Zondag, 20 november, 2016

Geschreven door: Claudel, Philippe
Artikel door: Dobbelaer, Roeland

Tot ziens, meneer Friant

Heimwee is een drankje voor oude vrijsters

[Recensie] In het kleine boekje Tot ziens, meneer Friant maakt Philippe Claudel zich schuldig aan geschiedvervalsing, charmante geschiedvervalsing dat wel. Hij beschrijft zijn jeugd aan de hand van de jeugd van zijn oma en het leven van de schilder Emile Friant (1863-1932). Het boek staat vol met afbeeldingen van idyllische schilderijen van Friant, naturalistische werkjes van verliefde stellen: mooie jongedames, kleine meisjes, stoeiende jongens en feestende mensen. Friant bracht ook de donkere kant van het leven in beeld: verdriet, rouw, dronkenlappen. Het is de tijd van rond de Eerste Wereldoorlog, het decor is dat van Nancy en omstreken, Noordoost Frankrijk, in Lothardingen, waar Claudel maar ook zijn grootmoeder en de schilder groot werden en de laatste twee hun levens leefden. Claudel woont er ook nog steeds.

Als je net Grijze Zielen hebt gelezen zie je door dit kleine boekje ook de beelden van Grijze Zielen erbij. Dames met lange ruisende japonnen, meisjes met strikken in het haar, mannen met hoeden en petten, karren met paarden. De wereld, verwikkeld in een Wereldoorlog of niet, was nog overzichtelijk, nog nauwelijks gemotoriseerd, eenvoudig, liefdevol, althans dat beeld roept Claudel op.

Claudels oma vertelde Claudel de verhalen uit haar jeugd en Claudel vertelt ze ons. Als kind van tien jaar oud, begin jaren zeventig van de vorige eeuw (Claudel is van 1962) moest Claudel elke dag naar zijn oma, omdat zijn ouders nog aan het werk waren. Zijn oma woonde langs het kanaal  van Dombasle en was er sluiswachter. Ze had in 1918 een kind gekregen, uit een kortstondig huwelijk van een paar maanden. Haar man moest meevechten in WOI en overleefde het niet. Oma vertelt, en de kleine Claudel slaat alles op en schrijft er dertig jaar later dit klein boekje over. Hij doorspekt het met herinneringen aan zijn eigen jeugd. Als je het boek leest lijkt er geen verschil in de tijd te zijn tussen de jaren zeventig van de vorige eeuw en vijftig jaar eerder. De toon is hetzelfde, alles loopt vloeiend in elkaar door, het leven gaat door. Claudel was net als zijn oma lichtelijk opstandig en trok zijn eigen plan. Generaties Claudels volgen elkaar op, in dat rustige, idyllische Noordoost-Frankrijk, dat beeld. En ook als Claudel over zijn eigen jeugd vertelt denk je aan dames met lange, ruisende japonnen, meisjes met strikken in het haar, etc. Maar Claudel is van een andere tijd. Hij is uit de tijd waarin het beton als een van de grootste uitvindingen werd beschouwd en in Europa tot in de kleinste dorpen betonwijken, betonflats, betonboerderijen, betonfabrieken werden gebouwd. Snelwegen, auto’s de komst van de industrialisatie. En de meisjes hadden toen daar ook al spijkerbroeken aan en los lang haar. Maar bij Claudel is er geen ruimte voor de moderniteit.

Hij schrijft dit alleraardigste boekje (“het is wellicht de mooiste tekst die ik ook heb geschreven”, zei hij er zelf over) vol van heimwee naar een tijd die hij zelf niet heeft meegemaakt. Op een moment in Tot ziens, meneer Friant geeft hij commentaar op het omkijken naar voorbije tijden en dan zegt hij – ik durf te beweren zonder enige zelfspot: “Heimwee is een drankje voor oude vrijsters” en dat is precies ook wat Tot ziens, meneer Friant is.

Boekenkrant


Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles

Als voorbereiding op DLVAlive avond op 21 november over Philipe Claudel met Claudel-vertaler Manik Sarker leest Roeland Dobbelaer komende tijd elke week een boek van Claudel. Hij doet hier verslag.