Woensdag, 21 juni, 2017

Geschreven door: Verhagen, Frans
Artikel door: Palm, Jos

Toen de katholieken Nederland veroverden

Ruijs bleek wel een ‘acceptabele’ paap

Charles Ruijs de Beerenbrouck (1873-1936) was Nederlands eerste katholieke premier. Ondanks twijfels was hij goed voor de natie.

[Recensie] Een onverwacht gevolg van het algemeen kiesrecht was dat het calvinistische driesnoer van God, vaderland en Oranje werd opgefleurd met een katholieke premier, de verre voorloper van Lubbers en Van Agt. Het was 1918 en voor het eerst mocht het volk meestemmen. De burgerpartijdige liberalen verloren verpletterend en de protestanten wonnen redelijk, daar was op gerekend.

Die uitslag was een donderslag: bijna een op de drie parlementariërs was voortaan van paapse huize. En dan kwam de leiding van het land ook nog eens in handen van een telg uit een geslacht van adellijke tofelemoonse beroepsbestuurders, een Limburger. Achter zijn benoeming zat een priester-parlementariër die al konkelend de Kamer naar zijn roomse pijpen en boordje liet dansen.

Het vaderland dreigde kortom politiek verroomst te worden. Dat was een schok in een samenleving waar katholieken golden als Rome-getrouwe fundamentalisten. Het enige voordeel was dat zo de ‘rooien’, die ook veel gewonnen hadden, buiten de deur werden gehouden. “Boven de nok van dit kabinet waait de pauselijke wimpel”, schreef de antirevolutionaire satraap Abraham Kuyper bij het aantreden van de rooms-christelijke ploeg. En ook koningin Wilhelmina had zo haar aarzelingen.

ScĂšnes

Hij leeft enkel voort in straatnamen

Jonkheer Charles Ruijs de Beerenbrouck (1873-1936), Nederlands eerste katholieke premier, was echter een zegen voor de natie. Dat is wat zijn biograaf Frans Verhagen wil laten zien in zijn proefschrift over zijn vergeten hoofdpersoon, die alleen nog in straatnamen voortleeft.

Zijn onderzoek is geen makkelijk karwei geweest. Ruijs liet amper persoonlijke sporen na. Hij voerde drie kabinetten aan en deed dat bekwaam, maar niet sprankelend. Hij was geen politiek niemendal, zoals vaak is beweerd, en evenmin was hij een reus, zoals de roomsen zich voorhielden. Ruijs was Ruijs, de juiste man op de juiste plaats in de juiste tijd. Dat toont deze biografie, die je door een woud van grotere en kleinere politieke vuiligheden, allerhande Haagse handigheden en ogenschijnlijke onnozelheden voert, allemaal samengebald in de hoofdpersoon. ‘Komt tijd, komt raad’ was zijn tegeltjeswijsheid en politieke leidraad. Aan hem kleefde een schijnbare zorgeloosheid, een zeldzaamheid in de Nederlandse politiek, en welhaast een katholieke kwaliteit, die in Lubbers haar perfectie vond (niet toevallig was Ruijs zijn favoriete politicus).

Onder Ruijs kreeg het vaderland on-Nederlands veel te verstouwen aan opstandigheid. Er was een oproer van soldaten op de Harskamp, door heethoofden in de pers aangezien voor een Veluwse variant van de soldatensovjets. Vervolgens riep Troelstra in 1918 twee keer de revolutie uit: eenmaal in Rotterdam, waarop zijn toehoorders naar huis en naar bed gingen in afwachting van de gebeurtenissen, en eenmaal in het parlement, waar zijn sociaal-democratische vrienden hem bij zinnen probeerden te brengen. Ruijs bleef kalm en verklaarde dat in deze tijden “een regeerder rustig moet zijn”. Hij verhoogde het broodrantsoen voor de armen en liet weten dat de regering niet zou wijken. Daarmee was het klaar, de tijd zou zijn werk doen, wist, hoopte en gokte hij toen hij er eenmaal zat.

Sussen hielp ‘m door crises

Sussen, bijsturen, rekken en er bijblijven, was zo ongeveer de methode Ruijs en ook zijn credo. Het hielp zijn kabinet door de crisis van de Vlootwet heen – een door een Kamermeerderheid afgestemde extra uitgave voor uitbreiding van de vloot. Het deed zijn derde kabinet in de jaren dertig de economische crisis en de kritiek op z’n bezuinigingsbeleid overleven (“wie brengt de honger in ons huis,… ? Ruijs! Ruijs! Ruijs!”). En zelfs de muiterij op het oorlogsschip De Zeven ProvinciĂ«n kostte Ruijs niet de kop, ondanks de kritiek van ‘Torpedo Colijn’, op het niet onmiddellijk doen kelderen van dat zootje.

Naarmate je in deze biografie vordert, denk je steeds vaker: of Ruijs er nou wel of niet zat, het maakte niet zoveel uit, de gebeurtenissen hadden toch wel hun relatief rimpelloze verloop gehad. Onduidelijk is of dat de verdienste is van Ruijs of van zijn biograaf. Ruijs lijkt de premier van het kleine verschil. Dat komt door zijn onvermogen tot grote woorden, maar ook doordat Verhagen veel naar binnen gekeerde parlementaire informatie geeft en weinig omgevingsgeschiedenis. We weten eigenlijk niet zo goed wat Ruijs nou presteerde, behalve dat hij niet weg te branden was.

Ruijs was de eerste premier van alle Nederlanders na de eerste verkiezingen voor alle Nederlanders. Dat was hij onder meer door het invoeren van een fatsoenlijke sociale wetgeving onder leiding van zijn vriend-vijand, de roomse minister Aalberse, en door het pacificeren van het anti-paapse sentiment. Ruijs legde dankzij zijn betrekkelijke onzichtbaarheid het fundament voor opeenvolgende confessionele regeringen.

Dat zulks een prestatie was, maakt Verhagen duidelijk. Zelfs Wilhelmina moest erkennen dat er acceptabele papen bestonden. Vlak na haar eerste ontmoeting met Ruijs schreef ze: “Hij heeft zich aardig ontwikkeld. Hij gaat steeds meer Nederlands denken en voelen, ik bedoel, zoals wij in de harten des lands plegen te doen.”

Eerder verschenen in NRC Handelsblad