Woensdag, 24 april, 2019

Geschreven door: Valk, Gerrit
Artikel door: Dijk, Jos van

Vechten voor vijand en vaderland

SS’ers in Nederlands-indïe en Korea

[Recensie] “Maak van onze jongens geen SS’ers” was de leuze waarmee de communistische jeugdbeweging onder leiding van Marcus Bakker actie voerde tegen het uitzenden van dienstplichtigen naar de oorlog in Indonesië. De woede over die uitzending zou nog vele malen groter geweest zijn als ook toen al circulerende geruchten bevestigd waren geweest dat er zich onder de Nederlandse soldaten in Indonesië daadwerkelijk ex-SS’ers bevonden. Dat gebeurde pas in de jaren tachtig toen Chris van Esterik in de NRC een getuige opvoerde die als dienstplichtige geconfronteerd was met soldaten die enkele jaren eerder in dienst van de nazi’s hadden gevochten. Geert Mak schreef op basis van dat artikel in De eeuw van mijn vader dat het om vijftien- à dertigduizend man ging. Dat was een pijnlijke vergissing die hij later moest rectificeren.

In Vechten voor vijand en vaderland doet historicus en ex-PvdA Kamerlid Gerrit Valk verslag van zijn onderzoek naar hoe het in werkelijkheid allemaal is gelopen. Hij beschrijft de inzet van voormalige SS’ers in Nederlands Indië en in de Korea-oorlog op grond van zorgvuldig archiefonderzoek en gesprekken met betrokkenen. De miskleun van Mak komt pikant genoeg voort uit een memorandum uit 1945 van de Rooms-Katholieke Kerk aan toenmalig premier Schermerhorn. Volgens de katholieke schrijvers, die de goedkeuring kregen van kardinaal De Jong, waren de meeste SS’ers geen oorlogsmisdadigers, maar idealisten, aanhangers van de Groot-Nederlandse gedachte en anticommunisten. Vanuit christelijk oogpunt bezien zou hen de gelegenheid gegeven moeten worden “goed te maken wat zij hebben misdreven”. “Een groot voordeel, aldus de schrijvers van het memorandum, was dat er 15.000 en misschien wel 30.000 geoefende en ervaren militairen beschikbaar waren voor de strijd.” De regering Schermerhorn is om begrijpelijke redenen niet op deze suggestie ingegaan. Dat wil echter niet zeggen dat de deur naar de krijgsmacht voor alle voormalige SS’ers gesloten bleef in de naoorlogse jaren. Zowel in de oorlog in Nederlands Indië als in de Korea-oorlog enkele jaren later waren soldaten actief die ervaring hadden opgedaan in het leger van nazi-Duitsland.

Milde wervingsambtenaren

Gerrit Valk heeft in zijn onderzoek geen bewijzen gevonden voor een actief wervingsbeleid van de Nederlandse regering onder voormalige SS’ers. Naar Nederlands-Indië zijn vooral jonge ex-leden van de Waffen-SS uitgezonden die na de oorlog nog in de dienstplichtige leeftijd waren. Het waren vaak jongens die op zeer jonge leeftijd getekend hadden voor dienst onder de nazi’s. Ze kwamen nogal eens uit gebroken gezinnen, waren werkloos, soms al eens veroordeeld voor kleine criminaliteit, niet altijd even slim en als tiener snel verleid tot het avontuur dat de nazi’s hen voorspiegelden. Zij kregen na de oorlog in bepaalde gevallen van de wervingsbureaus een kans om hun leven te beteren en te laten zien dat ze uiteindelijk toch goede vaderlanders waren. Alles bij elkaar schat Valk dat er tussen de zeshonderd en duizend militairen met een verleden bij de SS tegen de Indonesische republiek zijn ingezet.

Voor de Korea-oorlog moesten vrijwilligers worden geworven. Ook hier waren in principe mensen die in vreemde krijgsdienst waren getreden uitgesloten. Maar toen het niet al te vlot verliep bij de werving werd ook in dit geval steeds vaker de hand gelicht met die regel. Naar schatting veertig tot zeventig mannen met een militair oorlogsverleden in Duitse dienst vochten in Korea tegen de communisten.

Bazarow

Waardering

De motieven van de voormalige soldaten van de SS waren duidelijk. Het was een kans om zich te rehabiliteren maar ook om onder te duiken in een omgeving waar niet over het verleden werd gepraat en waar geharde militairen zich waar konden maken.

Veel SS’ers werden door hun collega’s gewaardeerd voor hun discipline, opofferingsgezindheid en moed.

“In de meeste gevallen was er sprake van een professionele waardering voor de voormalige wapendragers in Duitse dienst -je had elkaar immers bitter hard nodig aan het front- en zelfs kon die acceptatie overslaan in vriendschappen voor het leven. Ook zijn er aanwijzingen dat er, tensminste heimelijk ook bewonering werd opgebracht voor het feit dat zij in Duitse krijgsdienst toch maar de moed hadden opgebracht te vechten tegen de Russen. Vooral de Koude Oorlog (…) was hierin een factor. Het communisme was nu de vijand nummer één en degenen op wie voorheen zo werd neergekeken, hadden daar al eerder de wapens tegen opgenomen.” (p.134)

Ontsporingen

In de loop der jaren zijn er talloze getuigenissen opgedoken van misdadig optreden van Nederlandse soldaten in Nederlands Indië. Eerst was er sprake van excessen. Zo langzamerhand komt er erkenning voor het feit dat het Nederlandse leger vlak na de oorlog in Indonesië structureel geweld heeft toegepast. Kunnen we dit nu wellicht op het conto schrijven van die soldaten met een SS-verleden? Valk schrijft (p.137): ‘Het was natuurlijk het eenvoudigst om excessen toe te wijzen aan mannen die toch al bewezen hadden eerder ook fout te zijn  geweest.’ Dat blijkt een al te gemakkelijke verontschuldiging en er is geen bewijs voor te vinden. De verantwoordelijkheid voor het structurele geweld moet op de eerste plaats gelegd worden bij de legerleiding en de commandanten te velde. Op basis van de recent gepubliceerde zeer gedegen studie van Limpach (De brandende kampongs van generaal Spoor) concludeert Valk dat het eerder op eigenrichting ingestelde mannen met een verleden in ongeregelde verzetsgroepen zijn geweest die over de schreef zijn gegaan.

Correcties

Vechten voor vijand en vaderland bevat geen spectaculaire onthullingen na alles wat er over deze periode in de de vaderlandse geschiedenis de laatste jaren al verschenen is. Het verhaal is wat uitgesponnen en zeker tegen het einde komen we nogal wat herhalingen tegen uit de getuigenissen van de betrokkenen.De belangrijkste conclusies hadden eigenlijk ook wel in een tijdschriftartikel gepast.  Maar het leest vlot en zeker met die terugblikken van diverse betrokkenen is het een gedegen geschiedschrijving van gebeurtenissen die andermaal laten zien dat het zwart-witte beeld van de afrekening met foute Nederlanders niet deugt.

Gerrit Valk, die tegenwoordig voorzitter is van het Veteraneninstituut, zou zijn boek een paar decennia geleden zeker in die functie niet hebben kunnen schrijven. Het is tekenend voor deze tijd waarin ook de laatste activistische veteranen van Indië en Korea niet meer van zich kunnen laten horen dat er meer en meer genuanceerde verhalen komen over het verleden met de nodige correcties op eerder verspreide beelden. Ik twijfel nog wat ik erger vind: de pijnlijke conclusies over wat er in het verleden is gebeurd of het feit dat het zo lang moet duren voordat de waarheid boven tafel komt.

Eerder verschenen op Sargasso