Zondag, 4 januari, 2015

Geschreven door: Loy, Jan van
Artikel door: Jenowein, Annette

Veertig jaar liefde

Gestruikeld over het verzet

Op het wel of niet winnen van een literaire prijs heeft de schrijver doorgaans weinig invloed. Meerdere malen belandde een boek van de Vlaamse schrijver Jan van Loy op een belangwekkende literaire shortlist zonder te winnen. Het lijkt symptomatisch te zijn voor de manier waarop zijn held uit Veertig jaar liefde zich moet laten meesleuren in schimmige praktijken aan zowel de ‘goede’ als de ‘slechte’ kant in de nadagen en nasleep van de Tweede Wereldoorlog.

Is Veertig jaar liefde een hedendaagse Mann ohne Eigenschaften? Een gerevitaliseerde Donkere kamer van Damokles? Een ding is zeker, de man zonder eigenschappen Henri Willems (niet zijn echte naam) kan niet in de schaduw staan van Henri Osewoudt, en ook het verhaal zelf kan de vergelijking met W.F. Hermans’ magistrale roman niet aan. Niettemin is het gegeven en de manier waarop Van Loy het geheel vormgeeft, buitengewoon interessant en boeiend. Dat geldt vooral de pakweg eerste honderd pagina’s. In brieven aan de dochter die hij nooit zag  – en die hij pas op zijn sterfbed verstuurde – schetst hij zowel zijn petite histoire– en daarmee de geschiedenis van haar ontstaan – als de grande histoire, die van verzet en collaboratie in de (nasleep van de) Tweede Wereldoorlog.

Ironie

Dat laatste blijkt helaas een te grote kluif te zijn voor Van Loy. Na min of meer onbedoeld betrokken te worden bij de moord op een (vermeende) collaborateur vlucht de hoofdpersoon naar Duitsland, neemt een andere identiteit aan en raakt verzeild in een maalstroom van activiteiten waarvan het hem zelf vaak niet duidelijk is aan welke kant hij nu eigenlijk staat. De sukkeligheid van de Vlaamse leraar Duits doet aanvankelijk komisch aan, temeer daar Van Loy met afstandelijke ironie diens lotgevallen weet te beschrijven. Vooral de visie van de hoofdpersoon op zichzelf en zijn geboortedorp, het Kempische Hinterlee, deed me geregeld in de lach schieten. Bijvoorbeeld als ‘Henri’ tegen zijn wil Joodse onderduikers in huis moet nemen.

‘’s Ochtends verplaatste ik de jutezakken van Lavrenti naar mijn voorraadschuurtje. Toen ging ik in mijn voortuin zitten lezen. Ik keek voortdurend op van mijn boek. Ik verwachtte een groep vrome Joden zoals ik ze in Antwerpen had gezien, met hun zwarte kleren en pijpenkrullen. Zo stelde ik mij het gezin voor. Te Hinterlee verwachtte er men eerder een giraf te zien dan een Hebreeër.’

Wordt Vervolgd

Die ironie verdampt echter naarmate de geschiedenis vordert en de hoofdpersoon steeds gelatener op de gebeurtenissen reageert. Door zijn talenkennis verwordt hij na de oorlog tot een speelbal van allerlei schimmige figuren en organisaties, zowel van fanatieke eenlingen als van het Amerikaanse State Department, van anticommunisten tot overlopers. Van Loy beschrijft een en ander in een mix van uiterst gedetailleerde dialogen en grote sprongen in de tijd, soms zelfs in één zin, waardoor de lezer geregeld in verwarring achterblijft:

‘Toen Wolf bij het ontbijt zei dat hij op school, toen nog de lagere school, een spreekbeurt moest geven over ma mère, zei Marga: ‘Kijk maar niet naar mij, je ne voudrais pas être ta mère. Binnenkort komen de mannen van het pensionaat jou halen, vergeet dat niet. Hou je maar gereed.’

Het zal wel het gevolg zijn van het model waarin Van Loy zijn verhaal heeft gegoten: zijn niet altijd even chronologisch geordende herinneringen in briefvorm, die overigens alleen blijkt uit de aanhef en hier en daar de tussenopmerking ‘lieve dochter’. Uit voorzorg heeft Henri zijn brieven getypt en niet ondertekend, zodat de herkomst voor de geadresseerde onduidelijk blijft.

Even onduidelijk als de tijdshantering, is de beschrijving van de ruimtelijkheid. De beschrijving door Henri van de door de Duitsers aangerichte oorlogsverschrikkingen in zijn hoedanigheid van verslaglegger in dienst van de Amerikanen is zeer plastisch, bijna filmisch. Daartegenover doet de vaagheid van het decor van het naoorlogse Brussel, waar CIA, State Department, KGB en splinternetwerken actief zijn, onrealistisch aan. Net als de keur aan (dubbel)spionnen, intriganten en hele en halve gekken die Henri’s leven in – en uitwandelen. Je denkt geregeld: zou het echt?

De kozijn

De laatste die Henri komt lastigvallen met zijn oorlogstrauma’s is Gustaf, die ineens voor zijn neus staat met de mededeling dat hij zijn ‘liefste kozijn’ is.

‘Mijn liefste neef,’ bedoelde hij dus.

‘‘Gustaf?’ zei ik neutraal. ‘Wel, wel.’ Ik herinner mij die Gustaf nog uit de stamboom die Bill Crohn mij ‘voor alle veiligheid’ uit het hoofd had laten leren. Gustaf was als Vlaams-nationalist naar het oostfront gegaan, lang voordat de opportunisten er tijdens de bevrijding onder Duits konvooi naartoe vluchtten. Crohn had mij wijs gemaakt dat deze neef was gesneuveld.’

Het is een van de vele rariteiten in het boek die Van Loy niet opheldert maar oplost door betreffende personen maar te laten sterven of simpelweg te laten verdwijnen. Klara, Crohn, Marga, Wolf, Lavrenti, Quincy, Orner  – het lijken marionetten in een schimmenspel waarin het de spelers amper duidelijk was welke rol zij erin speelden en dat nog tot de val van de Muur bleef doordreinen.

‘‘Zoek het zelf maar uit. Ik was zowat de oudste van heel het geval, nog een van de weinige krijgsgevangenen…’
‘Nog een van de weinig nazi’s,’ zei ik.
‘Och ja,’ zei Gustaf. ‘Maar de communisten waren even grote smeerlappen.’
‘Niet iedereen was ofwel nazi ofwel communist.’
‘Heb jij dan niets gedaan in de oorlog?’
‘Ik zat in het verzet!’ riep ik, maar nog voor ik was uitgesproken voelde ik mijn morele meerwaardigheid verdampen. Ik had niet in het verzet gezeten, ik was erover gestruikeld.’’

Het had een groots epos kunnen worden, maar Jan van Loy struikelde over de complexiteit van de materie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *