Zaterdag, 26 augustus, 2017

Geschreven door: Martens, Lidewij
Artikel door: Redactie

Tot je valt - Lezersactie

Een veerman die dol is op wentelteefjes

[Voorpublicatie] Komende week verschijnt Tot je valt van Lidewij Martens.

Van de achterflap: “Tijdens de overtochten die Nico als veerman maakt denkt hij aan zijn dochter, Geesje. Aan hoe ze eet, hoe ze praat om hem af te leiden en hoe ze haar onstuitbare drang om steeds minder te eten probeert te verbergen. Zo groot als Geesjes verlangen is om haar vader weer gelukkig te maken na een verbroken huwelijk, zo groot is ook haar verlangen om niet te hoeven voelen.

Beiden proberen de ander te redden, maar Nico’s leven wordt gedomineerd door onmacht, dat van Geesje door wilskracht. Als op een dag een jong meisje Nico’s stuurhut binnenstapt, dat zich niet laat wegsturen en aan Geesje doet denken, raken hun levens verstrengeld.

Tot je valt is een roman over een dochter en haar vader, die machteloos moet toezien hoe zij hem ontglipt.‚ÄĚ

Technisch Weekblad

Over Lidewij Martens

Lidewij Martens (1963) studeerde Nederlands en werkte als televisieproducer. Later werd ze scenarioschrijver onder andere voor series als Flikken Maastricht en Spangas. Begin dit jaar verscheen haar tweede boek Een plek om te schuilen. Tot je valt is een herpublicatie van haar debuutroman Dubbel rood uit 2012, een familiedrama over anorexia.

De Leesclub van Alles publiceert de proloog en het eerste hoofdstuk als voorpublicatie. Onder de belangstellende verloten we drie exemplaren van Tot je valt. Belangstelling? Stuur mail met je adres naar info@deleesclubvanalles.nl

Proloog

Ik rook haar voordat ik haar zag. Een mengsel van zeep en het parfum dat ik een leven lang gekend had: de geur van haar lijf.
Ik wilde omkeren, niet naar binnen gaan, maar ik bleef staan. Ik zag Nico in mijn herinnering weer voor me, hij hield de telefoon naast zijn oor alsof hij zich eraan kon branden. Ik hoorde het schrapen van zijn keel, de woorden die niet kwamen. Toen zijn blik verdronk in de glanzend geschrobde vloer van de ziekenhuisgang, wist ik wat hij haar wilde vragen. Maar nu ze gekomen was en haar geur mij de kamer binnen trok, was ze te laat. Ik was weer veilig thuis, bij Nico, mijn vader.
Of wilde ik die hand in mijn nek, die precies wist waar ze moest strelen, wilde ik mijn koude handen warmen in haar oksels, wilde ik schuilen in haar schoot met de zekerheid dat het ooit goed zou komen?
Ik hoorde het leer van de bank kraken en wist dat ze wist dat ik er was. Ik haalde diep adem en verscheen in de deuropening.
Ik zag haar blik haperen, haken aan de hoekigheid van mijn lijf. Ik zag de poging die ze deed om de schok te verhullen. 
Haar ogen dwaalden langs mijn lichaam, stokten bij mijn polsen, zagen de pijpen van mijn spijkerbroek los, te los om mijn benen vallen. Heel even zag ik mezelf door haar ogen, zag ik de schim van de Geesje die zij zich herinnerde.
Maar ik wilde niet terug. En daar kon zij niets aan veranderen.
‚ÄėJe vader zegt dat je doodgaat.‚Äô
Eerst registreerde ik ‚Äėje vader‚Äô in plaats van ‚Äėpapa‚Äô of ¬†‚ÄėNico‚Äô, pas toen hoorde ik ‚Äėdood‚Äô.
‚ÄėDat vindt iedereen om me heen een heel leuk woord, tegenwoordig.‚Äô
Ik hoorde Liekes adem stokken.
Even, heel even, opende ik me voor de pijn die Lieke toonde, voor haar kreet om hulp, voor haar behoefte aan troost. 
Omdat ze erom vroeg. Maar ik had genoeg getroost.

Hoofdstuk 1

Hij kijkt naar de witte kuiven op de golven. De lange schaduw van de pont reikt voor hem uit, waardoor hij slecht zicht heeft op de oever. Hij voelt het stuurhuis de wind vangen, kijkt over zijn schouder naar bakboord en knijpt zijn ogen dicht tegen het felle licht. Op een zonnige dag is dit het moeilijkste moment om aan te leggen. Vijf meter, vier, drie, twee. Hij zet de motor in zijn achteruit; de schroef trekt de kont van het schip met een grommend geluid naar de meerpaal toe. Als de boot de paal tot op een centimeter is genaderd, doet de wind wat Nico had verwacht en blaast hem er weer vanaf. De pont ligt nu recht, de steven raakt de wal. Nico kijkt door het raam naar beneden, naar de mensen aan dek. Hij ziet een scooter ongeduldig optrekken, hoort het aanjagen van de motor. Hij wacht nog heel even, tot de jongen opkijkt en hem zoekt. Dan klinkt het waarschuwingssignaal van de klep die naar beneden zakt. Het wiel van de scooter gaat omhoog, te vroeg. Nico weerstaat de verleiding om de klep weer op te trekken en wendt zijn blik af.

Terwijl de passagiers de pont verlaten staat een nieuwe menigte te wachten. Deze lege kant van de rivier heeft hij het liefst. Hij ziet de twee studenten, hun ogen dik van de slaap en de neuzen nog vol van de nacht daarvoor, de vriendinnetjes die als altijd hand in hand lopen en identieke rugtassen dragen. Ook de schilder is er, die zijn pakje shag weer in zijn broek stopt en zich verheugt op de rookovertocht. En de moeder met het kinderzitje die zoals gewoonlijk te laat komt aanfietsen en voor wie hij de afvaart nog even, heel even uitstelt.
Hij kijkt naar de blanco gezichten van de overige passagiers, naar een krant die wordt meegevoerd door de wind, zwevend in zijn vlucht tot hij zich tegen het staal van de boot nestelt.

Een lading eraf, een lading erop. Als de fietsers en voetgangers hun plek hebben gevonden, draait Nico zich om naar wat de overkant wordt. Hij wacht tot op het bord met de elektronische tijdmelding drie nullen verschijnen en geeft gas. Tien minuten heen, vier minuten lossen en laden, tien minuten terug. Vier maal per uur, tien uur per dag. Als de stroming sterk is geeft hij tegengas, met wind in de rug houdt hij in.
Hij doet dit werk nu negen maanden en dertien dagen. Dat zijn elfduizend driehonderdtwintig overtochten. Het veer is van hem; hij heeft het van de gemeente gekocht. Hij had aangeboden het schip op te knappen en voor een klein loon de veerdienst voort te zetten. Alleen, zonder aflossing, tien uur per dag, behalve op zondagen. Omdat de gemeente kampte met tekorten leek dat een mooie oplossing. Nadat hij de afstand tot de oever met zijn ogen heeft gemeten, dwaalt zijn blik af naar de donkere staken in het water. Het fundament van de brug ligt er, de eerste metalen spanten gloeien rood op in het zonlicht, lijken de warmte te absorberen. Het zal niet lang meer duren, hij schat de voltooiing tegen het eind van de zomer. De stad komt onherroepelijk dichterbij.

Een hoog gegiechel doorbreekt de stilte van zijn stuurhuis als de deur openslaat. Een meisje struikelt naar binnen. Hij ziet nog net twee lachende gezichten als de deur achter haar dicht wordt geduwd. Zij lacht niet. Ze kijkt naar hem. Hij richt zijn blik op een plek aan de einder die hij kent, waar hij zijn koers op uit heeft gezet. Het meisje blijft kijken.
‚ÄėPassagiers mogen hier niet komen.‚Äô
Haar mond opent en sluit zich. Zijn ogen ontmoeten de hare, en hij weet niet wat hij erin ziet. Nieuwsgierigheid of angst?
‚ÄėIk wilde u iets vragen,‚Äô gooit ze eruit.
Hij zwijgt.
‚ÄėU hebt een apart beroep.‚Äô
Ze volgt zijn blik naar het water. Een binnenvaartschip nadert aan bakboord. Nico neemt gas terug.
‚ÄėVindt u het leuk om te doen?‚Äô

Nico realiseert zich dat niemand hem dat heeft gevraagd sinds hij vaart. Er waren geen vragen.
‚ÄėMooi, h√®?‚Äô hoort hij het meisje zeggen.
Licht ge√ęrgerd kijkt hij opzij. Ze kijkt naar het binnenvaartschip.
‚ÄėTe nieuw, met een lelijke opbouw, en er is een stuk uit¬†het midden gezaagd,‚Äô zegt hij bars.
Ze fronst, wijst.
‚ÄėNee, kijk.‚Äô
Dan pas ziet hij de regenboog die voor het schip in het water valt.
‚ÄėJe hebt je vraag gesteld. Dus kun je nu gaan?‚Äô
Haar ogen gaan van het water naar de epaulet op zijn schouder en dan naar een plek op zijn kin. Onwillekeurig voelt hij eraan.

‚ÄėBen ik duidelijk?‚Äô Hij wacht op vertrekkende voetstappen,¬†het geluid van de deur die zich weer sluit.
‚ÄėIk ben bezig met een scriptie voor school en ik dacht:¬†misschien vindt u het leuk om mee te doen.‚Äô
Een stem die hem dwingt te luisteren. Terwijl hij nooit meer luistert. Een meisje van achttien, negentien? Zachte wangen. Glanzend haar. Hij verbiedt zichzelf de rest van haar verschijning in zich op te nemen. Hij ziet haar vragende blik, haar gebaar naar de draaibare stuurkruk.
‚ÄėKun je varen?‚Äô
Ze zuigt haar onderlip naar binnen en schudt van nee, plotseling verlegen.
‚ÄėDus wat denk je zelf?‚Äô
Ze wendt haar blik af. Haar ogen rusten nu op zijn schoenen. Kan ze zien dat zijn rechterzool lek is? Is zijn overhemd wel schoon bij de boord? Hij voelt zijn buik licht over zijn riem puilen en houdt hem in.
‚ÄėHet leek me leuk als ik ook een veerman in mijn¬†steekproef heb.‚Äô
‚ÄėWat voor steekproef?‚Äô
Nu ze zijn aandacht heeft, praat ze snel door, haastig, ze ziet dat de oever nadert.
‚ÄėIk onderzoek wat mensen het liefst eten en waarom.‚Äô

Later pas denkt hij: wat een vreemd onderwerp voor een scriptie. Het geluid van de motor sterft weg, het water trekt zich terug. Hij ziet zijn dochter. Hij kijkt naar wat ze eet. En vooral naar hoe ze eet. Hoe ze praat om hem af te leiden. Hoe ze de aardappel op haar bord in steeds kleinere stukjes snijdt om bezigheid te veinzen. Hoe ze tijdens het eten zoveel mogelijk door haar mond ademt om niet te hoeven ruiken. Hoe ze een stronkje broccoli tot moes kauwt en het het liefst weer uitspuugt.

‚ÄėLaat maar, het was een slecht idee, ik zal u niet langer van¬†uw werk houden, sorry.‚Äô Ze staat al bij de deur.
Hij kijkt om en hoort zichzelf zeggen: ‚ÄėWat ik het liefste¬†eet? Moeilijke vraag. Het hangt er maar net van af wat je¬†aan het doen bent, wat voor weer het is, waar je bent, of¬†met wie.‚Äô En of je honger hebt, denkt hij, maar zegt hij niet.
Hij heeft daarna nooit meer over eten gepraat, herinnert hij zich nu. Zoals hij zichzelf ook verboden heeft ervan te genieten. Hij eet omdat zijn maag dat vraagt. Hij stelt die zo snel mogelijk tevreden met frites, een pizza, iets wat vult. Zodat hij zich zo kort mogelijk hoeft voor te stellen wat haar maag vroeg.
‚ÄėWat eet jij het liefst?‚Äô
Ze aarzelt.
‚ÄėWentelteefjes.‚Äô
De oever is te dichtbij. Hij zit te veel aan stuurboord, heeft de wind niet opgemerkt of misschien gewoon slecht gestuurd. Hij corrigeert en krijgt de boot met moeite weer in zijn macht. Nico ziet zichzelf in de keuken van het huis met de erker, hij ziet twee kinderogen controleren of hij de korstloze boterhammen wel goed genoeg in het eimengsel doopt.
‚ÄėWilt u dat ik dat voor u opschrijf?‚Äô vraagt het meisje in¬†zijn stuurhuis. ‚ÄėDat √ļ van wentelteefjes houdt?‚Äô
Zijn huid spant zich wit over de knokkels van zijn hand op het stuurwiel.
‚ÄėIs toch een leuk idee, een veerman die dol is op wentelteefjes?‚Äô

Hij is te laat, hoe vol hij de motor ook in de aandrijving zet. De zijkant van de pont raakt de meerpaal, die kreunt, en de steven raakt de wal. Hij huivert. Het begin van de brug staat donker aan de hemel.
Na de laatste vaart blijft hij even liggen, zijn vinger op de joystick. Het water is nu vlak en stil. De zon gaat onder. Een herinnering knaagt aan de rand van zijn bewustzijn. Hij stuurt de pont het boothuis binnen, pakt zijn jas, maakt een knoopje van zijn overhemd open en zet koers naar huis.
Hij woont twintig meter van het boothuis vandaan. Toen hij de vervallen veermanswoning zag, de muren bedekt met schimmel, de gebroken dakpannen verspreid over het nauwelijks begaanbare pad, aarzelde hij geen moment.

Nadat hij het huis waarin hij met Geesje woonde verkocht had, het huis dat niet meer nodig was, knapte hij de bouwval op tot het een onderkomen te noemen was. Tegen de gaten in de muur timmerde hij sloophout, de dakpannen verving hij door golfplaten. Het tikken van de regen is het enige huiselijke eraan. Hij verdient niet meer.
Binnen is het schoon. Meer niet. Met één stoel en een tv brengt hij de avond door. Hij stookt zwerfhout in een oude gietijzeren kachel en kijkt via het scherm naar de wereld buiten, naar de mensen met doelen en meningen en gevoelens. Meestal neemt de verwondering over die buitenwereld toe naarmate de avond vordert en de fles leger raakt. Soms wordt hij vrolijk, lacht hij, heeft hij energie voor tien en loopt hij naar buiten. De kille buitenlucht overvalt hem, de door hem geplante bamboestruiken rijzen hoog op. In de nabijheid klotst donker water. Hij gaat weer naar binnen in de droge hitte van de kachel en maakt en tweede fles wijn open.
De volgende morgen wordt hij wakker voor de tv, die nog aanstaat. Hij voelt aan zijn gezwollen ogen en maakt zich klaar voor een nieuwe, zelfde dag.