Donderdag, 15 december, 2016

Geschreven door: Adrichem, Jan van
Artikel door: Reinewald, Chris

To be Continued

GeĂŻnstitutionaliseerde anarchie

Kunstacademies kijken zelden om. Met hun per definitie veelbelovende studenten zijn ze vooral toekomstgericht. Ondanks de stuk of elf kunstonderwijsinstellingen in Nederland is (vak)literatuur over hun beleid zo goed als afwezig. Daarom is Jan van Adrichems opdrachtstudie To be Continued, over de geschiedenis van de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam toe te juichen. De degelijke geschiedschrijving staat haaks op de geïnstitutionaliseerde anarchie waarop ‘de Rietveld’ het patent heeft.

Toen de Gerrit Rietveld Academie in 1967 haar huidige, nog door de naamgever ontworpen, glazen gebouw betrok betekende dat de zoveelste koerswisseling. Bij de verhuizing verwisselde het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (IvKNO) van naam en lesprogramma. Voor de zoveelste keer.

Tussen 1817 en 1919 fuseerden verschillende, voorgaande tekenscholen en kunstambachtsopleidingen tot verstandshuwelijken, vaak uitdraaiend op vechtscheidingen. Maar creatieven zeggen dan vergoelijkend dat wrijving glans geeft.

Bauhaus

Geschiedenis Magazine

In 1939 ging het IvKNO onder directeurschap van de ontwerper Mart Stam een op het Duitse Bauhaus Instituut geĂ«nte koers varen. Zo kwamen studenten eerst in een basisjaar, zoals de algemeen beeldende ‘Vorkurs’ van het Bauhaus: voor een bredere basis en het aanwakkeren van creativiteit. Daarna werden ze niet alleen handvaardig maar technisch voor de industrie klaar gestoomd. Maar op de IvKNO hielden de afdelingen metaalbewerking en boekbinden hun studenten weg van de massaproductie. Ze bereidden ze ouderwets voor op een eenmans-atelier of kleine werkplaats. En wat moest Stam, begenadigd meubelontwerper, met beeldhouwers die, volgens de nieuwe visie, nooit autonoom maar voor architecten zouden moeten werken? Dat een sculptuur zelfs als geveldecoratie nooit een massaproduct zou worden, zag Stam ook in.

In zijn gepubliceerde proefschrift Het huis van IK, ideologie en theorie in het Nederlandse vormgevingsonderwijs.(Artez Press, ISBN 9789491444197, 2015) stelde Jeroen van den Eijnde al dat de verschillende visies binnen kunstvakonderwijs voortkomen uit drie kunstenaarstypologieĂ«n: de afhankelijke (traditionele ambachtsman) die met instrumentele/technische kennis opdrachten uitvoert. De kennis en talenten van de gedistantieerde bohĂ©mien zijn niet direct waarneembaar en metafysisch van aard. Denk aan Marten Toonders schilder Terpen Tijn en zijn ‘grondstoffelijke trillingen.’ De meer hedendaagse kunstprofessioneel grossiert in feitelijke en normatieve kennis die vooral ingewijden (collega’s, scribenten, conservatoren) begrijpen.

Kijk je naar de IvKNO/Rietveld Academie dan tref je Ă lle types op de verschillende afdelingen aan. Onder studenten en vooral onder docenten. Vaak werden zij vanwege hun reputatie als kunstenaar of vormgever aangenomen. Of omdat ze nog kort tevoren een talentvol afstudeerder waren; een vorm van artistieke inteelt waar Amerikaanse kunstopleidingen mordicus op tegen zijn.

Zelden geven hoge didactische kwaliteiten de doorslag. Dit leidt uiteraard geregeld tot spanningen, die na 1948 ook versterkt werden door politieke stellingnames. Bizar genoeg weigerde het cultuurministerie om Stam door Rietveld als IvKNO-directeur te laten opvolgen. Niet omdat hij geen lesbevoegdheid had maar omdat hij uitgesproken communist was. Stam niet veel minder trouwens. Nadien kwamen de directeurs uit de glasfabricage, advocatuur, grafische industrie en cultuurbeleid. De recent gepensioneerde directeur Tijmen van Grootheest, opdrachtgever van dit boek, werd aan de lerarenopleiding van de Rietveld (net als de mastersopleiding een zijverhaal op zich) geschoold als tekenleraar, werkte daarna bij het cultuurministerie en toen leidde Museum Fodor.

Gerrit Rietveld maakte de voltooiing van de Rietveld Academie niet meer mee. Zijn zoons Jan en Wim wel. Zij kwamen er als industrieel ontwerpers ook doceren. De indeling van de nieuwbouw volgde het lesprogramma met veel gebonden kunstafdelingen: edelsmeden, textiel, mode, grafisch ontwerpen, grafiek, keramiek, glas met schilderen en beeldhouwen in aanvullende rollen.

Ulay

Overeenkomstig de wet kreeg de academie ook een groot gymnastieklokaal. Deze werd vooral voor monumentale projecten gebruikt. In een noot over het lokaal verwijst Van Adrichem naar een Rietveld Mythe. Hadden de performancekunstenaar Ulay en zijn studenten-monumentaal in een weekend echt de gymzaal geel geschilderd en die na droging weer terug naar grijs gesaust? Recente verfmonsters bewezen dat de gymzaal inderdaad restjes gele verf op de muur had zitten.

Rond 1975 kreeg de Rietveld Academie een grote toeloop aan studenten schilderen en grafiek te verwerken (waarbij ondergetekende, trouwens). Dit trok de balans scheef. ‘Vrije’ afdelingen kwamen overvol te zitten, terwijl de gebonden afdelingen elk een handjevol studenten telden.

Toegepasten werkten meestal met vernieuwende docenten. Bij de schilders was dat niet echt het geval. Daardoor ontstonden er ‘tussenafdelingen’ met wild expressionistisch schilderende ontwerpers of animatiemakers, die zich ook nog als popmuzikanten manifesteerden.

Het was inmiddels typisch ‘des Rietvelds’ dit soort grensverleggingen te laten gebeuren.  ‘Achteloze vernieuwing,’ noemde adjunct-directeur/glaskunstenaar Sybren Valkema in 1984 dit fenomeen: “
altijd bezig met dingen die tegen het normale patroon ingaan.” Andere academies ergerden zich vaak mateloos aan dit anarchistische gedrag, dat vooral bij de gratie van Amsterdam als zelfgenoegzaam cultuurcentrum leek te gedijen. Binnenskamers stonden afdelingen vaak tegen elkaar op: landjepik om meer lokaalruimte of budget. In de huidige situatie smelten toegepast en vrije kunsten meer in elkaar over dan tevoren.

Het plan meer internationale (= veel schoolgeld betalende) masterstudenten aan te nemen en het quotum reguliere bachelors vanwege dan mogelijke leskwaliteitsverhoging te laten krimpen kon op instemming van cultuurknipper Halbe Zijlstra (VVD) rekenen. Dertig jaar terug hadden de communistische grafisch ontwerpstudenten dit zeker gepareerd met hun Sovjetachtige agitprop affiches.

Als behendig manager onderschatte Tijmen Grootheest het ‘interne betoog’ binnen de academie. In 2009 stelde hij voor het toen net gerestaureerde Rietveld gebouw met nieuwe – maar te krappe – vleugel voor de Sandberg mastersopleiding te verlaten. Door de oprukkende Zuidas waren grond en gebouw ineens goud waard voor de gemeente. Met gesloten beurzen kon de Rietveld het leegstaande en veel grotere GAK-gebouw betrekken. Notabene op de druk bezochte eindexamenexpositie plakten tegenstanders – studenten en docenten – de school onder met protestposters. Van Grootheest die de dag nog zo monter opende voor de genodigden, stond voor schut en verschanste zich voor de rest van de dag in zijn directiekamer.

Taartenbakcompetitie

Van Adrichem beschrijft een en ander diplomatiek. Dat ook iets rechtgezet moest worden over het gekrakeel rond Van Grootheests opvolging suggereert de daaraan gewijde pagina 307. Die blijkt namelijk te zijn vervangen door een correcte (?) ingeplakte pagina. Weer lijkt een Rietveld mythe geboren; na het gele gymlokaal [waar gebeurd], de meubelverhuizing door de studenten in 1967 [niet waar] taartenbakcompetitie [wel weer waar] de illegale likeurstokerij in de fietsenkelder [raar maar waar].

Hoe welkom deze nogal gespecialiseerde geschiedschrijving van kunstacademisch beleid ook mag zijn: de ware kwaliteiten van de Rietveld Academie komen juist voort uit de onbeschrijfelijke mix van contactgestoorde leraren, wereldvreemde studenten, DadaĂŻstische happenings, dromers, makers, bandeloze, anti-intellectuele, innovatieve creatieven.

Uiteraard is dit boek strak-actueel vormgegeven: door Rietveld alumna Migle Kazlauskaite met een omslag van de studenten Loris Pernoux en Anton Westbom Weflö.

Voor het eerst verschenen op De Leesclub van Alles

Het boek is te koop in de boekwinkel van het Stedelijk Museum, Athenaeum Boekhandel of in hun webshops.