Zondag, 24 januari, 2016

Geschreven door: Six, Roderik
Artikel door: Jenowein, Annette

Val

Vastklampen aan details

Onze lieve Heer heeft rare kostgangers. En niet alleen in de echte wereld. Ook in de literatuur wemelt het van de vreemde snuiters, engerds, weirdo’s en leipo’s. Roderik Six voert er een paar ten tonele in zijn tweede roman Val, een inktzwarte vertelling over een jonge arts in Fall, een gehucht van houthakkers en vissers in het dunbevolkte en onherbergzame noorden van Canada.

‘Doc’ wordt de verteller door iedereen genoemd, zijn echte naam doet er niet toe, ‘ik draag er vele’. En ze waren het toch zo gewend. Ook de vorige dokter, de oude Lyndon, die de geest had gegeven en wiens vervanger hij werd, noemden ze zo.  Madeleine, de dierenarts van Fall, zocht een nieuwe partner om de praktijkruimte mee te delen.

Hij ontmoette haar op een congres voor anesthesie. Waarom hij ingaat op haar verzoek, weet hij eigenlijk niet. ‘Ik houd het liever op toeval. Toeval en chaos.’ Als lezer ben je dan al op je hoede: wat moet die man daar, in dat onherbergzame gebied, met weinig andere gesprekspartners dan een aan slapeloosheid lijdende sheriff, een hoerenmadam en een oude boer die zijn vrouw vermoord heeft?

Geheimzinnig

Chaotisch is het in Fall bepaald niet, eerder heerst er een drukkende leegte die allerlei geheimen lijkt te verzwijgen. De nieuwe dokter besluit de tocht naar Fall over land te maken – de gedachte aan een barre tocht van anderhalf etmaal op een bootje met een schipper ‘die me de pieren uit de neus zou vragen’ lokte hem niet bepaald aan. In de beschrijving van de rit naar Fall door het steeds dichter wordende woud doet Roderik Six zich kennen als een liefhebber van geheimzinnige details. Daardoor bouwt hij al snel in de roman een spanning op die lezer dwingt passages te herlezen of naarstig terug te bladeren, nog voordat het boek uit is, om maar geen detail te missen als straks de ontknoping daar is.

Scènes

‘Ik dwong mijn rechtervoet dieper het pedaal in. Als een optrekkende carrousel: de ene stam na de andere. Nooit helemaal gelijk aan zijn voorganger en toch, gaandeweg één ribbelend geheel.
Zwarte krassen op het glas.
Stroomstoten door de naald.
Aanzwellende golven ruis.
De geur van natte bladeren die via de airco binnen drong; een wakke lucht, zwanger van hout en groen.

En dan, een ster.’

Lees ik op pagina 20. En op pagina 237 – de dokter keert na een straffe winter in de lente het dorp alweer de rug toe – lees ik weer over die ster:

‘De ster was ik al een tijdje gepasseerd. Net na de afrastering die een wig in het woud had gedreven. Het deed deugd even geen bomen te zien, om het lage zonlicht met een klap tegen de flank van mijn wagen te voelen slaan. Een warme golf prikkelde mijn wimpers. De volgende seconde was hij alweer voorbij. In mijn achteruitkijkspiegel ving ik een glimp op van de overwoekerde letters. Takken omklemden het metaal. Alleen de ster was gevrijwaard gebleven van het gebladerte. Het deed me niets. Er was geen opluchting. Ik had nog een lange weg te gaan.’

Verrek, die ster. Wat had die met alles wat ik zojuist gelezen had te maken? Wat heb ik over het hoofd gezien waardoor ik nu, op de een na laatste bladzijde, vol vragen achterblijf? Dat de dokter nog een lange weg te gaan heeft, is me inmiddels wel duidelijk. Als zijn duistere liefhebberij ontmaskerd wordt, is hij zijn leven niet zeker. Alhoewel de dorpelingen van het gehucht zelf allerminst heilige boontjes zijn, staat de lugubere hobby van de dokter toch bepaald op zichzelf. Moord, zelfmoord, illegale handel in drugs, seksueel misbruik en prostitutie zijn klein bier bij wat de dokter stiekem bekent in een schriftje dat hij met een groots woord zijn memoires noemt.

Babbelkous

Behendig strooit Six de lezer gedurig zand in de ogen. Me vastklampend aan de details werk ik me door het inktzwarte verhaal heen, waarin de figuren een danse macabre opvoeren rondom hun gruizige motieven. De enige normale persoon lijkt de schrijver zelf te zijn, die opduikt in de gedaante van Jonathan, ‘de theatrale romanschrijver’ en geschiedenisleraar op de dorpsschool. Een opgewekte babbelkous, die ervan houdt zijn kennis ruim over zijn toehoorders uit te strooien.

Welke functie de brave Jonathan in het boek vervult, is me niet echt duidelijk geworden, of het moet zijn dat zijn personage af en toe onbedoeld een unheimisch gevoel bij de lezer oproept door in totale onschuld dingen te zeggen die zijn gesprekpartner verontrust, alsof achter de brave façade van de onderwijzer een sluwe allesweter schuilt.  Wat in zekere zin ook zo is, natuurlijk. Een mooie literaire truc, van Six.

‘…en bijna had ik Rose’s naam laten vallen maar ik onderbrak mezelf abrupt. Even was er alleen het geluid van knappend hout.
‘Beroepsgeheim?’ Jonathan keek me ernstig aan.
Ik knikte, plechtig.
‘Waarover je niet kunt praten, daarover moet je zwijgen, Doc. Het is een prachtige eed die je hebt afgelegd, een moderne versie van het biechtgeheim. Je bent in het bezit van een kluis waarin je andermans geheimen bewaart.’

Geheimen zat, en opgehelderd worden ze ook niet echt. Iedereen in het dorp heeft zo zijn eigen motivatie om weg te kijken van de waarheid. Dat de hoofdpersoon van Val in de val zou lopen, blijkt ijdele hoop. ‘Ik had het einde van de verdoemde weg bereikt. Met een glimlach en met mijn handen losjes op het stuur reed ik traag verder, de duisternis tegemoet. Eindelijk was het nacht geworden.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *