Donderdag, 27 oktober, 2016

Geschreven door: Helvert, Marjanne van
Artikel door: Reinewald, Chris

The Responsible Object

Het verantwoordelijke object

Aanstaande zondag wordt tijdens de Dutch Design Week het boek The Responsible Object, A History of Design Ideology gepresenteerd, tijdens een symposium met dezelfde naam. Chris Reinewald las het boek en doet verslag.

De titel van de Engelstalige bundel The Responsible Object, A History of Design Ideology suggereert dat voorwerpen zich maatschappelijk verantwoord moeten voelen. Maar dat zijn natuurlijk hun ontwerpers. Marjanne van Helvert, praktiserend ontwerper – duurzaam textiel en kleding – en theoretica selecteerde beschouwingen over social design in historische inhoudelijke, maatschappelijke en ambachtelijke context. En ze schreef zelf enkele stukken.

Ter sprake komen de 19e eeuwse, anti-modernistische ambachtskunstenaar William Morris, twee  modernistische designopleidingen, ‘keukenideologe’ Margarete Schütte-Lihotzky en de politiek bevlogen, social design pionier Victor Papanek.

Na een wat plichtmatige inleiding mixt Van Helvert haar drie eigen lezenswaardige essays door haar lappendekenachtige bundel. Ze beschrijft hoe schaarste – in de Tweede Wereldoorlog – tot inventiviteit bij ontwerpers en de consument leidde, hoe dat bij het consumentisme na 1960 wegebde om bij tegencultuur en anti-design in doe-het-zelf vorm weer terug te keren. Ofschoon de onderwerpen tot de canon van de designgeschiedenis horen blijken de hedendaagse invalshoeken interessant genoeg er weer en meer over te lezen.

Nederlandse Natuurkundige Vereniging

Reagerend op de gefabriceerde lelijkheid van de Industriële Revolutie koos de Britse aartsvader William Morris, eind 19de eeuw voor het ambacht als bewuste ouderwetsigheid (obsoloscence). Rond 1955 planden Amerikaanse marketeers juist kunstmatige veroudering om jaarlijks nieuwe type auto’s te verkopen. Daarbij bestreed Morris onnodig afval en kwalitatief ondermaatse boeken. Auteur Elizabeth Carolyn Miller maakt aannemelijk dat in Morris’ sprookjesachtige utopieën actuele kwesties als consumentisme, tegencultuur en social design al besloten liggen.

Bauhaus

Éva Forgács zet twee op moderne leest geschoeide ontwerpopleidingen het Bauhaus in de broze Weimar Republiek en haar Sovjet-Russische evenknie het VKhUTEMAS naast elkaar. Beiden ontstonden in een periode met productschaarste en formuleerden daar vanuit hun ontwerpeisen – kleinschalig, duurzaam, bewust afwijkend, modern materiaalgebruik en technologische vormgeving. Toch bereikten hun ontwerpen alleen een culturele elite.

Het links georiënteerde Bauhaus gedijde weliswaar in een liberaal Duitsland, maar bleef een buitenstaander. Uiteindelijk probeerde directeur Mies von der Rohe zijn opleiding uit de handen van nazi’s te houden maar dan moest hij bepaalde (joodse en communistische) faculteitsleden ontslaan. Dat deed Mies niet. Dus sloot het Bauhaus en emigreerde een aantal docenten naar de VS.

De VKhUTEMAS idealen vielen aanvankelijk mooi samen met het bloeiende avantgardistische communistische klimaat tot deze omsloeg naar conservatisme en populisme. Het VKhUTEMAS werd geruisloos in een architectuuropleiding geschoven.

Susan Hendersons interessante biografische stuk over Margarete Schütte-Lithotzky (gestorven op haar 103e) bewijst dat een vrouwelijke ontwerppraktijk ook zonder feministische dogmatiek bestaat. Schütte was overtuigd communiste. Zij ontwierp in 1927 de eerste keuken – de Frankfurter Küche – die op doordachte wijze rekening hield met de activiteiten en bewegingsvrijheid van de huisvrouw. Met haar man adviseerde ze vervolgens bij volkshuisvestingsprojecten in de Sovet-Unie, Bulgarije, Cuba en zowel in nationalistisch (=fascistisch) als communistisch China. Hendersons verbindt Lihotzky overigens niet met haar Amerikaanse geestverwanten, de zusjes Catherine en Harriet Beecher-Stowe. Of noemt navolgers in België en Nederland: Piet Zwarts Bruynzeel-keuken.

Dymaxionhuis

Ed van Hinte stelt dat de visionair Buckminster Filler zijn leven als een groot experiment beschouwde. De aarde benaderde alsof hij een buitenaardse intelligentie was. Filler vond futuristische constructies uit, aanvankelijk zonder duidelijk te weten waarvoor ze zouden kunnen dienen: het Dymaxionhuis (en auto) en de nu veel gebruikte Geodedome-koepel.

De juist zeer aardse Victor Papanek was de eerste ontwerper die zich niet door optimisme of opportunisme liet leiden. Zijn oprechte verontwaardiging over luxe of slecht functionerend design, consumentisme, marketing en reclame – kortom kapitalisme – maakte hem populair bij zijn ontwerpstudenten in de jaren zestig, zeventig. Bij collega’s wekte Papaneks radicalisme grote weerstand. Volgens hem was design – juist – niet alleen bedoeld voor de witte, westerse man en zijn luxe behoeftes. Daarbij vond hij onzin hoe (mooi) een ding er uit hoorde uit te zien. Na enige tijd afgeserveerd te zijn als marginale persoonlijkheid werd Papanek, 40 jaar na zijn invloedrijke Design for the Real World (1971)’, uiteindelijk beschouwd als invloedrijkste design-ideoloog.

Afsluitend voert Van Helvert –  curieus, maar indenkbaar – een tweegesprek met zichzelf als activist en sceptica. Ze vraagt zich af of designers zich wel zo intensief met theorievorming en zelfbespiegeling bezighouden. Die vraag stellen is hem natuurlijk beantwoorden. Haar bundel schetst mooi hoe design ook zichzelf als ideologie vormgaf en tot theorie leidt. Vooral niet objectgerichte, jonge ontwerpers, studenten en zich verdiepende designliefhebbers zullen veel aan het boek hebben.

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Meer informatie over de boekpresentatie: https://www.facebook.com/events/1768328366772513/ Sprekers zijn o.a. Susan R. Henderson (USA),  Ed van Hinte (NL),  Jesse Howard (USA/NL),  Marjanne van Helvert (NL); Moderator: Saskia van Stein (NL)