Vrijdag, 10 juli, 2020

Geschreven door: Meenen, Vincent Van
Artikel door: Waanders, Liliane

Tuin

Verkenningstocht op de vierkante meter

[Recensie] Vincent Van Meenen nam de moeite om Tuin persoonlijk onder de aandacht te brengen van de (professionele) lezer. In plaats van een persbericht stuurde de uitgever een brief van de schrijver mee. Een nogal dwingende brief, waarin Vincent Van Meenen laat weten hoe Tuin niet te lezen en wat zijn tweede boek niet is. Het is volgens hem “een boek dat geen novelle of roman genoemd wil worden.” En: “Vast staat dat in de 128 pagina’s die hier voor u liggen, geen ontwikkeling plaatsvindt, en als dat wel zo lijkt, is dat schijn. Tuin doet niet aan personages, ontwikkeling, plot of spanningsboog. Het is een draaikolk.” Probeer dan nog maar eens blanco in een boek te beginnen.

Tuin gaat over een man die gevangen zit in een tuin. Hij heeft de tuin vrijwillig betreden, hij kan er ook weer weg, maar toch kan hij zich moeilijk losmaken van de omgeving waar hij zich nu al enige tijd bevindt. Wat begint als het onschuldig ontdekken, inventariseren en beschrijven van de omgeving waarin hij beland is, wordt naarmate Tuin vordert steeds meer een dwangmatige bezigheid. De man lijkt in een hallucinaire staat te gaan verkeren, waarin niets meer is wat het aanvankelijk leek, en de tuin zelf ook fundamenteel van gedaante en substantie verandert.

En toch is de tuin een rustpunt. Een plek van waaruit de man de rest van zijn universum heroverweegt. In de tuin laat hij de wereld en het leven de revue passeren. Totdat hij ook daar door het al overweldigd wordt.

De tuin is meer dan een tuin.

Archeologie Magazine

“De tuin is volgens sommige grootmeesters de derde stap naar verlichting. Na de jungle, waarin de mens ronddwaalt, en het bos, waar men gedoemd is op de paden te zwerven, landt men in de tuin waar men kan zaaien, onderhouden en oogsten. Die werkwoorden beoefen ik niet, maar ik begrijp meer en meer wat de groot meesters bedoelen. Uiteindelijk, zeggen ze, volgt de thuiskomst, al heb ik geen idee hoe ik een huis moet bouwen en waar ik dat zou moeten doen. Dat ik de jungle heb verlaten lijkt me duidelijk, daarvan ben ik overtuigd. Het bos daarentegen heb ik nooit gezien.”

De almaar uitdijende tuin zou het paradijs kunnen zijn als de dagelijkse werkelijkheid er niet was. Het zou meer kunnen zijn dan het toevluchtsoord dat het is voor de man die naar leegte snakt en tegelijk naar zingeving zoekt. Voor wie een mees het ideale aanspreekpunt is als grenzen vervagen.

Minstens zo belangrijk als de concrete kant – de bomen, de planten, de seizoenen – is in Tuin het abstracte, het symbolische, maar Vincent Van Meenen laat al die bewustzijnslagen in elkaar overlopen. Ook al bespiegelt zijn man in de tuin het leven, hij blijft verslag doen in een taal die weliswaar poĂ«tisch is, maar down to earth blijft.

De tuin waarin Vincent Van Meenen zijn man laat dolen, doet niet alleen denken aan het Paradijs van Luuk Imhann – waarin de schrijver in het midden laat of zijn personage door een tocht door de jungle gek geworden is of hij ten prooi gevallen aan de waanzin zich het hele avontuur in zijn hoofd haalt – maar ook aan het verhaal Amandine of de twee tuinen: inwijdingsverhaal van Michel Tournier uit de bundel De fetisjist & andere verhalen waarin een ommuurde tuin een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent op een meisje van tien. Die in eerste instantie onbereikbare tuin is als een jungle:

“Er staat hoog onkruid dat tot aan mijn neus komt. Ik moet een pad volgen dat dwars door het woud is uitgehakt, maar dat bezig is te verdwijnen. Grote grillige bloemen strelen mijn gezicht. Ze ruiken naar peper en meel, een erg zoete lucht, maar die ook een beetje moeilijk in te ademen is. Onmogelijk om te zeggen of het een lekkere of een vieze lucht is. Alle twee tegelijk, lijkt me.
Ik ben een beetje bang, maar de nieuwsgierigheid drijft me verder. Alles hier ziet eruit alsof het lang, lang geleden aan zijn lot is overgelaten. Het is droevig en het is mooi als een zonsondergang… Een bocht, weer een gang van groen, en dan kom ik bij een soort open plek, rond, met in het midden een tegel.” (vertaling: Jeanne Holierhoek)

en vormt een groot contrast met de keurig door haar vader verzorgde tuin van haar kinderjaren. Ook een tuin die meer is dan een tuin, en staat voor in- en uitsluiting en het ontdekken van de wereld en het zelf. Amandine is nog te jong om in de tuin meer te zien dan verboden terrein, maar de man van Vincent Van Meenen realiseert zich dat hij zijn verblijf en verkenningstocht niet vrijblijvend zijn:

“Al vele keren heb ik me voorgenomen een reis te maken naar het hart van de tuin. Een speurtocht die alle geheimen moet ontsluieren en me moet helpen om de gietijzeren poort voor eens en voor altijd achter me dicht te laten vallen. Kan ik de tuin ooit helemaal doorgronden? Eergisteren nog maakte ik me klaar voor de grote tocht. (…)
Ik vraag het me af. Zal ik, eenmaal het hart van de tuin blootgelegd, nog op mijn schreden kunnen terugkeren, nog kunnen genieten in het late middaglicht? Hoe zal het zijn na mijn tocht? Weer in de tuin, terug van weggeweest, wat zal er veranderd zijn? Of zal het lijken alsof het altijd zo is geweest, alsof alles altijd zo geweest is?”

Er zit wel degelijk een verhaal in Tuin. Er is zelfs sprake van een personage, een plot en een spanningsboog. Maar tegelijk kun je in Tuin op diverse plaatsen willekeurig genieten van een observatie. Een roman is het niet. Een prozagedicht zou ik het ook niet noemen. Maar waarom het geen novelle wil zijn… Al laat het verhaal zich niet lineair navertellen, en dat is de bedoeling.

Eerder verschenen op Hanta