zijn titel als heerser van het Heilige Roomse Rijk op te geven en voortaan als keizer Frans I van Oostenrijk regeerde, werd deze lappendeken van landen en gebieden, net als het Osmaanse Turkije, gezien als ‘de zieke man van Europa’. Ook nadat het in 1867 was omgevormd tot de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, waarvan de heerser de titel ‘keizer van Oostenrijk en apostolisch koning van Hongarije’ voerde, was het Habsburgse rijk synoniem met inefficiëntie, conservatisme, bureaucratie en economische en culturele achterlijkheid. Het Habsburgse rijk stond aanvankelijk bekend als het Heilige Romeinse Rijk, dat in 1486 de toevoeging ‘der Duitse Natie’ kreeg en waarvan de keizer officieel door zeven Duitse keurvorsten werd gekozen. (In het Nederlands wordt dit meestal aangeduid als het Heilige Roomse Rijk, zoals we ook over de rooms-katholieke kerk spreken, maar tot in de 19de eeuw betekende ‘Rooms’ gewoon ‘Romeins’. De relatie met dit rijk en de katholieke kerk komt niet tot uitdrukking in het woord ‘rooms’, maar in het begrip ‘heilig’.) Dit Midden-Europese rijk was ontstaan uit het rijk van Karel de Grote en pretendeerde een voortzetting te zijn van het Romeinse Rijk uit de Oudheid, hoewel Rome zelf er geen deel van uitmaakte. De grenzen van het Heilige Romeinse Rijk fluctueerden sterk, en aan het einde van de Middeleeuwen omvatte het grofweg het grondgebied van het huidige Duitsland, Oostenrijk, het oosten van Frankrijk, de noordelijke helft van Italië, Hongarije, Tsjechië, Roemenië, Nederland, Luxemburg en België. Officieel werd de keizer gekozen door een aantal Duitse ‘keurvorsten’, maar vanaf 1438 zat de keizerskroon – met een onderbreking in de 18de eeuw – stevig op het hoofd van een lid van het Habsburgse Huis. Het hoogtepunt werd bereikt tijdens het bewind van Karel V, die ook nog eens koning van Spanje was en heerste over de koloniën in het pas ontdekte Amerika, maar vanaf de 17de eeuw werd de positie van de keizer steeds zwakker. Het verval van het Heilige Romeinse Rijk voltrok zich in de tijd dat de natiestaat opkwam en sindsdien is het altijd beoordeeld naar de criteria die daarvoor gelden. Zo werden de meeste keizers gezien als mislukkelingen, niet in staat een krachtige, centraal bestuurde natie te smeden, en gold het rijk min of meer als een failed state.

Consensus belangrijk

In zijn monumentale studie over de duizendjarige geschiedenis van het Heilige Romeinse Rijk laat Oxford-historicus Peter Wilson overtuigend zien dat dit oordeel tamelijk onrechtvaardig is. Het rijk was nu eenmaal geen natiestaat, en was ook nooit als zodanig bedoeld. Het ontstond in een tijdperk waarin dat concept nog onbekend was en vormde altijd een lappendeken van vorstendommen, ‘vrije rijkssteden’, (aarts)bisdommen, graafschappen en nog andere territoriale eenheden, terwijl de Habsburgse keizers altijd ook nog regeerden over gebieden die niet tot het rijk behoorden. De inwoners van het rijk waren geen burgers in de moderne zin van het woord, maar behoorden tot verschillende standen, die allemaal in een andere relatie tot de keizer stonden. Het abstracte begrip ‘vrijheid’ zoals dat vanaf de Verlichting opgang maakte, bestond helemaal niet, en men hield vooral de traditionele, lokale vrijheden in de gaten, die afhankelijk waren van de geografische en hiërarchische plek die men innam. Omdat het rijk geen centraal geleide staat was, speelde dwang een veel minder belangrijke rol dan consensus, waren rommelige compromissen heel gewoon en werden de diversiteit en soms vrijwel onbegrijpelijke machtsverhoudingen geaccepteerd. In dit opzicht leek het Heilige Romeinse Rijk wel een beetje op de Europese Unie, die ook niet voldoet aan de strikte normen van de natiestaat.

Nostalgie naar de oude Dubbelmonarchie

Hoewel The Habsburg Empire van Pieter M. Judson begint waar Wilson eindigt, is ook zijn oordeel over het rijk van de Habsburgers in de 19de eeuw (tot 1918) tamelijk positief. Het was volgens hem veel dynamischer en efficiënter dan vaak is aangenomen, terwijl het multi-etnische rijk wat betreft tolerantie en vreedzaamheid gunstig afstak tegenover de natiestaten die zijn ontstaan nadat het in 1918 uiteenviel. Bovendien beschermden de keizer en zijn uitgebreide bureaucratie de overwegend agrarische bevolking tegen de willekeur van de adel, die in grote delen van het rijk nog geneigd was de boeren te beschouwen als lijfeigenen. Vooral keizer Frans Jozef I, die regeerde van 1848 tot zijn dood in 1916, wilde een vader voor al zijn onderdanen zijn, wat enorm bijdroeg aan zijn populariteit. De biografie die het echtpaar Karl en Michaela Vocelka van hem schreef, schildert een evenwichtig beeld van een goedwillende, conservatieve vorst die zijn land weliswaar economisch wilde moderniseren, maar stelselmatig onderschatte welke spanningen de tegenstellingen tussen de verschillende etnische groepen, godsdiensten en sociale klassen opriepen. Politieke hervormingen hield hij zo veel mogelijk tegen en uiteindelijk kon hij niet voorkomen dat de politieke en militaire elite OostenrijkHongarije in een catastrofale oorlog stortte. Dat er na de Eerste Wereldoorlog, toen de Dubbelmonarchie uiteenviel en er tal van opstanden en (burger)oorlogen uitbraken die honderdduizenden het leven kostten (zie het recente boek De verslagenen van Robert Gerwarth), met heimwee en nostalgie werd teruggekeken naar ‘die goede oude tijd’ van keizer Frans Jozef, is niet zo vreemd. Vergeleken met die chaos en de vervolging van allerlei minderheden was Oostenrijk-Hongarije een paradijs geweest – en dan hebben we het nog niet eens over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog.

Foodlog

Antisemitisme

Toch berust deze nostalgie – als altijd – op een ernstige vertekening van de werkelijkheid. Hoewel de dubbelmonarchie niet zo achterlijk, duf en verstikkend was als vaak is beweerd, moeten we haar positieve kanten ook weer niet overdrijven. Uiteindelijk waren de nationalistische opstanden die in 1848 overal in het rijk waren uitgebroken, bijzonder bloedig onderdrukt. Bovendien werden de verschillende nationaliteiten in de loop van de 19de eeuw wel in naam gelijkberechtigd, maar uiteindelijk bleef men onderhorig aan Wenen en de Duitstalige elite alhier. Daarnaast tierde in de Dubbelmonarchie het antisemitisme welig en was er sprake van een door en door conformistische en hypocriete samenleving. Bovendien was de agressieve politiek die men op de Balkan voerde een van de belangrijkste factoren die bijdroegen aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Na de moord op troonopvolger Frans Ferdinand, op 28 juni 1914 in Sarajevo, stuurde de Oostenrijkse politieke en militaire top doelbewust aan op oorlog. De Eerste Wereldoorlog betekende niet alleen het einde van de Habsburgse monarchie, maar tevens van de dominante positie van Europa. In zijn nieuwe boek De eeuw van de macht schildert de Britse historicus Richard Evans de periode waarin Europa verreweg het machtigste werelddeel was. Die was begonnen tijdens het Congres van Wenen, waar de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Klemens von Metternich een nieuw machtsevenwicht tot stand bracht, dat moest voorkomen dat het continent opnieuw slachtoffer werd van de veroveringszucht van tirannen als Napoleon. Het was het opkomende nationalisme dat deze vreedzame co-existentie van de Europese mogendheden bedreigde, en vooral het multi-etnische Oostenrijk had hieronder te lijden. De eenwording van Italië en Duitsland en nationalistische bewegingen in Oost-Europa en op de Balkan zetten de dubbelmonarchie ernstig onder druk. Hoewel sommige tijdgenoten Oostenrijk-Hongarije beschouwden als ‘de zieke man van Europa’ – een beeld dat door de broze, bejaarde keizer bevestigd leek te worden – wist het zich toch staande te houden. De aanpassing aan de moderne tijd ging soms langzaam, en er werd nogal tegengesputterd, maar uiteindelijk deed het uitgebreide rijk het helemaal niet slecht. In de ogen van sommige politici en hoge militairen was dat echter niet voldoende, omdat het eerbiedwaardige Habsburgse rijk steeds meer overschaduwd dreigde te worden door het nieuwe, parvenuachtige Duitse keizerrijk. Daarom moest Oostenrijk-Hongarije op de Balkan laten zien dat het nog altijd een grote, glorierijke mogendheid was. Deze arrogante en fatale misrekening was er de oorzaak van dat men een lont stak in een kruitvat dat veel groter en explosiever was dan gedacht en in feite heel Europa opblies. Het was vooral de Oostenrijkse legerleider Franz Conrad van Hötzendorf die dolgraag oorlog wilde, maar uiteindelijk was keizer Frans Jozef eindverantwoordelijk. Dat hij volkomen overvleugeld werd door enkele politici en militairen, en dat er geen noemenswaardige democratische controle was op het optreden van deze kliek, maakt duidelijk hoe vermolmd het keizerrijk in feite was. Dat overkomt meer landen, en het is geen reden om Frans Josef en zijn keizerrijk te demoniseren, maar voor overmatige nostalgie naar de Dubbelmonarchie en een heiligverklaring van de oude keizer is al helemaal geen reden.

Eerder verschenen in Geschiedenis Magazine